Lukas 9:51-56
Deze gebeurtenis wordt door geen der andere evangelisten meegedeeld, en zij schijnt hier verhaald te worden wegens de verwantschap er van met de vorige, want ook hier worden de discipelen door Christus bestraft, omdat zij om Zijnentwil ijverden. Daar hebben zij, onder schijn van ijver voor Christus, afgescheidenen willen onder bedwang leggen en tot zwijgen brengen, hier willen zij onder diezelfden schijn ongelovigen ter dood brengen. Voor het ene zowel als voor het andere heeft Christus hen bestraft, want een geest van enghartigheid en vervolging staat lijnrecht tegenover den geest van Christus en van het Christendom. Merk hier op:
I. De bereidvaardigheid en vastberadenheid van onzen Heere Jezus in de voortzetting van Zijne onderneming om ons te verlossen en zalig te maken. Daarvan hebben wij hier een voorbeeld, vers 51 :Als de dagen Zijner opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen. Merk op:
1. Er was een tijd bepaald voor het lijden en sterven van onzen Heere Jezus, en Hij wist zeer goed wanneer die tijd was, en Hij had er een heldere en stellige voorkennis van, en toch was Hij er zover vandaan om zich daarom uit den weg te houden, dat Hij juist toen het meest in het openbaar optrad en het meeste werk deed, wetende dat Hem nog slechts weinig tijds overbleef.
2. Toen Hij lijden en dood zag naderen, zag Hij er doorheen en richtte zijn oog op de heerlijkheid, die zou volgen, Hij beschouwde het als den tijd, wanneer Hij opgenomen zou worden in heerlijkheid, 1 Timotheus 3:16, opgenomen in de hoogste hemelen, om daar op den troon te worden geplaatst. Mozes en Elias spraken van Zijn dood als van Zijn heengaan uit deze wereld, waardoor de dood voor Hem zijne verschrikking verloor, maar Hij ging verder, en beschouwde hem als Zijn overgang naar een betere wereld, waardoor de dood voor Hem begeerlijk werd. Alle goede Christenen kunnen voor zich zelven deze denkbeelden koesteren omtrent den dood, en kunnen hem hun opgenomen worden noemen, om met Christus te zijn waar Hij is. Laat hen hun hoofd opheffen, als de tijd hunner opneming nabij is.
3. Bij het vooruitzicht van de vreugde, die Hem was voorgesteld, heeft Hij Zijn aangezicht gericht om naar Jeruzalem te reizen, naar de plaats, waar Hij zal lijden en sterven. Hij was vast besloten derwaarts heen te gaan, en wilde er niet van afgehouden worden. Hij ging terstond naar Jeruzalem, omdat daar nu Zijn werk en roeping lag. Hij ging er regelrecht heen, zonder omweg te maken of andere steden te bezoeken, hetgeen, indien Hij het wèl gedaan had, het onnodig voor Hem gemaakt zou hebben om door Samaria te gaan. Hij ging er blijmoedig en goedsmoeds heen, hoewel Hij wist wat Hem daar overkomen zou. Hij heeft niet gefaald en werd niet ontmoedigd, maar heeft Zijn aangezicht gesteld als een keisteen, wetende dat Hij niet slechts gerechtvaardigd, maar ook verheerlijkt zou worden. Hoe moest ons dit beschaamd maken wegens onze traagheid in het doen en lijden voor Christus! Wij gaan terug, en richten ons aangezicht af van den dienst van Hem, die Zijn aangezicht steeds gesteld heeft tegen allen tegenstand, ten einde het werk onzer verlossing te volbrengen.
II. De onbeschoftheid der Samaritanen in een zeker vlek (dat niet genoemd is, omdat het niet verdiende genoemd te worden) die Hem niet wilden ontvangen, en Hem niet wilden toelaten zich in hun stad te verversen, ofschoon Zijn weg er doorheen lag. Merk hier op: 1. Hoe beleefd Hij zich jegens hen gedroeg: Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht, sommigen van Zijne discipelen, om te vernemen of Hij voor zich en Zijn gezelschap herberg bij hen zou kunnen vinden, want Hij wilde niet komen om hun aanstoot te geven, of hun schrik aan te jagen door het aantal Zijner volgelingen. Hij zond hen om herberg voor Hem te bereiden, niet voor praalvertoon, maar voor gerieflijkheid, opdat Zijne komst hen niet onverwachts zou overvallen.
2. Hoe onbeleefd zij zich gedroegen jegens Hem, vers 53. Zij ontvingen Hem niet, wilden niet toelaten dat Hij in hun vlek zou komen, maar gaven bevel aan hun wacht om Hem terug te wijzen. Hij zou betaald hebben voor hetgeen Hij bestelde, en zou een edelmoedige gast onder hen geweest zijn en hun goed gedaan hebben, hun het Evangelie hebben gepredikt, zoals Hij enigen tijd tevoren in een andere stad der Samaritanen gedaan had, Johannes 4:41. Hij zou, indien zij het gewild hadden, de grootste zegen voor hun plaats geweest zijn, en toch weigerden zij Hem toegang. Zulk ene behandeling is dikwijls aan het Evangelie en de Evangeliedienaren te beurt gevallen. De reden nu was, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem, zij bespeurden dat Hij in die richting ging. De grote strijd tussen de Joden en de Samaritanen betrof de plaats der aanbidding-of het Jeruzalem was, of Gerizim, nabij Sichar, Johannes 4:20. En die strijd tussen hen was zo hevig, dat de Joden gene gemeenschap wilden houden met de Samaritanen, en dezen niet met hen, Johannes 4:9. Toch kunnen wij veronderstellen, dat zij aan andere Joden geen herberg onder hen geweigerd hebben, als zij opgingen tot hun feesten, want indien dit hun gewoonte was geweest, dan zou Christus geen poging gedaan hebben om herberg bij hen te vinden, en het zou ook voor sommige Galileërs een grote omweg geweest zijn, als zij anders dan door Samaria naar Jeruzalem hadden moeten reizen. Maar zij waren zeer bijzonder vertoornd op Christus, die een vermaard leraar was, wijl Hij den tempel te Jeruzalem erkende als de wettige plaats der Godsverering, terwijl de priesters van dien tempel toch zulke bittere vijanden van Hem waren, hetgeen, naar zij hadden gehoopt, Hem vandaar weggedreven zou hebben, om in hun tempel te komen aanbidden, waardoor die tempel dan beroemd zou zijn geworden. Toen zij echter zagen dat Hij desniettemin naar Jeruzalem wilde gaan, wilden zij Hem de gewone beleefdheid niet bewijzen, die zij Hem waarschijnlijk bij vorige gelegenheden op Zijne reis derwaarts wel bewezen hadden.
III. De verontwaardiging, die Jakobus en Johannes over deze belediging hebben getoond, vers 54. Toen deze twee de boodschap hoorden, die gebracht werd, waren zij terstond in toorn ontstoken, en met niets minder willen zij tevreden zijn dan wraak over die belediging dan dat deze stad het lot van Sodom zal treffen.
Heere, zeggen zij, wilt Gij dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale? niet slechts om hen te verschrikken, maar om hen te verslinden.
1. Er was hierin nu wel iets prijzenswaardigs, want zij toonden:
a. Een groot vertrouwen in de macht, die zij van Jezus Christus hadden ontvangen, ofschoon dit nu niet bijzonder in hun opdracht genoemd was, toch kunnen zij door een woord te spreken vuur van den hemel doen nederdalen. Theleis eipoomen -Wilt Gij dat wij het woord spreken en de zaak is geschied.
b. Een grote ij ver voor de eer huns Meester. Zij namen het zeer kwalijk, dat Hij die overal waar Hij kwam goed deed en een hartelijk welkom vond, een weigering ontving van enige ellendige Samaritanen om door hun plaats te gaan of er te vertoeven, zij konden er niet zonder verontwaardiging aan denken, dat hun Meester aldus met minachting werd behandeld.
c. Een onderworpenheid, niettemin, aan huns Meesters wil en behagen. Zij willen dit niet doen, of Christus moet er hun verlof toe geven: Wilt Gij dat wij dit doen?
d. Een acht geven op het voorbeeld van de profeten, die voor hen geweest zijn. Het is doen wat Elia gedaan heeft. Zij zouden aan zo iets niet gedacht hebben, indien Elia het niet had gedaan aan de krijgslieden, die gekomen waren om hem gevangen te nemen, en dat wel herhaaldelijk, 2 Kronieken 1:10, 12. Zij dachten dat dit precedent hun volmacht hiertoe was, zo geneigd zijn wij om aan het voorbeeld van Godvruchtige mensen een verkeerde toepassing te geven, en ons er door gerechtvaardigd te achten in onze ongeregelde handelingen, terwijl de omstandigheden toch volstrekt niet gelijk zijn.
2. Maar hoewel er in hetgeen zij zeiden wel iets was, dat recht was, was er toch nog veel meer verkeerds in, want:
a. Dit was volstrekt niet de eerste maal, dat onze Heere Jezus aldus beledigd werd, getuigen de lieden van Nazareth, die Hem uit hun stad wierpen, en de Gadarenen, die Hem baden dat Hij uit hun landpalen zou weggaan, en toch heeft Hij geen oordeel over hen ingeroepen, maar de belediging stil verdragen.
b. Dit waren Samaritanen, van wie men niets beters kon verwachten, en wellicht hadden zij ook gehoord, dat Christus aan Zijne discipelen had verboden om in enige stad der Samaritanen in te gaan, Mattheus 10:5. Daarom was het niet zo slecht in hen als in anderen, die meer van Christus wisten, en zoveel weldaden van Hem hadden ontvangen.
c. Het waren wellicht ook slechts weinigen uit die plaats, die iets van de zaak afwisten, of Hem die lompe boodschap hadden gezonden, terwijl er misschien velen in de stad waren, die, indien zij geweten hadden dat Christus zo dicht in hun nabijheid was, uitgegaan zouden zijn om Hem te verwelkomen, en moet dan nu de gehele stad in de as gelegd worden om de slechtheid van enkelen? Willen zij de rechtvaardigen met de goddelozen verdelgen?
d. Hun Meester had nooit vuur van den hemel doen nederdalen, ja Hij had geweigerd aan de Farizeeën een teken van den hemel te geven, toen zij er om vroegen, Mattheus 16:1, 2, en waarom denken zij dan dat zij het moeten doen? Jakobus en Johannes waren de twee discipelen, die Christus Boanerges -zonen des donders -had genoemd, Markus 3:17, is hun dat niet genoeg, moeten zij ook zonen zijn van den bliksem?
e. Het voorbeeld van Elia was op dit geval niet van toepassing. Elia was gezonden om de verschrikkingen der wet te tonen en daarvan de bewijzen te geven, en als een stoutmoedig bestraffer te getuigen tegen de afgoderij en goddeloosheid van het hof van Achab, en het was volkomen recht dat zijne zending aldus bewezen werd. Thans echter moet ene bedeling der genade worden ingeleid, waarmee zulk een tentoonspreiding der Goddelijke gerechtigheid niet in overeenstemming is. Aartsbisschop Tillotson is van mening dat hun aanwezigheid in Samaria, waar Elia vuur van den hemel had doen neerkomen, er toe heeft kunnen bijdragen om dit in hun gedachten te doen opkomen, het was misschien wel op dezelfde plaats, maar hoewel de plaats dezelfde was, de tijden waren veranderd.
IV. Zijne bestraffing van Jakobus en Johannes wegens hun vurigen, woesten ijver, vers 55.
Zich omkerende in rechtvaardig ongenoegen, bestrafte Hij hen, want zo wie Hij lief heeft, die bestraft en kastijdt Hij, inzonderheid voor hetgeen zij doen, dat onregelmatig is en hun niet betaamt, onder een schijn van ijver voor Hem.
1. Hij toont hun inzonderheid hun vergissing: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt, dat is: "Gij bemerkt niet in welk een slechte gezindheid gij zijt, hoeveel hoogmoed, hartstocht en persoonlijke wraakzucht verborgen is onder dien schijn van ijver voor uw Meester." Er kan in het hart van vrome mensen veel bederf schuilen, ja zelfs bovenkomen, zonder dat zij er zich van bewust zijn.
b. Gij bedenkt niet van welken goeden geest of gezindheid, volkomen tegenovergesteld hieraan, gij behoorde te wezen. Voorzeker moet gij nog leren, hoewel gij reeds zo langen tijd aan het leren zijt, wat de geest van Christus en van het Christendom is. Is het u niet geleerd uwe vijanden lief te hebben, en te zegenen die u vervloeken, en om genade niet om vuur van den hemel over hen in te roepen? Gij weet niet, hoe uwe gezindheid, uwe gemoedsgesteldheid hieromtrent in strijd is met de bedoeling van het Evangelie. Gij zijt thans niet onder de bedeling der dienstbaarheid, en verschrikking, en dood, maar onder de bedeling der liefde, en vrijheid, en genade, die ingeleid werd met de verkondiging van vrede op aarde en welbehagen in mensen, waarnaar gij u behoort te voegen, maar waar gij u niet, door verwensingen als deze, behoort tegen te stellen.
2. Hij legt hun het doel en de algemene strekking bloot van Zijn Godsdienst, vers 56 :De Zoon des mensen zelf is niet gekomen, en zendt u dus ook daartoe niet uit, om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden. Hij bedoelde Zijn heiligen Godsdienst te verbreiden door liefde en door alles wat lieflijk en aantrekkelijk is, niet door vuur en zwaard, door bloed en een algemene slachting, door wonderen van genezing, niet door plagen en wonderen van verwoesting, zoals die, door welke Israël werd uitgevoerd uit Egypte. Christus is gekomen om alle vijandschap te doden, niet om haar te koesteren. Diegenen hebben voorzeker den geest des Evangelies niet, die er op uit zijn om allen, die niet van hun gevoelen en hun weg zijn, te vervloeken en door geweld en vervolging uit te roeien allen, wier geweten hun niet toelaat te doen zoals zij doen, of te zeggen wat zij zeggen. Christus is gekomen, niet slechts om der mensen zielen te behouden, maar ook hun leven-getuigen de vele wonderen, die Hij deed ter genezing van krankheden, welke anders dodelijk zouden geweest zijn, door welke, evenals door duizend andere voorbeelden van weldoen, het blijkt dat Christus wil dat Zijne discipelen goed zullen zijn jegens allen, zoveel dit slechts in hun vermogen is, maar niemand leed zullen doen, dat zij de mensen tot Zijne kerk zullen trekken met mensenzielen en touwen der liefde, maar er niet aan moeten denken om er de mensen heen te drijven met de roede des gewelds of den gesel der tong.
V. Zijn heengaan van deze plaats. Niet slechts wilde Christus hen niet straffen voor hun ruwe onafhankelijkheid, maar Hij wilde ook niet staan op Zijn recht van over den weg te reizen (waartoe Hij dezelfde vrijheid had als Zijne naburen), wilde zich niet met geweld een doortocht verschaffen, kalm en vreedzaam ging Hij naar een ander vlek, waar de mensen niet zo gierig en enghartig waren, daar rustte Hij en verkwikte zich, en ging toen Zijns weegs. Als er een sterke stroom van tegenstand is, dan is het verstandig om er voor uit den weg te gaan, veeleer dan er tegen in te willen gaan. Indien sommigen zeer ruw en onbeschoft zijn, dan moeten wij, in plaats van ons er over te willen wreken, beproeven of wij bij anderen niet meer beleefdheid zullen vinden.