Lukas 23:44-49
In deze verzen hebben wij, drie dingen:
I. Christus' sterven verheerlijkt door de wonderen, waarvan het vergezeld ging. Er worden hier slechts twee genoemd, waarvan wij ook tevoren het bericht gehad hebben.
I. De verduistering der zon op den middag. Het was nu omtrent de zesde ure, dat is naar onze verdeling van den dag twaalf uur des middags, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. De zon was verduisterd, en terzelfder tijd was de lucht zeer zwaar bewolkt, en die beide omstandigheden hebben tezamen die dikke duisternis teweeggebracht, welke drie uren lang heeft aangehouden, niet drie dagen, zoals die van Egypte.
2. Het scheuren van het voorhangsel des tempels. Het vorige wonder was aan den hemel, dit wonder geschiedde in den tempel, want die beiden zijn Gods huis, en toen de Zone Gods aldus mishandeld werd, kon het niet anders, of er moest in die beide huizen Gods toorn en verontwaardiging over gevoeld en getoond worden. Door het scheuren van het voorhangsel werd de wegneming aangeduid van de ceremoniële wet, die een scheidsmuur was tussen Joden en heidenen, en ook van andere beletselen voor onzen toegang tot God, zodat wij thans met vrijmoedigheid kunnen toegaan tot den troon der genade.
II. Christus' sterven verklaard, vers 46, door de woorden, waarmee Hij den laatsten adem uitblies. Jezus had met een grote stem geroepen, toen Hij zei: Waarom hebt Gij Mij verlaten? Aldus lezen wij in Mattheus en Markus, en ook dit schijnt Hij met luider stem gezegd te hebben, opdat al het volk het zou horen. En wat Hij zei, was: Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest. Hij ontleende die woorden aan Zijn vader David, Psalm 31:6. Niet, dat Hij het nodig had, dat Hem woorden in den mond gelegd werden, maar Hij verkoos gebruik te maken van David's woorden, om te tonen dat het de Geest van Christus was, die in de Oud Testamentische profeten heeft getuigd, en dat Hij is gekomen om de Schriften te vervullen. Christus stierf met woorden der Schrift op de lippen. Aldus leert Hij ons gebruik te maken van de taal der Schrift als wij tot God spreken.
1. Tot God sprekende, noemt Hij Hem Vader. Toen Hij klaagde dat Hij verlaten was, riep Hij Eli, Eli, Mijn God, Mijn God, om echter te tonen, dat die ontzettende zielsangst nu voorbij was, noemt Hij God hier Vader. Toen Hij Zijn leven, Zijne ziel, voor ons overgaf, heeft Hij voor ons God Vader genoemd, opdat wij door Hem de aanneming zouden hebben tot kinderen.
2. Christus maakte gebruik van deze woorden in bijzonderen zin voor zich zelven, als Middelaar. Thans ging Hij Zijne ziel tot een schuldoffer stellen voor onze zonde, Jesaja 53:10, ging Hij Zijne ziel geven tot een rantsoen voor velen, Mattheus 20:28, door den eeuwigen Geest zich zelven opofferen, Hebreeën 9:14. Hij zelf was beide de priester en het offer, onze zielen waren verbeurd, en nu gaf Hij Zijne ziel tot een losprijs voor de onze. De prijs moet in de handen Gods worden betaald, daar Hij door onze zonde werd beledigd, en nu heeft Christus het ondernomen om daar genoegdoening voor te geven. Door deze woorden heeft Hij het offer geofferd, heeft Hij, als het ware, Zijne hand gelegd op deszelfs hoofd, en het overgegeven: "Ik leg het neer in Uwe handen. Vader, neem Mijn leven, Mijne ziel, in plaats van het leven en de zielen der zondaars voor wie Ik sterf." De goede wil van den offeraar was nodig om het offer aannemelijk te maken. Nu heeft Christus die bereidwilligheid getoond om zich te offeren, gelijk als Hij haar reeds getoond heeft, toen het Hem voor het eerst werd voorgesteld, Hebreeën 10:9, 10: Zie, Ik kom om Uwen wil te doen, in welken wil wij geheiligd zijn:
3. Christus geeft hiermede ook Zijne afhankelijkheid te kennen van Zijn Vader voor Zijne opstanding door de hereniging van Zijne ziel met Zijn lichaam, Hij beveelt Zijn geest in de handen Zijns Vaders om ontvangen te worden in het paradijs, en ten derden dage weer verenigd te worden met Zijn lichaam. Hieruit blijkt dat, gelijk onze Heere Jezus een waar menselijk lichaam had, Hij ook een redelijke ziel had, die in een toestand van afscheiding van het lichaam bestaan heeft, en aldus Zijnen broederen gelijk was gemaakt. Deze ziel gaf Hij over in de hand Zijns Vaders, gaf Hij over in Zijne bewaring, rustende in de hope, dat zij niet in hades gelaten zou worden, of in haar staat van afscheiding van het lichaam, niet zolang tot het lichaam bederf zou zien.
4. Hierdoor heeft Christus ons een voorbeeld nagelaten, heeft Hij deze woorden van David gepast gemaakt voor stervende heiligen, ze, als het ware, voor hun gebruik geheiligd. Bij het sterven moeten wij het meest zorg hebben voor onze ziel, en wij kunnen niet beter zorgen voor haar welzijn, dan door haar te bevelen in de handen van God als een Vader, om geheiligd en bestuurd te worden door Zijn Geest en genade, en bij den dood haar te bevelen in Zijne handen om volkomen gemaakt te worden in heiligheid en gelukzaligheid. Wij moeten tonen dat wij vrijwillig bereid zijn om te sterven, dat wij vastelijk geloven in een leven na dit leven, en er naar verlangen, door te zeggen: Vader, in Uwe handen beveel ik mijn geest.
III. Het nut en voordeel van Christus' sterven door den indruk, dien het teweegbracht op hen, die er getuigen van waren.
1. De hoofdman over honderd, die het bevel voerde over de wacht, was zeer getroffen door hetgeen hij zag, vers 47. Hij was een Romein, een heiden, een vreemdeling voor de vertroostingen Israël's, en desniettemin verheerlijkte hij God. Nooit had hij zulke treffende voorbeelden gezien van Goddelijke macht, en daarom heeft hij er aanleiding in gevonden God te aanbidden als den Almachtige. En hij getuigde voor den geduldigen lijder: Waarlijk, deze mens was rechtvaardig, en is onrechtvaardiglijk ter dood gebracht. Gods tentoonspreiding Zijner macht om Hem eer te doen was een duidelijk bewijs Zijner onschuld. Bij Mattheus en Markus gaat zijn getuigenis nog verder: Waarlijk, deze was Gods Zoon. Maar voor hem komt dit op hetzelfde neer, want indien Hij rechtvaardig was, heeft hij volkomen terecht gezegd, dat Hij Gods Zoon was, en daarom moet dit getuigenis omtrent Hem aangenomen worden, want indien dit vals was, dan zou Hij ook niet rechtvaardig zijn.
2. Ook de overigens onverschillige toeschouwers kwamen onder den indruk van hetgeen gebeurd was. Hiervan wordt nota genomen in vers 48. Al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, zoals dit altijd is bij zulke gelegenheden, ziende de dingen, die geschied waren, konden niet anders dan in een ernstige stemming komen voor het ogenblik, wàt zij dan ook daarna mochten zeggen of doen. Zij keerden wederom, slaande op hun borsten.
a. Voor het ogenblik namen zij de zaak zeer ter harte. Zij beschouwden het als een boze zaak, dat Hij ter dood was gebracht, en zij konden niets anders denken, of er zou deswege een oordeel Gods over hun volk komen. Waarschijnlijk waren het wel dezelfde lieden, die kruis hem, kruis hem! hadden geroepen, en Hem, toen Hij aan het kruis werd genageld, hadden bespot en gelasterd, maar nu waren zij zo ontsteld en verschrikt door de duisternis en de aardbeving en de buitengewone wijze van Zijn sterven, dat niet alleen hun mond gestopt was, maar ook hun geweten wakker geschud werd, en in naberouw over hetgeen zij gedaan hadden, hebben zij, evenals de tollenaar, zich op de borst geslagen als mensen, die vertoornd waren op zich zelven. Sommigen denken dat dit een gelukkige schrede was in de richting van het goede werk, dat later in hen werd gewrocht, toen zij verslagen werden in het hart, Handelingen 2:37. Toch schijnt het dat de indruk nu spoedig voorbijging, zij keerden wederom slaande op hun borsten. Zij toonden geen verder teken van eerbied voor Christus, hebben niet meer naar Hem gevraagd, of een onderzoek nopens Hem ingesteld, maar gingen naar huis, en wij hebben reden te geloven dat zij in luttel tijds de zaak hadden vergeten. Zo zijn velen, aan wie Christus voor de ogen geschilderd is in het woord en de sacramenten, als onder hen gekruist zijnde, een weinig aangedaan, maar het is niet van langen duur, zij slaan zich op de borst en keren weer. Zij zien Christus' gelaat in den spiegel der inzettingen, en bewonderen Hem, maar zij gaan heen, en vergeten terstond hoedanig Hij was, en welke reden er voor hen is om Hem lief te hebben.
3. Zijn eigen vrienden en volgelingen waren verplicht op een afstand te blijven, maar naderden toch zoveel zij konden en durfden, om te zien wat er geschied was, vers 49. Al Zijne bekenden, allen die Hem kenden en door Hem gekend werden, stonden van verre, uit vrees dat zij, zo zij nabij Hem kwamen, gevangen zouden worden genomen als Zijne begunstigers. Dit was een deel van Zijn lijden, zoals het ook een deel was van het lijden van Job, Job 19:13. Mijne broeders heeft Hij verre van mij gedaan, en die mij kennen, zeker zij zijn van mij vervreemd. Zie ook Psalm 88:19. Ook de vrouwen, die Hem tezamen gevolgd waren van Galilea, zagen dit aan, niet wetende wat zij er van denken zouden, niet zo gereed als zij behoorden te wezen, om ze als stellige voortekenen van Zijne opstanding te beschouwen. Thans was Christus gesteld tot een teken, dat wedersproken zal worden, zoals voorzegd werd door Simeon, opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden, Hoofdstuk 2:34, 35.