Lukas 23:32-43
In deze verzen hebben wij:
I. Onderscheidene passages betreffende het lijden van Christus, die wij ook tevoren bij Mattheus en Markus gehad hebben.
1. Dat twee anderen, zijnde kwaaddoeners, met Hem naar de strafplaats geleid werden. Waarschijnlijk waren dezen reeds enigen tijd geleden ter dood veroordeeld, en was het bepaald dat zij op dien dag ter dood gebracht zouden worden, hetgeen waarschijnlijk tot voorwendsel diende, waarom er zoveel haast gemaakt werd met Jezus gerechtelijk te verhoren en te veroordelen, opdat Hij en deze twee kwaaddoeners tegelijk terechtgesteld konden worden.
2. Dat Hij gekruisigd werd op ene plaats genaamd Calvarië, kranion, de Griekse naam voor Golgotha -Hoofdschedelplaats, ene plaats van schande, om ook nog die versmaadheid aan Zijn lijden toe te doen, maar van veel betekenis, want daar triomfeerde Hij over den dood, als het ware op den eigen mesthoop des doods. Hij werd gekruisigd. Zijne handen en voeten werden genageld aan het kruis, dat nog op den grond lag, en toen werd het opgericht en vastgesteld in de aarde, of in een holte, die gereed gemaakt was om het er in te plaatsen. Dit was, meer dan iedere andere, een pijnlijke en smadelijke wijze van terdoodbrenging.
3. Dat Hij gekruisigd werd in het midden van twee kwaaddoeners, alsof Hij de ergste was der drie. Aldus werd Hij niet slechts als een overtreder behandeld, maar met hen geteld, als de ergste van hen beschouwd.
4. Dat de krijgslieden, die met de uitvoering van het doodvonnis waren belast, Zijne klederen voor zich namen, als een hun toekomend loon en ze door het lot onder elkaar verdeelden. Verdelende Zijne klederen, wierpen zij het lot. De waardij er van was zo gering, dat, zo zij verdeeld werden, die waardij zo goed als niet was, en daarom hebben zij er om geloot.
5. Dat Hij bespot en gehoond werd, met allen mogelijken smaad en verachting werd behandeld, toen Hij werd opgericht aan het kruis. Het was vreemd, dat zoveel barbaarsheid in de menselijke natuur gevonden zou worden. Het volk stond en zag het aan, onbekommerd en onbewogen, veeleer vermaak vindende in dat schouwspel, en de oversten, die men vanwege hun ambt voor mannen van verstand en van eer zou houden, stonden daar onder het gemeen en beschimpten Hem, om er aan de bijstanders het voorbeeld van te geven, en zij zeiden: Anderen heeft hij verlost, dat hij nu zich zelven verlosse. Aldus werd Hij gesmaad om de goede werken, die Hij gedaan had, alsof het deswege was, dat zij Hem kruisigden. Zij triomfeerden over Hem, alsof zij Hem hadden overwonnen, terwijl juist Hij meer dan overwinnaar was. Zij tartten Hem om zich te verlossen van het kruis, toen Hij door het kruis anderen verloste: Dat hij nu zich zelven verlosse, zo hij is de Christus, de uitverkorene Gods. Zij wisten dat de Christus de uitverkorene Gods was, door Hem verordineerd en Hem dierbaar. "Indien hij, als de Christus, ons volk zou willen verlossen van de Romeinen (een ander denkbeeld konden zij zich niet vormen van den Messias) laat hem dan zich zelven verlossen van de Romeinen, die hem nu in hun macht hebben." Aldus bespotten Hem de Joodse oversten, als onderworpen door de Romeinen, in plaats dat Hij hen had onderworpen. De Romeinse soldaten bespotten Hem als den koning der Joden: "Een volk juist goed voor zulk een vorst, en een vorst juist goed voor zulk een volk." Zij bespotten Hem, vers 36, 37. Zij vermaakten zich met Zijn lijden, het was een kortswijl voor hen, en toen zij zelf een wrange, zure soort van wijn dronken, zoals hun gewoonlijk toebedeeld werd, vroegen zij Hem spottend en tergend of Hij met hen wilde drinken, hun bescheid wilde doen. En zij zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos uzelven, want, gelijk de Joden Hem vervolgden als een valsen Messias, zo vervolgden de Romeinen Hem in de mening, dat Hij zich als koning had opgeworpen.
6. Dat het opschrift boven Zijn hoofd, dat Zijne misdaad moest aanduiden, luidde: Deze is de koning der Joden, vers 38. Hij wordt ter dood gebracht, omdat hij heeft voorgewend de koning der Joden te zijn, zo hebben zij het bedoeld, maar God heeft het bedoeld als een verklaring van hetgeen Hij werkelijk was, in weerwil van Zijn tegenwoordige versmaadheid is Hij de Koning der Joden, de Koning der kerk, en Zijn kruis is de weg naar Zijn kroon. Dit was geschreven in wat men de drie geleerde talen noemt, in het Grieks, het Latijn en het Hebreeuws, want diegenen zijn het best geleerd, die Christus hebben geleerd. Het was geschreven in deze drie talen, opdat het door alle mensen gelezen en aan alle mensen bekend zou worden, maar God bedoelde het in de betekenis, dat het Evangelie van Christus aan alle volken gepredikt zou worden, beginnende van Jeruzalem, en in alle talen zou worden gelezen. Door de heidense filosofie is de Griekse taal, door de Romeinse wetten en regering is het Latijn vermaard ge-. worden, en het Hebreeuws overtrof ze allen, omdat in die taal het Oude Testament was geschreven. In deze drie talen is Jezus Christus als Koning geproclameerd. Studenten, die zich aan de hogescholen in deze drie talen oefenen, behoren zich ten doel te stellen om door het gebruik er van, beter met Christus bekend te worden.
II. Hier zijn twee passages, die wij tevoren niet gehad hebben, en zij zijn zeer merkwaardig.
1. Christus' gebed voor Zijne vijanden, vers 34, Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Zeven merkwaardige woorden heeft Christus gesproken, nadat Hij aan het kruis was genageld en voor Hij stierf, en dit is het eerste er van. Een reden waarom Hij den kruisdood moest sterven was, opdat Hij tot het laatste ogenblik vrij zou kunnen zijn om te spreken, om aldus Zijn Vader te verheerlijken en de Hem omringenden te stichten. Zodra Hij aan het kruis was gehecht, of terwijl zij er Hem aan vastnagelden, heeft Hij dit gebed gebeden, waarin wij hebben te letten op
a. De bede: Vader, vergeef het hun. Men zou gedacht hebben dat Hij zou bidden: "Vader, verteer hen: de Heere zie het aan, en vergelde het." De zonde, waaraan zij zich nu schuldig maakten, zou met volle recht onvergeeflijk gemaakt kunnen zijn, en met recht zouden zij bij name uitgezonderd hebben kunnen worden van de akte van kwijtschelding, maar neen, voor hen inzonderheid bidt Hij. Thans heeft Hij' gelijk van Hem voorzegd was, voor de overtreders gebeden, Jesaja 53:12, en Zijn gebed moet saamgevoegd worden met Zijn gebed in Johannes 17, om het voorbeeld te vervolledigen, dat Hij gegeven heeft van Zijne voorbede binnen den voorhang, het ene voor de heiligen, en het andere voor de zondaars. Nu hadden al de woorden van Christus aan het kruis, zowel als Zijn lijden, een verdere strekking dan zij op den eersten aanblik schenen te hebben. Dit was een woord van den Middelaar, dat de bedoeling en de betekenis van Zijn dood verklaarde. "Vader, vergeef het hun, niet slechts dezen maar allen, die zich bekeren en het Evangelie geloven", en Hij heeft niet bedoeld dat hun op enigerlei andere wijze vergeving zal worden geschonken. "Vader, hetgeen waarvoor Ik nu lijd en sterf bestaat hierin, dat arme zondaars begenadigd mogen worden." De grote zaak, waarvoor Christus gestorven is, is dat Hij vergeving van zonde voor ons zou verwerven. Dat is de inhoud van Christus' voorbede voor allen, die zich bekeren en geloven in de kracht Zijner genoegdoening. Zijn bloed spreekt dit: Vader, vergeef hun. De grootste zondaars kunnen door Christus, als zij zich bekeren, hopen genade te zullen vinden. Hoewel zij Zijne vervolgers en moordenaars waren, bad Hij: Vader, vergeef het hun.
b. Den pleitgrond: want zij weten niet wat zij doen. Want indien zij het geweten hadden, zij zouden Hem niet gekruisigd hebben. 1 Corinthiërs 2:8. Er was een sluier, een bedeksel op Zijne heerlijkheid en op hun verstand, en hoe konden zij door die twee bedekselen heen zien? Zij riepen Zijn bloed in over zich en over hun kinderen: maar hadden zij geweten wat zij deden, zij zouden dien wens niet gewenst hebben. Zij, die Christus kruisigen, weten niet wat zij doen. Zij, die kwaad spreken van den Godsdienst, spreken kwaad van hetgeen zij niet kennen, en dit is, omdat zij het niet willen kennen. Er is een soort van onwetendheid, die in zekere mate de zonde verontschuldigt: onwetendheid uit gebrek aan de middelen om kennis te verkrijgen, of aan vermogen om onderwijs in zich op te nemen, door ongunstige omstandigheden bij de opvoeding of door onachtzaamheid. Zij, die Christus gekruisigd hebben, werden door hun oversten onwetend gehouden, en hun werden vooroordelen tegen Hem ingeblazen, zodat zij dachten dat zij met hetgeen zij tegen Christus en Zijne leer deden, Gode een dienst bewezen, Johannes 16:2. Met de zodanige behoren wij medelijden te hebben, en voor hen behoren wij te bidden. Dit gebed van Christus is niet lang daarna verhoord geworden, toen velen van hen, die de hand gehad hebben in Zijn dood, door de prediking van Petrus bekeerd werden. Dit is ook geschreven als een voorbeeld voor ons. Ten eerste. Wij moeten in het gebed God Vader noemen, en tot Hem komen met eerbied en vertrouwen, zoals kinderen tot hun Vader.
Ten tweede. De grote zaak, die wij voor ons zelven en voor anderen van God moeten begeren, is: vergeving van zonde. Ten derde. Wij moeten bidden voor onze vijanden, voor hen, die ons haten en vervolgen, hun zonden en overtredingen verzacht voorstellen, niet verzwaard, zoals onze eigen zonden. Zij weten niet wat zij doen, misschien was het ene feil. En wij moeten vurig zijn in ons gebed tot God om de vergeving hunner zonden tegen ons. Dit is het voorbeeld, dat Christus gegeven heeft van Zijn eigen voorschrift, Mattheus 5:44, 45: Hebt uwe vijanden lief, en het voorschrift wordt er zeer door versterkt, want indien Christus zulke vijanden liefhad en voor hen gebeden heeft, welke vijanden kunnen wij dan hebben, voor wie wij niet verplicht zouden zijn te bidden, die wij niet zouden moeten liefhebben?
2. De bekering van den moordenaar aan het kruis, die een heerlijk voorbeeld is van Christus' triomferen over overheden en machten, zelfs toen dezen over Hem schenen te triomferen. Christus werd gekruisigd tussen twee moordenaren, en in hen werden de verschillende uitwerkselen gezien, die door het kruis van Christus teweeg gebracht zouden worden op de kinderen der mensen, aan wie het in de prediking van het Evangelie nabij zou worden gebracht. Zij zijn allen kwaaddoeners, allen schuldig voor God. Nu is het kruis van Christus voor sommigen een reuk des levens ten leven, en voor anderen een reuk des doods ten dode. Voor hen, die omkomen, is het dwaasheid, maar voor hen, die behouden worden, is het de wijsheid Gods en de kracht Gods.
a. Een der kwaaddoeners bleef verhard tot het einde toe. Dicht bij het kruis van Christus, "lasterde hij Hem," evenals de anderen, vers 39. Indien gij de Christus zijt, gelijk zij zeggen, verlos uzelven en ons. Hoewel hij nu in pijn en doodsbenauwdheid was, zich in het dal der schaduw des doods bevond, heeft dit zijn trots hart toch niet vernederd, hem niet geleerd een goede rede op te geven, een goed woord tot zijn medelijder te spreken. Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper in het midden van het gestoten graan, zijne dwaasheid zou niet van hem afwijken. In en op zichzelf zal geen ramp of benauwdheid in een boos hart verandering teweegbrengen, maar soms zal zij het bederf prikkelen, dat zij, naar men zou menen, gedood zou hebben. Hij tart Christus uit om zowel zich zelven als hen beiden te verlossen. Er zijn sommigen, die onbeschaamd genoeg zijn om Christus te lasteren, en toch nog verwachten door Hem behouden te zullen worden, ja die tot de gevolgtrekking komen dat Hij, zo Hij hen niet verlost, niet als de Zaligmaker beschouwd moet worden.
b. De andere moordenaar werd ten laatste vertederd. In Mattheus en Markus werd gezegd, dat "ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren, Hem lasterden." Sommigen denken dat dit bij wijze van spreken gezegd is van twee, maar bedoeld is van een hunner, maar anderen zijn van mening dat zij Hem in den beginne beiden hebben gesmaad en gelasterd, totdat het hart van een hunner op wondervolle wijze veranderd is, en dat toen ook zijne taal, zijne woorden plotseling anders zijn geworden. Toen deze kwaaddoener op het punt was van in Satans handen te vallen, werd hij als een brandhout uit het vuur gerukt, tot een gedenkteken gemaakt van Gods genade, en werd Satan overgelaten om te brullen als een leeuw, wie men zijne prooi ontrukt. Dit moet voor niemand ene aanmoediging zijn, om zijne bekering uit te stellen tot aan zijne stervensuur, of te hopen dat hij op zijn sterfbed nog wel genade zal vinden, want, hoewel het zeker is, dat waar berouw nooit te laat komt, is het ook even zeker, dat laat berouw zelden waar of oprecht is. Niemand kan er zeker van zijn, dat hij bij of voor zijn sterven tijd zal hebben om zich te bekeren, maar iedereen kan er zeker van wezen, dat hij de gunstige gelegenheid niet zal hebben, die deze moordenaar gehad heeft, die zich in gans buitengewone omstandigheden bevond. Hem is Christus nooit tevoren aangeboden, hij heeft geen dag van genade gehad, hij was bestemd om tot een zeer bijzonder voorbeeld gesteld te worden van de kracht van Christus' genade, op het ogenblik, dat Hij door zwakheid gekruist was. Christus, Satan overwonnen hebbende in het verderf van Judas en de bewaring van Petrus, richt nu ook deze trofee op van Zijne zegepraal over hem in de bekering van dezen kwaaddoener, als een voorbeeld van hetgeen Hij vermag. Wij zullen het buitengewone van dit geval zien als wij letten op de buitengewone werkingen van Gods genade in hem, welke bleek in hetgeen hij zei. Hier werden in luttel tijds zoveel blijken gegeven van de gezegende verandering, die in hem gewrocht was, dat er in zo klein een tijdsbestek niet meer gegeven hadden kunnen worden.
Ten eerste. Hoor wat hij tot den anderen kwaaddoener zegt, vers 40, 41.
1. Hij bestrafte hem om zijn lasteren van Christus, als ontbloot zijnde van de vreze Gods en van allen Godsdienstzin, Vreest gij ook God niet? Dit geeft te kennen, dat het de vreze Gods was, die hem weerhield van de menigte te volgen in dat kwaad. "Ik vrees God, en daarom durf ik dit niet doen, en vreest ook gij God niet? Allen, wier ogen geopend zijn, zien dat dit op den bodem ligt van de goddeloosheid der goddelozen, dat zij de vreze Gods niet voor hun ogen hebben. "Indien er nog enige menselijkheid in u was, gij zoudt niet spotten met uw medelijder, gij zijt toch in hetzelfde oordeel, gij bevindt u in dezelfden toestand, ook gij zijt een stervende, wat dus deze boze lieden ook mogen doen, u betaamt het al heel weinig om een stervende te beledigen."
2. Hij erkent dat hij verdient wat hem aangedaan is: wij toch rechtvaardiglijk. Waarschijnlijk werden zij beiden voor dezelfde misdaad ter dood gebracht, en daarom sprak hij met des te meer stelligheid: Wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben. Dit verheerlijkt de Goddelijke genade, als handelende op onderscheidene wijze. Deze twee waren elkanders metgezellen in de zonde en in het lijden, en toch wordt de een behouden, terwijl de andere omkomt, twee, die tot nu toe tezamen dezelfden weg waren gegaan, en nu wordt de een aangenomen, en de ander verlaten. Hij zegt niet: Gij toch rechtvaardiglijk, maar wij. Ware boetvaardigen erkennen de rechtvaardigheid Gods in al de straffen van hun zonde. God heeft rechtvaardiglijk gedaan, maar wij hebben goddelooslijk gedaan.
3. Hij gelooft dat Christus ten onrechte leed. Hoewel Hij in twee gerechtshoven was veroordeeld, en behandeld werd alsof Hij de grootste kwaaddoener was, is deze berouwvolle moordenaar door Zijn houding en gedrag onder het lijden er toch van overtuigd, dat Hij "niets onbehoorlijks gedaan heeft-ouden atopon niets ongerijmds, niets dat voor Hem onbetamelijk was, of niet strookte met Zijne waardigheid. De overpriesters wilden dat Hij gekruisigd zou worden tussen de kwaaddoeners, als een hunner, maar deze moordenaar heeft meer gezond verstand dan zij, hij erkent, dat Hij niet een hunner is, niet tot hen behoort, Of hij tevoren van Christus en Zijne wonderen gehoord heeft, blijkt niet, maar de Geest der genade heeft hem verlicht met deze kennis, en hem instaat gesteld te zeggen: Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
Ten tweede. Hoor wat hij zegt tot den Heere Jezus, Heere! gedenk mijner als Gij in Uw koninkrijk zult gekomen zijn, vers 42. Dat is het gesprek van een stervenden zondaar tot een stervenden Zaligmaker. Het was de eer van Christus, dat aldus tot Hem werd gebeden, hoewel Hij aan het kruis bespot en gesmaad werd. Het was de zaligheid van den moordenaar, dat hij aldus bad. Wellicht heeft hij nooit tevoren gebeden, en werd hij nu, in dit laatste ogenblik zijns levens, verhoord. Zolang er leven is, is er hoop, en zolang er hoop is, is er plaats voor gebed. Let op zijn geloof in dat gebed. In zijne belijdenis van zonde, vers 41, toonde hij bekering tot God. In dat gebed toont hij geloof in onzen Heere Jezus Christus. Hij erkent Hem als Heere, hij erkent dat Hij een koninkrijk heeft, en dat Hij nu inging tot dat koninkrijk, dat Hij in dat koninkrijk macht en gezag heeft, en dat diegenen zalig zijn, aan wie Hij gunst betoont, dit alles te geloven en te belijden was op dat ogenblik van den dag wel iets zeer groots. Christus was nu in de diepte van schande en smaad, door Zijn eigen discipelen verlaten, door Zijn eigen volk bespot en gehoond, lijdend als een bedrieger, iemand die voorgeeft te zijn wat hij niet is, en door Zijn Vader niet verlost. Hij heeft deze belijdenis afgelegd, voordat de wonderen plaats hadden, waardoor Hij in Zijn lijden geëerd werd, en de hoofdman over honderd werd opgeschrikt, ja voorwaar, wij hebben zo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden. Hij geloofde in een leven na dit leven, en begeerde in dat leven gelukkig, zalig te zijn, niet, zoals de andere moordenaar, verlost te zijn van het kruis, maar goed verzorgd te zijn, nadat het kruis hem het ergste had doen lijden. Let ook op zijn ootmoed, in dat gebed. Al wat hij vraagt is: Heere, gedenk mijner. Hij bidt niet: Heere, bevorder mij, of verhoog mij (zoals zij vroegen Mattheus 20:21) hoewel hij, de ere hebbende zoals een van de discipelen die had, om te drinken van Christus' drinkbeker, en met Zijn doop gedoopt te worden, hetzij aan Zijne rechterhand of aan Zijne linkerhand in Zijn lijden, toen Zijn eigen discipelen Hem hadden verlaten, een schijn van reden zou gehad hebben, om, evenals zij, te vragen aan Zijne rechterhand en Zijne linkerhand te zitten in Zijn koninkrijk. Nauwe bekendheid met lijden heeft dit soms teweeggebracht, Jeremia 52:31, 32. Maar het denkbeeld is verre van hem. Al wat hij vraagt is: Heere, gedenk mijner, zich op Christus verlatende voor de wijze, waarop Hij hem zou gedenken. Het is een verzoek zoals dat van Jozef aan den opperschenker, Genesis 40:14, en dit verzoek vond meer ingang, de overste der schenkers vergat Jozef, maar Christus heeft dezen moordenaar gedacht. Er is in dat gebed ook aandrang en vurigheid. Hij heeft er, als het ware, zijne ziel in gelegd: "Heere, gedenk mijner, dat is mij genoeg, meer begeer ik niet, in Uwe hand geef ik mijne zaak over. Door Christus gedacht te worden nu Hij in Zijn koninkrijk is, dat is het, dat wij vurig moeten begeren, en waarvoor wij moeten bidden, en dat zal genoeg wezen om levend en stervend ons welvaren te verzekeren. In Zijn koninkrijk doet Christus voorbede voor ons. "Heere, gedenk mijner en bid voor mij." Dáár heerst Hij. "Heere, gedenk mijner, en heers in mij door Uwen Geest. Hij bereidt daar ene plaats voor de Zijnen. "Heere, gedenk mijner en bereid mij ene plaats, gedenk mijner als ik sterf, gedenk mijner in de opstanding," Zie Johannes 14:13. Let nu op: Christus' buitengewone gunstbetoning aan hem. "Jezus zei tot hem- in antwoord op zijn gebed-Voorwaar zeg Ik u, ik, de Amen, de getrouwe Getuige, Ik zeg Amen op dit gebed, plaats er Mijn fiat, het zij zo, onder, ja gij zult meer hebben dan gij vraagt. Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn", vers 43. Merk op: Ten eerste. Tot wie dit gezegd werd: tot den berouwhebbenden moordenaar, tot hem, en niet tot zij metgezel. Christus aan het kruis is gelijk Christus op den troon, want nu is het oordeel dezer wereld, de een gaat heen met een vloek, de ander met een zegen. Hoewel Christus zich nu zelf in doodsstrijd bevond, had Hij toch een woord van troost voor een armen boetvaardige, die zich aan Hem overgaf. Zelfs grote zondaars zullen, indien zij waarlijk boetvaardig zijn, door Christus niet slechts de vergeving hunner zonden verwerven, maar ook ene plaats in het paradijs Gods, Hebreeën 9:15. Het verheerlijkt den rijkdom der vrije genade, dat verraders en rebellen niet slechts vergeving zullen erlangen, maar ook verhoogd, en wel zo heerlijk verhoogd, zullen worden.
Ten tweede. Door wie dit gezegd werd. Dit was wederom een woord van den Middelaar. En hoewel Christus het bij een bijzondere gelegenheid had gesproken, had het toch een algemene strekking, namelijk, om de ware bedoeling en betekenis van Zijn lijden te verklaren. Gelijk Hij stierf om de vergeving van zonden voor ons te verkrijgen, vers 34, zo heeft Hij daarmee ook het eeuwige leven voor ons verworven. Door dit woord is ons te verstaan gegeven, dat Jezus Christus stierf om voor alle boetvaardige, gehoorzame gelovigen het koninkrijk der hemelen te openen.
1. Christus deelt ons hier mede dat Hij zelf naar het paradijs ging, naar hades -de onzichtbare wereld. Zijn menselijke ziel ging heen, naar de plaats der afgescheiden zielen, niet naar de plaats der verdoemden, maar naar het paradijs, de plaats der zaligen. Hierdoor verzekert Hij ons dat Zijne genoegdoening was aangenomen, en de Vader een welbehagen in Hem had, want anders ware Hij niet naar het paradijs gegaan. Dat was het begin van de vreugde, die Hem was voorgesteld, waarvan het vooruitzicht Hem heeft vertroost. Door het kruis ging Hij naar de kroon, en wij moeten niet denken dat wij er door een anderen weg zullen komen, of dat wij anders dan door lijden geheiligd zullen worden. 2 Hij maakt aan alle berouwhebbende gelovigen bekend dat zij, als zij sterven, daar met Hem zullen zijn. Thans heeft Hij als priester deze zaligheid voor hen gekocht, en als koning is Hij bereid ze hun te schenken wanneer zij er voor toebereid zullen zijn. Zie hier, hoe de zaligheid des hemels ons is voorgesteld.
a. Het is een paradijs, een lusthof, het paradijs Gods, Openbaring 2:7, zinspelende op den hof van Eden, waarin onze eerste ouders in hun staat der onschuld geplaatst werden. In den tweeden Adam wordt ons alles teruggegeven wat wij in den eersten Adam hebben verloren, ja meer, want in plaats van het aardse wordt ons een hemels paradijs geschonken.
b. Het is daar te zijn met Christus. Dat is de gelukzaligheid des hemels, Christus te zien, bij Hem te zitten en Zijne heerlijkheid te delen, Johannes 17:24.
c. Het is terstond na den dood. "Heden zult gij met Mij zijn, heden avond, voor morgen. De zielen der gelovigen, nadat zij den last des vlezes hebben afgelegd, zijn onmiddellijk in de vreugde en de gelukzaligheid, de geesten der rechtvaardigen zijn dan terstond volmaakt. Lazarus gaat weg van de aarde, en wordt terstond vertroost, Paulus wordt ontbonden, en is dan terstond met Christus, Filippenzen 1:23.