Lukas 23:13-25
Hier zien wij den gezegenden Jezus aan smaad en dood overgegeven door het grauw, en onder het gedruis en rumoer van een volksoploop, teweeggebracht door de boosaardigheid en list van de overpriesters, als werktuigen van den overste van de macht der lucht, voortgejaagd naar het kruis.
I. Plechtig betuigt Pilatus te geloven, dat Hij niets gedaan heeft, dat des doods of der banden waardig is. En dit gelovende, had hij Hem onmiddellijk behoren los te laten, en dat niet alleen, hij had Hem ook moeten beschermen tegen de woede der priesters en van het gemeen, en Zijne vervolgers verantwoordelijk stellen voor hun slechte handelwijze jegens Hem. Maar zelf een slecht mens zijnde, had hij geen vriendelijke gezindheid voor Christus, en daar hij zich op andere wijze vergrepen had, was hij bevreesd om, hetzij den keizer of het volk, te mishagen, en zo heeft hij, uit gebrek aan oprechtheid "de overpriesters, en de oversten, en het volk, dat hij als een oproerige menigte uit elkaar had behoren te drijven, en te verbieden om tot hem te naderen, bijeengeroepen om te horen wat zij te zeggen hebben, aan wie hij geen gehoor had moeten verlenen, daar hij toch duidelijk zag door welken geest zij gedreven werden, vers 14. Gij hebt dezen mens tot mij gebracht, zegt hij, en omdat ik achting en eerbied voor u heb, heb ik hem in uwe tegenwoordigheid onderzocht, en aangehoord alles wat gij tegen hem hebt in te brengen, maar ik vind geen schuld in hem, gij kunt hetgeen, waarvan gij hem beschuldigt, niet bewijzen."
II. Hij beroept zich hiervoor op Herodes, vers 15, "ik heb ulieden tot hem gezonden, die verondersteld wordt meer van hem te weten dan ik, en hij heeft hem teruggezonden, zonder hem aan iets verkeerds schuldig te hebben bevonden, ja zelfs zonder een blijk van misnoegen, naar zijne mening heeft hij niets gedaan, dat des doods waardig is. Hij heeft om hem gelachen als een zwakkeling, een nietig onbeduidend mens, maar hem niet als een gevaarlijk mens getekend." Hij achtte hem eerder waanzinnig dan misdadig.
IIl. Hij stelt voor Hem los te laten, zo zij er slechts in willen toestemmen. Dat had hij behoren te doen zonder er hun verlof voor te vragen, Fiat justitia, nuat coelum -Laat het recht zijn loop hebben, al zou ook de hemel instorten. Maar mensenvrees heeft menigeen in dien strik doen vallen, dat hij, terwijl recht moest geschieden, al zouden ook hemel en aarde tegen elkaar stoten, ene onrechtvaardigheid gepleegd heeft, tegen zijn geweten heeft gehandeld, veeleer dan een oud bouwvallig huis boven zich te zien instorten. Pilatus verklaart Hem onschuldig, en daarom is hij gezind Hem los te laten, maar om het volk te believen:
1. Zal hij Hem loslaten als een misdadiger, daar hij hun toch een moest loslaten, vers 17, zodat, terwijl Hij losgelaten had moeten worden door ene daad van gerechtigheid, zonder er iemand iets voor verplicht te zijn, hij Hem wilde loslaten uit genade, door ene gratie, die Hij dan aan het volk te danken zou hebben.
2. Zal hij Hem kastijden en loslaten. Indien er nu geen schuld in hem gevonden was, waarom moest Hij dan gekastijd worden? Er is evenveel onrecht in een onschuldige te geselen als te kruisigen, en het kon ook niet gerechtvaardigd worden door het voorwendsel, dat dit het volk zou bevredigen, Hem het voorwerp te maken van hun medelijden, die nu het voorwerp was van hun afgunst. Wij moeten geen kwaad doen, opdat er het goede uit zal voortkomen. IV. Het volk verkoos liever Barabbas losgelaten te zien, Barabbas, een berucht misdadiger, die niets had om zich in hun gunst aan te bevelen, dan de stoutmoedigheid zijner misdaden. Hij was gevangen genomen "om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag" (van alle misdaden onder de mensen de minst-vergeeflijke), toch werd aan dezen misdadiger boven Christus de voorkeur gegeven. "Weg met dezen! en laat ons Barabbas los!" vers 18, 19. En geen wonder, dat zulk een man de gunsteling en lieveling is van zulk een gespuis, hij, die waarlijk een oproermaker was, liever dan Hij, die in waarheid getrouw was, maar valselijk van oproerigheid werd beschuldigd.
V. Toen Pilatus er voor de tweede maal op aandrong, dat Christus losgelaten zou worden, riepen zij: Kruis hem! kruis hem! vers 20, 21. Zij willen niet slechts dat Hij zal sterven, maar dat Hij dien ontzettenden dood zal sterven, met niets minder zijn zij tevreden, dan dat Hij gekruist zal worden: Kruis hem! kruis hem!
VI. Toen Pilatus voor de derde maal met hen redeneerde, om hun het onredelijke en onrechtvaardige er van te tonen, werden zij des te heftiger en dringender in hun eis, vers 22 :"Wat heeft deze dan kwaads gedaan? Noemt zijne misdaad. Ik heb gene schuld des doods in hem gevonden, en gij kunt niet zeggen welke schuld des doods gij in hem hebt gevonden, en daarom zo gij slechts het woord wilt spreken, zal ik hem dan kastijden en loslaten." Maar hoe meer men aan de volkswoede toegeeft, hoe heftiger zij wordt: zij hielden aan met groot geroep, met groot geweld en geschreeuw, niet verzoekende, maar eisende dat hij zou gekruist worden, alsof zij op het feest evenveel recht hadden om de kruisiging te eisen van een onschuldige, als de loslating van een schuldige.
VII. Eindelijk geeft Pilatus toe aan hun aandrang. De stem des volks en der overpriesters had de overhand. Pilatus was niet tegen hen bestand, hij liet er zich door hen toe brengen om in tegenspraak te handelen met zijne overtuiging en neiging. Hij had den moed niet, om tegen zo sterk een stroom in te gaan, maar oordeelde dat hun eis geschieden zou, vers 24. Hier kon men zeggen: Het recht is achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre, want de waarheid struikelt op de straat, en wat recht is kan er niet inkomen, Jesaja 49:14. Men heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is verdrukking, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw, Jesaja 5:7. Dit wordt herhaald in vers 25, met de verzwarende omstandigheid van de loslating van Barabbas: Hij liet hun los degenen, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, die hierdoor verhard zal worden in zijne boosheid, en nog meer kwaad zal doen, omdat zij hem geëist hadden, daar hij gans en al aan hen gelijk was, maar Jezus gaf hij over tot hun wil, en barbaarser kon hij niet met Hem handelen, dan door Hem over te geven tot den wil van hen, die Hem haatten met een volkomen haat, en wier barmhartigheden wreed waren.