Lukas 22:63-71
Gelijk tevoren in de andere Evangeliën wordt ons hier meegedeeld:
I. Hoe onze Heere Jezus door de dienaren van den hogepriester mishandeld is geworden. De lage, ruwe en barbaarse dienaren vergaderden zich tegen Hem. De mannen, die Jezus hielden, die Hem in bewaring hadden totdat de raad zitting zou genomen hebben, bespotten Hem, en sloegen Hem, vers 63. Zij wilden Hem niet toestaan een ogenblik rust te nemen, hoewel Hij den gansen nacht niet geslapen had, zij willen Hem niet tot kalmte laten komen, hoewel Hij voortgejaagd was om gerechtelijk verhoord te worden, en Hem geen tijd was gegeven om er zich op voor te bereiden. Zij dreven een spel met Hem, die treurige nacht voor Hem zal voor hen een vrolijke nacht wezen, en de gezegende Jezus moet, evenals Simson voor de Filistijnen, hun tot spel en vermaak dienen. Zij blinddoekten Hem, en zoals in het spel van jongelieden onder elkaar, sloegen zij Hem op het aangezicht en bleven dit doen, totdat Hij den persoon zou genoemd hebben, die Hem sloeg, vers 64, waarmee zij ene belediging bedoelden van Zijn profetisch ambt, en die kennis van verborgen dingen, die Hij, naar men zei, bezat. Er wordt ons niet meegedeeld dat Hij iets gezegd heeft, Hij heeft het alles gedragen en verdragen, de hel was losgelaten, en Hij liet toe dat zij het ergste deed wat zij kon. Groter smaad kon den gezegenden Jezus niet worden aangedaan, toch was dit slechts een voorbeeld uit velen van wat Hem aangedaan werd, want vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterende, vers 65. Zij, die Hem veroordeelden als Godslasteraar, waren zelf de snoodste Godslasteraars, die ooit bestaan hebben.
II. Hoe Hij beschuldigd en veroordeeld werd door het grote sanhedrin, bestaande uit de ouderlingen des volks, en de overpriesters en schriftgeleerden, die allen vroeg op waren, en tezamen vergaderden, als het dag was geworden, ongeveer vijf ure des morgens, om die zaak tot een einde te brengen. Zij hebben dit kwaad gewerkt op hun legers, en zodra het licht van den morgenstond kwam, hebben zij het gedaan, Micha 2:1. Voor geen goed werk zouden zij zo vroeg zijn opgestaan. Het is slechts een kort bericht, dat wij hier hebben van Zijn verhoor voor deze kerkelijke rechtbank.
1. Zij vragen Hem: Zijt Gij de Christus? Over het algemeen hebben Zijne volgelingen Hem geloofd de Christus te zijn, maar zij konden niet bewijzen, dat Hij dit ooit totidem verbis -in zoveel woorden, gezegd heeft, en daarom dringen zij er nu bij Hem op aan, dat Hij het hun zeggen zou, vers 67. Indien zij Hem die vraag gedaan hadden met bereidwilligheid om te erkennen dat Hij de Christus was, en Hem als zodanig aan te nemen, zo Hij hun een voldoend bewijs kon geven dat Hij het was, het zou wel geweest zijn, en het zou voor altijd wel met hen geweest kunnen zijn, maar zij vroegen het met het vaste voornemen Hem niet te geloven, en met de bedoeling Hem te verstrikken.
2. Met recht klaagt Hij over hun onbillijke en onrechtvaardige behandeling. vers 67, 68. Als Joden beleden zij allen den Messias te verwachten, en dat wel nu, in dezen tijd. Geen ander verscheen, of was verschenen, die voorgaf de Messias te zijn. Hij had geen mededinger, en het was ook niet waarschijnlijk dat Hij er een zou hebben. Hij had verbazingwekkende bewijzen gegeven, dat er Goddelijke kracht van Hem uitging, waardoor Zijne aanspraak van de Messias te zijn wel waard was, om er een vrij en onpartijdig onderzoek naar in te stellen. Het zou niet meer dan recht geweest zijn voor deze leiders des volks, als zij Hem in hun raad onderzocht hadden als een kandidaat voor het Messiasschap, maar niet voor hun rechterstoel als een misdadiger. "Maar", zegt Hij, "als Ik u zeg dat Ik de Christus ben, en er u ook nog zo overtuigende bewijzen van geef, dan zijt gij toch vastbesloten niet te geloven. Waartoe wordt die zaak voor ulieden gebracht, die er reeds van tevoren tegen ingenomen zijt, en besloten hebt om haar, terecht of te onrecht, te veroordelen?"
b. "Indien Ik u vraag welke bezwaren gij hebt in te brengen tegen de bewijzen, die Ik u geef, gij zult Mij niet antwoorden of loslaten." Hij doelt hier op hun stilzwijgen als Hij hun een vraag deed, die hen er toe gebracht zou kunnen hebben om Zijn gezag te erkennen, Hoofdstuk 20:5-7. Zij waren noch onpartijdige rechters, noch onpartijdige twistredenaars, als zij door een argument in het nauw waren gebracht, wilden zij liever zwijgen dan te bekennen dat zij overtuigd zijn. Gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten, indien Ik de Christus niet ben, dan behoorde gij te antwoorden op de redenen, die Ik opgeef dat Ik het wèl ben. Indien Ik het ben, gij behoorde Mij los te laten, maar gij wilt noch het een, noch het ander.
3. Hij verwees hen naar Zijne wederkomst voor het volledig bewijs dat Hij de Christus is, tot hun beschaming, daar zij nu het bewijs niet wilden erkennen ter hunner overtuiging, vers 69. "Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn-en gezien worden te zijn gezeten-aan de rechterhand der kracht Gods, en dan zult gij niet behoeven te vragen of Hij al of niet de Christus is."
4. Hieruit leidden zij af, dat Hij zich opwierp als den Zone Gods, en vroegen Hem of Hij dit was, vers 70, Zijt gij dan de Zone Gods? Hij noemde zich zelven den Zoon des mensen, verwijzende naar Daniëls visioen van eens mensen zoon, die tot den Oude van dagen kwam, Daniël 7:13, 14. Maar zij begrepen zoveel dat, indien Hij deze Zoon des mensen was, Hij ook de Zoon van God moest wezen. En zijt gij dat? Hieruit blijkt dat het het geloof was der Joodse kerk, dat de Messias beide Zoon des mensen en Zoon van God moet zijn.
5. Hij erkent de Zoon van God te zijn: Gij zegt dat Ik het ben, dat is: "Ik ben zoals gij zegt." Vergelijk Markus 14:62. Jezus zei: Ik ben het. Het bevestigt Christus' getuigenis van zich zelven, dat Hij de Zone Gods was, dat Hij er bij bleef toen Hij wist, dat Zijn blijven er bij Hem zou doen lijden.
6. Hierop grondden zij Zijne veroordeling, vers 71 :Wat hebben wij nog getuigenis van node? Het is waar, zij hadden geen verder getuigenis van node om te bewijzen, dat Hij zei dat Hij de Zoon van God was, maar hadden zij geen verder getuigenis van node om te bewijzen dat Hij het niet was, eer zij Hem veroordeelden als een Godslasteraar, omdat Hij zei dat Hij het was? Drong het niet tot hen door, dat het toch mogelijk kon zijn, dat Hij het was, en aan welk een gruwelijke misdaad zij zich schuldig zouden maken door Hem ter dood te brengen? Neen, zij wisten het niet, en verstonden het niet. Zij kunnen niet denken dat het mogelijk is, dat Hij de Messias zou zijn, al was Hij ook nog zo bekleed met Goddelijke macht en genade, indien Hij niet, gelijk zij verwachtten, in wereldse praal en grootheid verschijnt. Hun ogen verblind zijnde door met bewondering hierop te staren, rennen zij voort met hun gevaarlijke vervolging, gelijk een paard zich in den strijd stort.