Markus 14:53-65
Wij zien hier hoe Christus aangeklaagd, verhoord, schuldig bevonden en ter dood veroordeeld werd door het kerkelijk gerechtshof, het grote sanhedrin, waarvan de hogepriester president was, of rechter, dezelfde Kajafas, die onlangs geoordeeld had dat het nut was Hem, schuldig of niet schuldig, ter dood te brengen, Johannes 11:50, en die dus met recht gewraakt had kunnen worden als te zijn partijdig.
I. Christus wordt voortgejaagd naar Zijn huis, dat zijn "zaal" of paleis, genoemd wordt, zo prachtig en statig was zijne levenswijze, En daar, hoewel het nu in het holle van den nacht was, vergaderden al de overpriesters en de ouderlingen en de schriftgeleerden, die in het geheim waren, gereed om hun prooi te ontvangen, zo verzekerd waren zij van Zijne komst.
II. Petrus volgde Hem van verre, tot zulk een graad van laaghartigheid was zijn zo-even betoonde moed reeds gedaald, vers 54. Maar toen hij aan het paleis van den hogepriester was gekomen, kroop hij lafhartig weg en ging zitten bij de dienaren, ten einde niet verdacht te worden tot Christus te behoren. De haard des hogepriesters was niet de geschikte plaats, en zijne dienaren geen voegzaam gezelschap voor Petrus, maar dit was zijn inkomen in de verzoeking.
III. Grote ijver werd aan den dag gelegd om "voor geld of goede woorden" valse getuigen tegen Christus te verkrijgen. Zij hadden Hem gegrepen als een boosdoener, en nu zij Hem in hun macht hebben, weten zij geen aanklacht tegen Hem in te brengen, Hem geen misdaad ten laste te leggen, maar zij zochten getuigenis tegen Hem, legden aan sommigen strikvragen voor, boden steekpenningen aan anderen, zo zij Hem wilden beschuldigen, en trachten nog anderen te intimideren, als zij het niet wilden, vers 55, 56. De overpriesters en ouderlingen waren er door de wet mede belast om valse getuigen te vervolgen en te straffen, Deuteronomium 19:16, 17, maar nu gaan dezen voor in ene misdaad, die de strekking heeft alle gerechtigheid omver te werpen. Het is de tijd om te roepen "Help, o Heere!" als de regeerders des land de beroerders des lands zijn, en die geroepen zijn om vrede en rechtmatigheid te handhaven, beide vrede en rechtmatigheid verderven.
IV. Eindelijk werd Hij beschuldigd van woorden, die Hij enige jaren geleden gesproken heeft, en die, zoals zij nu voorgesteld werden, den tempel schenen te bedreigen, waarvan zij nu slechts een afgod hadden gemaakt, vers 57, 58, maar de getuigen waren niet eenstemmig, vers 59, want de een zwoer, dat Hij gezegd had: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen dezelve opbouwen (zo is het in Mattheus), de ander zwoer, dat Hij gezegd had: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, opbouwen. Nu is er tussen deze getuigenissen een groot verschil, oude isê ên hê marturia, hun getuigenis was niet voldoende, om een hoofdmisdaad vast te stellen- aldus het gevoelen van Dr. Hammond, -zij beschuldigden hem niet van iets, waarop een doodvonnis stond, al wilde men ook de gestrengste uitlegging aan de wet geven.
V. Hij werd door hen aangespoord om Zijn eigen beschuldiger te zijn, vers 60. In drift gerakende, stond de hogepriester op, en zei: Antwoordt gij niets? Dit zei hij onder schijn van gerechtigheid en billijkheid, maar in werkelijkheid met de bedoeling Hem te verschrikken, opdat zij Hem beschuldigen mochten, Lukas 11:53, 54, 20:20. Wij kunnen ons voorstellen met welk een gebaar van hoogheid en minachting deze trotse hogepriester aan onzen Heere Jezus deze vraag deed. "Welaan, gevangene, gij hoort wat tegen u getuigd wordt, wat hebt gij er tegen in te brengen?" Daarbij deed het hem genoegen, dat Hij nu scheen te zwijgen, die zo dikwijls hen tot zwijgen had gebracht, die met Hem zochten te twisten. Maar Christus antwoordde nog niet, teneinde ons een voorbeeld te geven:
1. Van geduld onder laster en valse beschuldigingen, als wij "gescholden worden niet weer te schelden," 1 Petrus 2:23. En
2. Van voorzichtigheid, als een mens schuldig verklaard wordt om een woord, Jesaja 29:21, en men uit onze verdediging onze misdaad zoekt te bewijzen. Wèl is het een boze tijd, als de voorzichtigen zwijgen, om (het erge niet erger te maken) en hun zaak overgeven aan Hem, die rechtvaardig oordeelt. Maar:
VI. Toen Hem gevraagd werd, of Hij de Christus was, beleed Hij en ontkende niet dat Hij het was, vers 61, 62. Hij vroeg: Zijt gij de Zoon des Gezegenden? dat is de Zoon van God? want gelijk Dr. Hammond opmerkt, als de Joden den naam Gods noemden, voegden zij er gewoonlijk bij: "de eeuwig Gezegende", vandaar dat "de Gezegende" de titel is van God, een bijzondere titel, en toegepast op Christus, Romeinen 9:5. En als bewijs dat Hij de Zoon van God is, roept Hij hen op bij Zijne wederkomst: Gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht Gods, dien Zoon des mensen, die nu zo geringen verachtelijk schijnt, dien gij ziet en vertreedt, Jesaja 53:2, 3, zult gij weldra zien en voor Hem sidderen." Nu zou men zo denken, dat een woord als dit, dat onze Heere Jezus gesproken schijnt te hebben met ene verhevenheid en majesteit, niet strokende met Zijn tegenwoordig voorkomen (want door de zwaarste wolk Zijner vernedering drongen nog enige stralen Zijner heerlijkheid door) het hof opgeschrikt moest hebben, en tenminste in de mening van sommigen tot een opschorten van het oordeel geleid moest hebben, en dat zij dus de beraadslagingen zouden schorsen, tot nadere overlegging. Toen Paulus voor de rechtbank handelde van het toekomend oordeel, sidderde de rechter, en heeft hij het verhoor verdaagd, Handelingen 24:25. Maar deze overpriesters waren zo ontzettend verblind door woede en boosaardigheid, dat zij als een paard, dat zich in het krijgsgewoel stort, de vrees belachen, en niet ontsteld zijn, en niet geloven dat het het geluid is der bazuin, Job 39:25, 27, zie ook Job 15:25, 27.
VII. Toen Hij deze belijdenis had afgelegd, verklaarde de hogepriester hem schuldig aan Godslastering, vers 63. Hij scheurde zijne klederen-chitoonas hantou. Sommigen denken dat het zijn priesterlijk gewaad was, dat hij, tot meerdere plechtigheid, bij deze gelegenheid had aangedaan, hoewel het in den nacht was. Gelijk hij tevoren in zijne vijandschap tegen Christus gezegd heeft wat hij niet wist, Johannes 11:51, 52, zo heeft hij nu gedaan wat hij niet wist. Indien aan het scheuren van Sauls mantel de betekenis gegeven werd, dat het koninkrijk van hem gescheurd zou worden, 1 Samuël 15:27, 28, nog wel meer had het scheuren van Kajafas' klederen de betekenis, dat het priesterschap van hem genomen zou worden, gelijk het scheuren van den voorhang bij den dood van Christus de betekenis had, dat nu alles open en bloot gelegd werd. Christus' klederen werden, zelfs toen Hij gekruisigd werd, heel gelaten, en niet gescheurd, want nu het Levitische priesterschap in stukken gescheurd en weggedaan werd, "heeft deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, een onvergankelijk priesterschap." VIII. Zij stemden toe dat Hij een Godslasteraar was, en als zodanig des doods schuldig, vers 64. De vraag scheen naar behoren gesteld te zijn: Wat dunkt ulieden? Maar in werkelijkheid was het reeds een uitgesproken oordeel, want de hogepriester had gezegd: Gij hebt de Godslastering gehoord. Hij sprak het eerst zijne mening uit, hij, die als voorzitter van het hof, het laatst had behoren te stemmen. Zo hebben zij dan allen Hem veroordeeld des doods schuldig te zijn: de vrienden, die Hij in het sanhedrin had, waren niet verschenen, waarschijnlijk hadden zij gene oproeping ontvangen om tegenwoordig te zijn.
IX. Zij begonnen Hem nu te mishandelen, en gelijk de Filistijnen met Simson een wreed vermaak met Hem te bedrijven, vers 65. Het schijnt dat sommigen van de priesters zelven, die Hem hadden veroordeeld, zozeer de waardigheid, zowel als de plichten, aan hun ambt verbonden, vergaten, alsmede den ernst, die hun betaamde, dat zij hun dienaren hielpen in het bespotten van een veroordeelden gevangene. Hierin vonden zij tijdverdrijf en vermaak, in afwachting van den morgen, wanneer zij aan hun schandelijk bedrijf de kroon zouden opzetten. Van dezen "nacht der onderhoudingen" (zoals de paasnacht genoemd werd) maakten zij een nacht van goddeloze vrolijkheid. Als zij het nu niet beneden zich hebben geacht om Christus te honen, zullen wij dan iets beneden ons achten, waarmee wij Hem kunnen eren?