Lukas 20:39-47
De schriftgeleerden bestudeerden de wet en verklaarden haar voor het volk. Zij waren vermaard wegens hun wijsheid en eer, maar de meesten hunner waren vijanden van Christus en Zijn Evangelie. Nu hebben wij hier sommigen van hen, die Hem hoorden, en betreffende hen hebben wij in deze verzen vier dingen, die wij ook tevoren reeds hadden:
I. Wij zien hier, hoe zij het antwoord prezen, dat Christus den Sadduceeën had gegeven betreffende de opstanding: Sommigen der schriftgeleerden zeiden: Meester! Gij hebt wèl gezegd, vers 39. Christus had het getuigenis Zijner tegenstanders, dat Hij wèl gezegd had, en de schriftgeleerden waren Zijne vijanden, omdat Hij zich niet wilde voegen naar de inzettingen der ouden, maar als Hij de fundamentele handelingen van den Godsdienst handhaafde en verdedigde, dan hebben zelfs de schriftgeleerden Hem geprezen en erkend, dat Hij wèl gezegd had. Velen, die zich Christenen noemen, blijven zelfs hierbij nog achter.
II. Wij zien hen getroffen van ontzag voor Christus, en voor Zijne wijsheid en macht, vers 40. Zij durfden Hem niet meer iets vragen, omdat zij zagen dat Hij te zwaar, te moeilijk was voor allen, die met Hem streden. Zijn eigen discipelen, hoewel zij zwak waren, durfden met elke vraag tot Hem komen, omdat zij gewillig waren Zijne leer aan te nemen, maar de Sadduceeën, die Zijne leer tegenspraken en bedilden, durfden Hem geen vragen meer doen.
III. Wij zien hen hier verward en verlegen, in de engte gedreven door een vraag betreffende den Messias, vers 41. Het was uit vele Schriftuurplaatsen duidelijk, dat Christus de zoon van David moest zijn, zelfs de blinde wist dit, Hoofdstuk 18:39, en toch was het duidelijk, dat David den Messias zijn Heere noemde, vers 42, 44, zijn eigenaar en regeerder en weldoener: De Heere heeft gezegd tot mijnen Heere. God zei het tot den Messias, Psalm 110:
1. Indien Hij nu zijn zoon is, waarom noemt hij Hem dan zijn Heere? Indien Hij zijn Heere is, waarom noemen wij Hem dan zijn zoon? Dit gaf Hij hun ter overweging, maar zij konden die schijnbare tegenstrijdigheid niet oplossen. Geloofd zij God, dat wij het wèl kunnen, dat wij weten dat Christus als God David's Heere was, maar Christus als mens David's Zoon was. Hij was zowel de wortel als het geslacht David's, Openbaring 22:16. Door Zijn menselijke natuur was Hij het geslacht David's, een spruit van zijne familie, door Zijn Goddelijke natuur was Hij de wortel David's, uit wie deze zijn leven en bestaan had en alle voorziening der genade.
IV. Wij vinden hen hier beschreven in hun slecht karakter, terwijl de discipelen openlijk worden gewaarschuwd om tegen hen op hun hoede te zijn, vers 45-47. Wij hadden dit evenzo in Markus 12:38, en meer uitvoerig in Mattheus 23.. Christus zegt tot Zijne discipelen: Wacht u van de schriftgeleerden, dat is:
1. "Hoedt u er voor van door hen tot zonde te worden vervoerd, hun wijze van doen te leren, hun maatregelen aan te nemen, wacht u voor den geest, de gezindheid, waardoor zij geregeerd worden. Weest gijlieden niet in de Christelijke kerk, wat zij zijn in de Joodse kerk.
2. "Hoedt u van door hen in moeilijkheid gebracht te worden", in dezelfden zin, waarin Hij gezegd had, Mattheus 10:17. Wacht u voor de mensen, want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, " wacht u voor de schriftgeleerden, want dat zullen zij doen. Wacht u voor hen, want":
a. "Zij zijn hoogmoedig, zij willen wandelen in lange klederen op de straten, als personen, die verheven zijn boven beroep of bedrijf (want werkzame, bedrijvige mensen gingen met omgorde lenden) en als degenen, die staat en rang innamen." In hun hart beminden zij het, dat het volk op de markten voor hen boog, opdat men zag welk een eerbied hun bewezen werd, en zij waren zeer trots op den voorrang, dien men hun liet in alle openbare vergaderplaatsen. Zij beminden de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden, en als zij daar geplaatst waren, zagen zij met trotsen eigenwaan op zich zelven en met grote minachting op allen, die hen omringden. Ik zit als ene koningin.
b. Zij waren hebzuchtig en onderdrukkend, en gebruikten hun godsdienst als een dekmantel voor misdaden. Zij "eten de huizen der weduwen op, weten hare bezittingen in handen te krijgen, om ze dan door den een of anderen kunstgreep tot hun eigendom te maken", of, zij leven en teren op haar, en eten op wat zij hebben, en de weduwen zijn een gemakkelijke prooi voor hen, omdat zij zich licht door hun schoonschijnende voorwendsels laten misleiden, onder een schijn doen zij lange gebeden, wellicht lange gebeden met de weduwen, als dezen in droefheid en rouw verkeren, alsof zij niet alleen medelijden met haar hadden, maar ook vrome zorg en bekommernis, en zich dus poogden aangenaam bij haar te maken en hare achting te verwerven, om zodoende haar geld en bezittingen in handen te krijgen. Aan zulke vrome lieden zou men voorzeker ongeteld goud kunnen toevertrouwen, maar zij zullen er de rekenschap van geven, die hun goeddunkt. Christus spreekt in weinige woorden hun oordeel uit: Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen, een dubbele veroordeling, zowel voor hun misbruik maken van de arme weduwen, wier huizen zij opaten, als voor hun misbruik maken van den Godsdienst, en inzonderheid van het gebed, dat zij gebruikten als een vromen fraaien schijn, om des te zekerder hun wereldse en goddeloze plannen te kunnen volvoeren, want geveinsde vroomheid is dubbele ongerechtigheid.