Hebreeën 1:4-14
Nadat de apostel de voortreffelijkheid van het Evangelie boven de wet bewezen heeft door de uitnemendheid van den Heere Jezus Christus. boven de profeten, gaat hij er toe over om aan te tonen, dat deze verheven is niet alleen boven de profeten, maar ook boven de engelen. Daardoor voorkomt hij ene aanmerking, die de Joodse ijveraars al zeer spoedig zouden maken, namelijk dat de wet niet slechts door de mensen gegeven, maar door de engelen besteld, is, Galaten 3:19, die dienst deden bij het afkondigen der wet, daar de hemelse heirscharen uitgetrokken waren om Jehova bij die ontzaglijke gebeurtenis als lijfwacht te omringen. De engelen nu zijn zeer heerlijke wezens, veel heerlijker dan de mensen, de Schrift stelt hen altijd voor als de voortreffelijksten der schepselen, en wij kennen buiten God geen wezen, dat hoger is dan de engelen, en daarom werd de wet, die door de engelen besteld was in de hand des middelaars, in hoge ere gehouden. Om de kracht van dit tegenbewijs te ontzenuwen, gaat de apostel hier voort om een vergelijking te maken tussen Jezus Christus en de heilige engelen, beide wat staat en bediening betreft, en aan te tonen dat Christus hogelijk verheven is boven de engelen. Zoveel voortreffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen geërfd heeft, vers 4. Merk hier op:
I. De voortreffelijker natuur van Christus wordt bewezen door Zijn voortreffelijker naam. De Schrift geeft geen hoge en heerlijke titels zonder een deugdelijken grond en reden daarvoor te hebben. Zulke grote dingen zouden niet van onzen Heere Jezus Christus getuigd zijn geworden, indien Hij niet zo groot en uitnemend was als de woorden aangeven. Wanneer gezegd wordt dat Christus zoveel voortreffelijker dan de engelen geworden is, moeten wij ons niet voorstellen dat Hij een bloot schepsel is zoals de engelen zijn, het woord genomenos, met een bijvoeglijk naamwoord gebruikt, moet nooit als geschapen worden opgevat, veelmeer staat er, zoals ook de Syrische overzetting heeft, zoveel voortreffelijker zijnde. Wij lezen ginesthê ho theos alêthês, God zij waarachtig, en dat betekent geen wens dat Hij het moge zijn, maar de erkenning dat Hij het is.
II. De voortreffelijkheid van den naam en de natuur van Christus boven de engelen is verklaard in de Schrift en moet daaruit afgeleid worden. Wij zouden zonder de Schrift weinig of niets van de engelen geweten hebben, evenmin als van Christus, en zijn dus aan die Schriften gebonden in onze beschouwing van beiden. Nu worden hier verscheidene uitspraken van de Schrift aangehaald, waarin dingen van Christus gezegd worden, die nooit van de engelen gezegd zijn.
1. Van Christus is gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd, Psalm 2:7. Dat kan zien op Zijn eeuwige generatie, of op Zijne opwekking, of op de plechtige bevestiging in Zijn heerlijk koninkrijk door Zijne hemelvaart en Zijn gezeten-zijn aan de rechterhand des Vaders. Maar dit is nooit gezegd met betrekking tot de engelen, en daarom heeft Hij door erfenis een heerlijker natuur en naam dan zij.
2. Van Christus is gezegd-maar nooit van de engelen: Ik zal Hem tot een Vader zijn en Hij zal mij tot een Zoon zijn, 2 Samuël 7:14. Niet alleen: Ik ben Zijn Vader en Hij is Mijn Zoon, van nature en door eeuwige generatie, maar: "Ik zal Zijn Vader zijn en Hij zal Mijn Zoon zijn", door wondervol ontwerp, en dit Zijn Zoonschap zal de fontein en de grondslag zijn voor elke genadige betrekking tussen Mij en de gevallen mensheid. 3. Van Christus wordt gezegd: En als Hij wederom den eerstgeborenen inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden, dat is: als Hij gebracht wordt in deze lagere wereld, bij Zijne geboorte, moeten alle engelen Hem eer bewijzen, of: als Hij in de wereld hierboven gebracht wordt door Zijne hemelvaart, om Zijn middelaars-koninkrijk te aanvaarden, of: als Hij Hem opnieuw inbrengt in de wereld, om de wereld te oordelen, -laat dan alle hoogste schepselen Hem aanbidden. God laat geen engel toe in den hemel te blijven, die niet aan Christus onderworpen wil zijn en Hem geen aanbidding brengen wil, en Hij zal maken, dat eindelijk de gevallen engelen en goddeloze mensen Zijn goddelijke macht en gezag zullen belijden en voor Hem neervallen. Dezen, die niet willen dat Hij Koning over hen zijn zal, moeten gebracht en voor Zijn voeten doodgeslagen worden. Het bewijs is genomen uit Psalm 97:7 :Buigt u voor Hem neer, al gij goden! dat is: Gij allen, die hoger in rang zijt dan de mensen, erkent dat gij in wezen en in macht de mindere van Christus zijt".
4. God heeft ten opzichte van Christus gezegd: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid enz., vers 8-12. Maar van de engelen heeft Hij alleen gezegd: Die Zijne engelen maakt geesten en Zijne dienaars een vlam des vuurs, vers 7. Welnu, door vergelijking van hetgeen Hij zegt van Christus met wat gesproken is van de engelen, zal duidelijk blijken hoe ver beneden Christus de engelen staan.
A. Wat zegt God hier van de engelen? Die Zijne engelen maakt geesten en Zijne dienaars een vlam des vuurs. Wij vinden dit in Psalm 104:4, waar het meer onmiddellijk gezegd schijnt te zijn van den wind en den bliksem, maar het wordt hier toegepast op de engelen, van wier dienst de goddelijke Voorzienigheid gebruik maakt in de winden, den donder en den bliksem. Merk op:
a. De stand van de engelen. Zij zijn Gods dienaren of dienstknechten om Zijn welbehagen te doen. Het is de heerlijkheid van God dat Hij zulke dienaren heeft, en dat te meer omdat Hij hen niet nodig heeft.
b. Hoe de engelen tot dezen dienst bekwaam gemaakt worden. Hij maakt hen geesten en vuurvlammen, dat is: Hij begiftigt hen met ijver en licht, met bekwaamheid en geschiktheid, bereidheid en vastbeslotenheid om Zijn welbehagen te doen, zij zijn niet meer dan God hen gemaakt heeft, en zij zijn dienaren van den Zoon zowel als van den Vader. Maar merk op:
B. Hoeveel groter dingen door den Vader van den Zoon gezegd worden. Twee plaatsen uit de Schrift worden hier aangehaald.
a. De eerste is genomen uit Psalm 45:7, 8, waar God van Christus verklaart: Ten eerste. Zijn ware en werkelijke goddelijkheid en dat met welbehagen en toegenegenheid, zonder Hem die heerlijkheid te misgunnen.
Uw troon, o God. Hier noemt de ene persoon den anderen persoon God. O God! En wanneer God de Vader Hem dat verklaart te zijn, dan moet Hij het ook werkelijk en in waarheid zijn, want God noemt personen en dingen zoals ze zijn. En laat nu allen, die dat tot hun verderf doen willen, Zijn waarachtige Godheid ontkennen, maar laat ons Hem erkennen en verheerlijken als God, want, indien Hij niet waarlijk God ware, zou Hij niet instaat geweest zijn om het Middelaarswerk te doen of de Middelaarskroon te dragen. Ten tweede. God verklaart Zijne waardigheid en heerschappij, Hij heeft een troon, een koninkrijk, en den scepter van dat koninkrijk. Hij heeft alle recht, regering, gezag en macht, beide als God van nature, genade en heerlijkheid, en als Middelaar. En daarom is Hij ten volle geschikt voor al de bedoelingen van zijn middelaars-koninkrijk.
Ten derde. God verklaart den eeuwigen duur van de regering en de waardigheid van Christus, gegrond in de goddelijkheid van zijn persoon. Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid, van eeuwigheid en tot eeuwigheid, door alle tijden der eeuwen, Hij weerstaat alle pogingen van aarde en hel om haar te ondermijnen en te overvleugelen, door al de eindeloze tijden der eeuwigheid, wanneer de tijd niet meer zijn zal. Dit onderscheidt den troon van Christus van alle aardse tronen, die wankelend zijn en ten laatste zullen vallen, maar de troon van Christus zal zijn als de dagen der hemelen.
Ten vierde. God verklaart de volmaakte rechtvaardigheid van Christus' regering en van de uitoefening Zijner macht, door al de delen van Zijn gebied. De scepter Uws koninkrijks is een rechte scepter, vers 8. Hij verwierf Zijn scepter rechtvaardig en Hij gebruikt hem in volmaakte rechtvaardigheid, de rechtvaardigheid van Zijn regering komt voort uit de rechtvaardigheid van Zijn persoon, uit Zijn werkelijke eeuwige liefde voor rechtvaardigheid en haat voor ongerechtigheid, niet bloot uit overwegingen van voorzichtigheid en belang, maar uit een innerlijk, onveranderlijk beginsel. Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad en ongerechtigheid gehaat, vers 9. Christus kwam om alle gerechtigheid te vervullen en een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en Hij was rechtvaardig in al Zijn wegen en heilig in al Zijne werken. Hij kwam om een einde te maken aan de overtredingen en aan de zonden als zijnde hatelijk, zowel als schadelijk. Hij heeft den mensen rechtvaardigheid aanbevolen en die onder hen opgericht, als het begeerlijkste en beminnelijkste van alle dingen.
Ten vijfde. God verklaart van Christus hoe Hij bekwaam gemaakt werd voor de bediening van Middelaar, en hoe Hij daartoe aangesteld en daarin bevestigd werd, vers 9. Daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met olie der vreugde boven Uwe medegenoten.
1. Christus draagt Zijn naam Messias omdat Hij gezalfd is. Gods zalving van Christus betekent beide, Zijne bekwaammaking voor Zijn dienst van Middelaar, door den Heiligen Geest en al diens genaden, en Zijne aanstelling tot dien dienst, zoals profeten, priesters en koningen door zalving werden gewijd. o God, Uw God, ziet op de bevestiging van Christus in Zijn dienst als Middelaar door het verbond van verzoening en vrede, dat tussen den Vader en den Zoon was. God is de God van Christus, voorzover Christus mens en Middelaar is.
2. Deze zalving van Christus geschiedde met olie der vreugde, hetgeen betekent beide: de blijdschap en liefde, waarmee Christus op zich nam den dienst van Middelaar en dien ondernam, aangezien Hij wist dat Hij daarvoor volkomen bekwaam was, en evenzeer de vreugde, die Hem voorgesteld was als beloning van Zijn dienst en lijden, de kroon van heerlijkheid en blijdschap, die Hij na Zijn lijden des doods voor eeuwig dragen zou.
3. Deze zalving van Christus ging de zalving van Zijne medegenoten te boven: Daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met olie der vreugde boven Uwe medegenoten. Wie zijn Christus' medegenoten? Staat iemand met Hem gelijk? Niet als God, uitgenomen de Vader en de Heilige Geest, maar die worden hier niet bedoeld. Als mens echter heeft Hij medegenoten, en evenzeer als gezalfde, maar Zijne zalving gaat die van hen allen te boven.
A. Ze gaat die der engelen te boven, die Zijn medegenoten kunnen genoemd worden, want zij zijn zonen van God door de schepping, en Gods dienaren, die Hij gebruikt tot Zijn dienst.
B. Ze gaat die van alle profeten, priesters en koningen te boven, welke ooit gezalfd zijn om op aarde in den dienst Gods gebruikt te worden.
C. Zij gaat die van alle heiligen te boven, welke Zijne broederen zijn, kinderen van dezelfden Vader, omdat Hij hun vlees en bloed aangenomen heeft.
D. Zij gaat die te boven van allen, die Zijne verwanten als mens waren, boven allen uit het huis van David, boven den gehelen stam Juda, boven al Zijne broederen en bloedverwanten naar het vlees. Al de anderen, die God gezalfd heeft, ontvingen den Geest slechts in zekere mate, Christus heeft den Geest zonder mate, zonder enige beperking. Niemand derhalve verricht zijn werk zoals Christus deed, niemand heeft er zoveel behagen in als Christus had, want Hij was gezalfd met olie der vreugde boven Zijne medegenoten.
b. De tweede Schriftuurplaats, waaruit de bijzondere voortreffelijkheid van Christus boven de engelen blijkt, is genomen uit Psalm 102:26-28, en wordt aangehaald in vers 10-12, waar de almacht van den Heere Jezus Christus wordt bevestigd, zoals zij verschijnt beide in de schepping der wereld en in haar verandering.
Ten eerste. In de schepping der wereld, vers 10. En: Gij, Heere, hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen. De Heere Christus heeft het oorspronkelijk recht om de aarde te regeren, want Hij heeft in den beginne de wereld gemaakt. Zijn recht als Middelaar verkreeg Hij door opdracht van Zijn Vader. Zijn recht als God met den Vader was absoluut en kwam voort uit Zijn scheppende macht. Deze macht bezat Hij voor den aanvang der wereld, en Hij oefende die uit door aan de wereld een begin en het aanzijn te geven. Hij kan derhalve zelf geen deel van die wereld zijn, want dan zou Hij zich zelven het aanzijn gegeven hebben. Hij was, pro pantoon, voor alle dingen en alle dingen bestaan door Hem, Colossenzen 1:17. Hij was niet alleen boven alle dingen in waardigheid, maar voor alle dingen in bestaan, en daarom moet Hij God, door zich zelven bestaande, zijn. Hij legde de grondslagen der aarde, gaf niet alleen nieuwe vormen aan vroeger bestaande stof, maar Hij maakte uit niets de grondslagen der aarde, de pinnordia rerum, de eerste beginselen der dingen. Niet alleen grondde Hij de aarde, maar ook de hemelen zijn werken Zijner handen, beide de woning en de bewoners, de hemelse heirscharen, de engelen zelven, en daarom kan het niet anders of Hij is oneindig boven hen verheven.
Ten tweede. Door de wereld, die Hij gemaakt heeft, te veranderen, en hier wordt de veranderlijkheid van de wereld aangevoerd om de onveranderlijkheid van Christus te bewijzen. Merk hier op:
1. De wereld is veranderlijk, alle geschapen natuur is dat. Deze wereld heeft vele veranderingen ondergaan, en zal nog andere ondergaan, al deze veranderingen geschieden door toelating en onder leiding van Christus, die de wereld gemaakt heeft, vers 11, 12. Dezelve zullen vergaan, zij zullen alle als een kleed verouden en als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden. Deze onze zichtbare wereld, beide de aarde en de zichtbare hemelen, worden oud. Niet enkel mensen en beesten worden oud, maar deze wereld zelf veroudert en haast zich naar hare verdwijning. Zij veroudert als een kleed, heeft reeds veel van haar schoonheid en kracht verloren. Zij verouderde tijdens den eersten afval en zij gaat sindsdien voort met gedurig ouder en zwakker te worden, zij draagt de kentekenen van een stervende wereld. Doch haar ontbinding zal niet haar verwoesting zijn, maar haar verandering. Christus zal deze wereld als een kleed ineenrollen opdat ze niet langer misbruikt worde, niet langer gebruikt zoals totnogtoe. Laat ons daarom onze harten niet zetten op hetgeen niet is waar wij het voor aanzien, en niet wezen zal wat het nu is. De zonde heeft de wereld zeer in haar nadeel veranderd, Christus zal een grote verandering haar ten goede tot stand brengen. Wij verwachten een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont. Deze overweging moet ons spenen van de tegenwoordige wereld, en ons waakzaam, ijverig en begerig naar die betere wereld maken. Laat ons uitzien naar Christus om ons te veranderen en geschikt te maken voor die komende nieuwe wereld, in welke wij niet kunnen ingaan, tenzij wij nieuwe schepselen geworden zijn.
2. Christus is onveranderlijk. De Vader getuigt van Hem: Gij zijt dezelfde en Uwe jaren zullen niet ophouden. Christus is dezelfde in zich zelven, gisteren, en heden, en tot in eeuwigheid, en dezelfde voor al de Zijnen in al de veranderingen der tijden. Dat is een grote steun voor allen, die deelhebben aan Christus, onder al de veranderingen, waarmee zij in deze wereld te kampen hebben, of die zij in zich zelven gevoelen. Christus is onveranderlijk en onsterfelijk, Zijne jaren zullen niet ophouden. Dit moet ons troosten bij alle verval der natuur, dat wij in ons zelven of in onze vrienden opmerken, ofschoon ons vlees en ons hart bezwijken en onze dagen ten einde spoeden, Christus leeft om voor ons te zorgen terwijl wij leven en voor de onzen als wij zullen zijn heengegaan, en dit moet ons aanwakkeren om al ons belang in Hem te stellen en ons deel aan Hem helder en zeker te maken, dat ons geestelijk en eeuwig leven met Christus verborgen is in God.
III. De uitnemendheid van Christus boven die der engelen verschijnt ook daarin, dat God nooit tot de engelen gezegd heeft hetgeen Hij tot Christus heeft gezegd, vers 13, 14.
1. Wat heeft God tot Christus gezegd? Hij heeft gezegd: Zit aan Mijne rechterhand, totdat Ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten, Psalm 110:
1. Ontvang Uw heerlijkheid, heerschappij en rust, en blijf in de regering van Uw middelaarskoninkrijk, totdat al Uwe vijanden zullen gemaakt zijn: of Uw vrienden door hun bekering, of de voetbank Uwer voeten.
A. Christus Jezus heeft Zijne vijanden (wie zou het denken?), vijanden zelfs onder de mensen, vijanden van Zijn opperheerschappij, van Zijne zaak, van Zijn volk, zulke, die niet willen dat Hij koning over hen zijn zal. Laat het ons dan niet bevreemden indien wij onze vijanden hebben. Christus heeft nooit iets gedaan om de mensen tot Zijne vijanden te maken, Hij heeft zeer veel gedaan om hen allen te maken tot Zijne vrienden en vrienden Zijns Vaders, en toch heeft Hij Zijne vijanden.
B. Al de vijanden van Christus zullen tot een voetbank Zijner voeten gemaakt worden, hetzij door vrijwillige en algehele onderwerping aan Zijn wil, zodat zij zich aan Zijne voeten werpen, hetzij door de uiterste verwoesting, Hij zal vertreden die voortgaan zich tegen Hem te verzetten en zal over hen zegepralen.
C. God de Vader heeft dat op zich genomen, en Hij zal zorgen dat het gebeurt, ja, Hij zal het zelf doen. En ofschoon het nu nog niet geschiedt, het zal zeker eens gebeuren, en Christus verwacht het. En zo moeten alle Christenen wachten tot God al Zijn werk volbracht heeft in hen, voor hen en aan hen.
D. Christus zal voortgaan met besturen en regeren tot dit geschied is, Hij zal geen van Zijn grote voornemens onvervuld laten, Hij zal voortgaan overwinnende en opdat Hij overwinne En het betaamt Zijn volk voort te gaan in hun plicht, te zijn zoals Hij hen hebben wil, te doen wat Hij verlangt dat zij doen zullen, te mijden wat Hij wil dat zij mijden zullen, te dragen wat Hij hun te dragen geeft, tot Hij hen overwinnaars en meer dan overwinnaars maakt over al hun geestelijke vijanden.
2. Wat heeft God de engelen gezegd? Hij heeft tot hen nooit, als tot Christus, gezegd: Zit aan Mijne rechterhand, maar Hij zegt hier van hen dat zij allen gedienstige geesten zijn, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen.
A. Wat is de natuur der engelen? Zij zijn geesten zonder lichamen of begeerte naar lichamen, maar zij kunnen lichamen aannemen en daarin verschijnen als het God behaagt. Zij zijn geesten, onlichamelijk, verstandig, werkzaam, zij munten uit in wijsheid en in kracht.
B. Wat is het werk der engelen? Zij zijn gedienstige geesten. Christus, als middelaar, is de grote dienaar Gods in het werk der verlossing. De Heilige Geest is de grote dienaar van God en Christus in de toepassing van die verlossing. Engelen zijn gedienstige geesten onder de gezegende Drie- eenheid, om den goddelijken wil en het goddelijk welbehagen te volbrengen, zij zijn de dienaren der goddelijke Voorzienigheid.
C. De engelen worden met dat doel uitgezonden om te dienen degenen, die de zaligheid beërven zullen. Merk hier op:
a. De beschrijving van de heiligen gegeven: zij zijn erfgenamen van de zaligheid, thans zijn zij nog minderjarig, erfgenamen, niet bezitters. Zij zijn erfgenamen omdat zij kinderen van God zijn. Indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen. Laat ons er ons van verzekeren dat wij kinderen zijn door aanneming en wedergeboorte, door verbondsonderwerping van ons zelven aan God, en door voor Hem in een evangelischen wandel te verkeren, dan zullen wij erfgenamen van God en mede- erfgenamen van Christus zijn.
b. De waardigheid en het voorrecht der heiligen, de engelen worden uitgezonden om hen te dienen. Zij hebben dat gedaan in het bestellen van de wet, en in het strijden van de krijgen der heiligen en het verslaan hunner vijanden. Zij dienen hen nog door het tegenstaan van de boosheid en de macht der boze geesten, in het bewaren en beschermen hunner lichamen, door zich naast hen te legeren, hun zielen te onderrichten, te verlevendigen en te vertroosten onder leiding van Christus en van den Heiligen Geest, en eens ten jongsten dage zullen zij alle heiligen bijeen vergaderen. Laat ons God danken voor dezen dienst der engelen en in Zijn wegen blijven wandelen, dan zullen wij den troost genieten van de belofte: Hij zal Zijnen engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uwe wegen. Zij zullen u op de handen dragen, dat gij uw voet aan geen steen stoot, Psalm 91:11, 12.