Lukas 17:1-10
Hier wordt ons geleerd:
I. Dat het geven van ergernissen grote zonde is, die wij allen behoren te vermijden, en waartegen wij op onze hoede moeten zijn, vers 1, 2. Wij kunnen niet anders verwachten, of er zullen ergernissen komen, in aanmerking genomen de verdorvenheid en eigenzinnigheid van den mens, en de wijze bedoelingen en raadsbesluiten van God, die zelfs door deze ergernissen Zijn werk zal tot stand brengen, en uit het kwade het goede zal doen voortkomen. Het is schier onmogelijk, dat er gene ergernissen komen, en daarom is het ons nodig er tegen te voorzien, maar wee hem, door welken zij komen! zijn oordeel zal zwaar zijn, vers 2, schrikkelijker dan dat van de ergste boosdoeners, die veroordeeld zijn om in de zee geworpen te worden, want zij vergaan onder een last van schuld, zwaarder dan die van molenstenen. Dit bevat een wee over:
1. Vervolgers, die de minsten van Christus' kleinen schade of nadeel toebrengen, in woord of daad, waardoor zij ontmoedigd worden in den dienst van Christus en in het betrachten van hun plicht, of in gevaar zijn van er geheel in verhinderd te worden.
2. Over verleiders, die de waarheid van Christus en Zijne inzettingen verderven, en aldus den geest der discipelen beroeren, want zij zijn het, door wie ergernissen komen.
3. Over hen, die, terwijl zij belijden Christenen te zijn, een ergerlijk leven leiden, en hierdoor de handen van Gods kinderen verslappen en hun hart bedroeven, want door hen komen ergernissen, en het is geen vermindering van hun schuld, en zal ook geen vermindering zijn van hun straf, dat het niet kan wezen, dat er geen ergernissen komen.
II. Dat het vergeven van beledigingen een grote plicht is, dien een iegelijk onzer nauwgezet moet betrachten, vers 3. Wacht uzelven. Dit kan zien zowel op hetgeen voorafgaat als op hetgeen volgt: Wacht uzelven, dat gij niet een dezer kleinen ergert. Leraren moeten zeer voorzichtig zijn, opdat zij niets zeggen of doen, dat ene ontmoediging kan wezen voor zwakke Christenen, zij behoren zeer voorzichtig te zijn uit vrees hiervoor. Of: Als uw broeder tegen u zondigt, u enig leed doet, u smaadt of beledigt, indien hij medeplichtig is aan nadeel, dat u toegebracht is in uwe bezitting, of aan uw goeden naam, wacht uzelven, dat gij niet in toorn of drift geraakt, opdat gij niet onbedachtelijk spreekt, en roekeloos zweert u te zullen wreken: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen, Spreuken 24:29. Geef wel acht op hetgeen gij zegt in zulk een ogenblik, opdat gij niet iets verkeerds zegt.
1. Indien het u veroorloofd is hem te bestraffen, wordt u geraden het te doen. Ver- heel uwe gevoeligheid niet, smoor haar niet, geef er lucht aan. Breng hem zijne verkeerdheid onder het oog, toon hem waarin hij niet wèl gedaan heeft, niet billijk jegens u heeft gehandeld, en, het kan wezen dat gij bemerkt (en gij moet het zeer gaarne willen bemerken) dat gij hem misverstaan hebt, dat het geen zonde was tegen u, of niet aldus bedoeld was, maar dat het een vergissing was, en dan zult gij hem om vergeving vragen, dat gij hem misverstaan hebt, zoals Jozua 22:30, 31.
2. U wordt geboden hem, op zijn berouw, vergeving te schenken, en volkomen met hem verzoend te zijn: Indien het hem leed is, zo vergeef het hem. Vergeet de belediging, denk er niet meer aan en nog veel minder moogt gij het hem verwijten. En al heeft hij er ook geen berouw van, moet gij toch geen wrok tegen hem koesteren en niet op wraak zinnen, maar zo hij niet tenminste zegt, dat het hem leed is, zijt gij niet verplicht om zo vrij en gemeenzaam met hem om te gaan als tevoren. Indien hij schuldig is aan grove zonde, tot ergernis van de Christelijke gemeente, waarvan hij lid is, zo laat hen ernstig en met zachtmoedigheid bestraft worden voor zijne zonde, en, op zijn berouw en bekering, weer tot vriendelijke gemeenschap worden toegelaten. Dit wordt door den apostel vergeving genoemd, 2 Corinthiërs 2:7.
3. Gij moet dit herhalen iedere keer, dat hij zijne overtreding herhaalt, vers 4. Indien hij verondersteld kan worden zo onachtzaam of zo onbeschaamd te zijn, dat hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en even dikwijls zegt dat het hem leed is, en belooft niet weer op die wijze tegen u te zondigen, zo ga voort met hem te vergeven. "Dwalen is menselijk." Christenen behoren vergevingsgezind te zijn, bereid om van ieder het beste te denken, en het aan ieder, die hen omringt, gemakkelijk te maken. Zij moeten haastig welgezind zijn om fouten te verschonen, niet om ze te vergroten, en zij moeten er zich op toeleggen om even duidelijk te tonen, dat zij vergeven wat tegen hen misdreven is, als anderen tonen hoe zij het hun ten kwade duiden.
III. Dat wij er allen behoefte aan hebben, dat ons geloof wordt versterkt, want, naarmate die genadegave toeneemt, nemen ook alle andere genadegaven toe. Hoe vaster wij in de leer van Christus geloven, en met hoe meer vertrouwen wij ons op de genade van Christus verlaten, hoe beter, in alle opzichten, het voor ons zijn zal. Let hier nu:
1. Op het verzoek der discipelen aan Christus om versterking van hun geloof, vers 5. De apostelen zelf-zo worden zij hier genoemd-hoewel zij eerste staatsministers waren in Christus' koninkrijk, erkenden toch de zwakheid en onvolkomenheid van hun geloof, en bespeurden hun behoefte aan Christus' genade tot vermeerdering er van, zij zeiden tot den Heere: Vermeerder ons geloof en vervul wat er aan ontbreekt. Laat de ontdekkingen des geloofs helderder zijn, de begeerten van het geloof sterker, het vertrouwen des geloofs vaster en meer bepaald, de toewijding des geloofs meer volkomen en vastberaden, en de verlustiging des geloofs meer aangenaam zijn. De vermeerdering van ons geloof is hetgeen wij ernstig en vurig moeten begeren, en die begeerte moeten wij Gode met bidden en smeken bekendmaken. Sommigen zijn van mening, dat zij deze bede tot Christus hebben gericht toen Hij hun den plicht voorhield om te vergeven wat tegen hen misdreven wordt. "Heere, vermeerder ons het geloof, of wij zullen nooit instaat zijn zo moeilijk een plicht te vervullen." Geloof in Gods vergevende genade zal ons in staat stellen om heen te komen over de grootste moeilijkheden, die op den weg liggen van onze vergeving aan onzen broeder. Anderen denken dat het bij een andere gelegenheid was, toen de apostelen faalden in het doen van het een of ander wonder, en door Christus bestraft werden om de zwakheid van hun geloof, zoals in Mattheus 17:16 en verder. Tot Hem, die hen laakte, moeten zij zich wenden om genade tot verbetering, tot Hem roepen zij: Heere, vermeerder ons het geloof.
2. De verzekering, die Christus hun gaf van de wonderbare kracht van waar geloof, vers 6, Zo gij een geloof had als een mostaardzaad, zo klein als een mostaardzaad, maar het uwe is nog kleiner dan het kleinste, of zo scherp als mostaardzaad, zo prikkelend, zo opwekkend voor alle andere gaven der genade, als mostaardzaad opwekkend is voor de levensgeesten, en daarom gebruikt wordt bij verlamming, gij zoudt wonderen doen, die verre overtreffen die, welke gij nu doet, niets zou te moeilijk voor u zijn, dat geschikt is om tot eer van God gedaan te worden en tot bevestiging van de leer, die gij predikt, ja, al was het ook het verplanten eens booms van de aarde in de zee. (Zie Mattheus 17:20.) Gelijk er niets onmogelijk is bij God, zo zijn ook alle dingen mogelijk dien, die gelooft.
IV. Dat wij, wat wij ook doen in den dienst van Christus, zeer nederig moeten zijn, en ons niet moeten verbeelden dat wij enigerlei gunst van Hem kunnen verdienen, of als een schuld van Hem kunnen eisen, ook zelfs de apostelen, die zoveel meer dan anderen voor Christus gedaan hebben, moeten niet denken dat zij Hem hierdoor tot hun schuldenaar gemaakt hebben.
1. Wij zijn allen Gods dienstknechten, (Zijne apostelen en Evangeliedienaren zijn dit in bijzonderen zin), en als dienstknechten zijn wij gehouden en verplicht om alles wat wij kunnen te doen tot Zijne eer. Al onze kracht en al onze tijd moeten voor Hem gebruikt en besteed worden, want wij zijn ons zelfs niet, noch kunnen wij zelf over ons beschikken, want wij zijn ter beschikking onzes Meesters.
2. Als dienstknechten Gods betaamt het ons onzen tijd te gebruiken ter vervulling van onze plichten, er is ons allerlei werk opgedragen te doen, en zo moeten wij het einde van den enen arbeid laten samenvloeien met het begin van een anderen. De dienstknecht, die op den akker geploegd heeft of de beesten heeft gehoed, heeft, als hij tehuis komt, nog ander werk te doen, hij moet aan tafel dienen, vers 7, 8. Als wij ons hebben beziggehouden met den plicht van een Godsdienstig gesprek, dan zal dit ons niet vrijstellen van de beoefening der Godsvrucht in het bijwonen der openbare Godsverering, nadat wij voor God hebben gewerkt, moeten wij Hem nog dienen, en dat wel voortdurend.
3. Onze voornaamste zorg hier moet wezen om den plicht te doen, aan onze betrekking verbonden, en het dan verder aan onzen Meester over te laten, om er ons de vertroosting van te doen smaken, wanneer en hoe het Hem goeddunkt. Geen dienstknecht verwacht dat zijn meester tot hem zal zeggen: Kom bij, en zit aan, daarvoor is het tijd genoeg, als wij met ons dagwerk gereed zijn. Laat ons zorg hebben om ons werk te voleindigen, en het goed te doen, en dan zal ter bestemder tijd het loon komen.
4. Het is voegzaam dat Christus voor ons bediend wordt: Bereid, dat ik te avond zal eten, en eet en drink gij daarna. Twijfelende Christenen zeggen dat zij Christus de eer Zijner liefde niet kunnen geven, zoals zij moesten, omdat zij er de vertroosting nog niet van verkregen hebben, maar dat is verkeerd. Laat Christus eerst de eer er van hebben, laat ons Hem dienen met onzen lof, en dan zullen wij eten en drinken in de vertroosting dier liefde, en daarin is een feestmaaltijd.
5. Als Christus' dienaren Hem bedienen, dan moeten zij zich gorden, zich losmaken van alles, dat hen belemmert, en, door zich ijverig met hun hart tot hun werk te begeven, er zich geschikt voor maken, zij moeten opschorten de lenden huns verstands. Als wij bereid hebben voor Christus' onthaal, bereid hebben dat Hij te avond zal eten, dan moeten wij ons gorden om Hem te dienen. Dat wordt van dienstknechten verwacht, en Christus kan het van ons eisen, maar Hij dringt er niet op aan. Hij was onder Zijne discipelen als een, die dient, en is niet, gelijk andere meesters, gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, getuige Zijn wassen van de voeten der discipelen.
6. Christus, dienstknechten verdienen geen dank voor enigerlei dienst, dien zij Hem bewijzen. Dankt Hij ook dien dienstknecht? Acht hij dat hij hem er iets voor schuldig is ? Geenszins. Geen goede werken, die wij doen, kunnen ons iets uit de hand Gods verdienen. Wij verwachten Gods gunst, niet omdat wij Hem door onze diensten tot onzen schuldenaar gemaakt hebben, maar omdat Hij door Zijne beloften zich zelven tot een schuldenaar heeft gemaakt van Zijn eigen eer, en hierop mogen wij bij Hem pleiten, maar niet op onze verdienste.
7. Al wat wij voor Christus doen, al is het ook meer dan sommige anderen doen, is toch niets meer dan hetgeen wij verplicht zijn voor Hem te doen. Al zouden wij ook gedaan hebben al wat ons bevolen was, en helaas, in vele dingen komen wij er tekort in, dan is er toch nog geen werk, waartoe wij niet verplicht waren, het is slechts waartoe wij gehouden en verplicht waren door het eerste en grote gebod van God lief te hebben met geheel ons hart en geheel onze ziel, waarin het alleruiterste ligt opgesloten.
8. De beste dienstknechten van Christus, zij, die de beste diensten bewijzen, moeten ootmoedig erkennen dat zij onnutte dienstknechten zijn, alhoewel zij niet die onnutte dienstknechten zijn, welke hun talenten begraven en in de buitenste duisternis geworpen worden, maar ten opzichte van Christus, en van enig nut en voordeel, dat uit hun diensten voor Hem kan voortvloeien, zijn zij onnut, onze goedheid raakt niet tot God, ook is het voor Hem geen gewin dat onze wegen volmaakt zijn, Psalm 16:2, Job 22:2, 35:7. God kan door onze diensten geen gewin hebben, en daarom kan Hij er geen schuldenaar door gemaakt worden. Hij heeft ons niet nodig, onze diensten kunnen aan Zijne volmaaktheden niets toevoegen. Daarom betaamt het ons ons zelven onnutte dienstknechten te noemen, want God is zalig zonder ons, maar zonder Hem zijn wij verloren.