Lukas 13:6-9
Deze gelijkenis is bedoeld om nadruk te leggen op het woord van waarschuwing, dat er onmiddellijk aan voorafgaat: Indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan, tenzij gij uw leven betert, zult gij ten ondergang gedoemd zijn, evenals de onvruchtbare vijgenboom uitgehouwen zal worden, indien hij geen vruchten voortbrengt.
I. Deze gelijkenis betreft in de eerste plaats het volk der Joden. God heeft hen verkoren tot Zijn eigendom, heeft hen gemaakt tot een volk, dat nabij Hem is, Hij gaf hun het voorrecht boven alle andere volken om Hem te kennen en te dienen, en Hij verwachtte van hen in erkentelijkheid hiervoor gehoorzaamheid en plichtsbetrachting, die Hij, als tot Zijne eer en verheerlijking uitlopende, als vruchten zou hebben beschouwd. Maar zij hebben Zijne verwachting teleurgesteld, zij hebben hun plicht niet betracht, zij waren een smaad veeleer dan ene eer voor hun belijdenis. Hierop heeft Hij het rechtvaardig besluit genomen hen te verlaten, hen af te snijden, hun hun voorrechten te ontnemen, hen zonder kerk te laten, en hun staat te vernietigen. Maar op Christus' voorbede, evenals vanouds op Mozes' voorbede, heeft Hij hun genadiglijk nog uitstel verleend, den tijd der genade verlengd, het, als het ware, nog een jaar met hen beproefd, door hun apostelen te zenden, hen tot bekering te roepen, hun in den naam van Christus vergeving aan te bieden op hun bekering. In sommigen van hen werd bekering gewerkt, dezen brachten vrucht voort, en voor hen was alles toen wel. Maar het gros van het volk bleef onboetvaardig en onvruchtbaar, en over hen is onherstelbaar verderf gekomen, ongeveer veertig jaren later zijn zij uitgehouwen en in het vuur geworpen, zoals Johannes de Doper het hun gezegd had, Mattheus 3:10, over welk gezegde van hem deze gelijkenis verder uitweidt.
II. Maar zij heeft ongetwijfeld nog een verdere strekking, en is bedoeld ter opwaking van allen, die in het genot zijn van de voorrechten der zichtbare kerk, opdat zij wèl toezien, dat de neiging van hun geest en de richting van hun leven beantwoorden aan hun belijdenis en de gelegenheden en voorrechten, die hun geschonken zijn, want dat is de vrucht, die vereist wordt. Merk hier nu op:
1. De voorrechten van dezen vijgenboom. Hij was geplant in een wijngaard, in beteren grond, en waar er meer zorg voor gedragen en meer moeite aan besteed werd, dan aan andere vijgenbomen, die gewoonlijk niet in wijngaarden, maar aan den weg groeiden, want de wijngaarden waren voor de wijnstokken. Deze vijgenboom behoorde aan "een zeker man", die er moeite en kosten aan deed. De kerk Gods is Zijn wijngaard, onderscheiden van anderen, en omtuind, Jesaja 5:1, 2. Wij zijn vijgenbomen, die door onzen doop in dezen wijngaard geplant zijn, wij hebben ene plaats en een naam in de zichtbare kerk, en dit is ons voorrecht en geluk. Het is een onderscheidende gunst: Hij heeft met andere volken alzo niet gedaan.
2. Des eigenaars verwachting er van: hij kwam en zocht vrucht daaraan, en hij had reden haar te verwachten. Hij zond niet, maar kwam zelf, waardoor hij zijn verlangen te kennen gaf om vrucht te vinden. Christus is in deze wereld gekomen, Hij kwam tot de Zijnen, tot de Joden, vrucht zoekende, De God des hemels eist en verwacht vrucht van hen, die een plaats hebben in Zijn wijngaard. Hij heeft Zijn oog op hen, die van het Evangelie genieten, om te zien of hun leven er mede in overeenstemming is, Hij zoekt naar blijken dat de middelen der genade, die zij bezitten, hun goed doen. Bladeren helpen niet, het roepen van Heere, Heere, bloesems zijn niet voldoende-het goed begin, het veel beloven, -er moet vrucht zijn. Onze gedachten, woorden en daden moeten in overeenstemming wezen met het Evangelie, met licht en liefde.
3. De teleurstelling in zijne verwachting. Hij vond ze niet, in het geheel niet, geen enkele vijg. Het is droevig te denken hoevelen de voorrechten genieten van het Evangelie, en toch niets doen tot eer van God, of om te beantwoorden aan het doel, waarmee Hij hun die voorrechten heeft toevertrouwd, en dit is Hem een teleurstelling, en voor den Geest Zijner genade ene smart.
a. Hij klaagt hierover bij den wijngaardenier: Ik kom, zoekende vrucht, maar ben teleurgesteld-Ik vind ze niet, zoekende goede druiven, maar zie, er zijn stinkende druiven, Hij heeft smart van zulk een geslacht.
b. Hij verzwaart dit nog door twee zaken: -dat Hij lang had gewacht en toch werd teleurgesteld. Gelijk Hij niet hoog was in zijne verwachtingen-hij verwachtte slechts vrucht, niet veelvrucht-zo was Hij ook niet haastig, Hij kwam drie jaren, jaar na jaar, dit toepassende op de Joden, Hij kwam in een tijdsbestek voor de Babylonische gevangenschap, in een ander tijdsbestek daarna, en in nog een ander tijdsbestek in de prediking van Johannes de Doper en van Christus zelf. Of het kan een toespeling wezen op de drie jaren van Christus' openbare bediening, die nu ten einde liepen. Over het algemeen leert het ons dat het geduld Gods zich uitstrekt tot lankmoedigheid over velen, die het Evangelie hebben en er geen vruchten van voortbrengen, en van dit geduld wordt een schandelijk misbruik gemaakt, waardoor God tot nog groter strengheid wordt opgewekt. Hoeveel malen drie jaren is God tot menig onzer gekomen, zoekende vrucht, maar heeft er niet gevonden, of zo goed als geen, of erger dan geen. Dat deze vijgenboom niet alleen geen vruchten voortbracht, maar schade deed, hij besloeg onnuttiglijk de aarde, hij nam de plaats in van een vruchtbaren boom, en was schadelijk voor allen, die er om heen stonden. Zij, die geen goed doen, zullen gewoonlijk kwaad doen door den invloed van hun slecht voorbeeld, zij bedroeven en ontmoedigen hen, die goed zijn, zij verharden en bemoedigen hen, die slecht zijn. En de schade is des te groter, en de grond des te meer onnut ingenomen, als het een hoge, breedgetakte boom is, een oude boom, die daar reeds lang stond.
4. Het vonnis, dat er over geveld wordt: Houw hem uit. Hij zei dit tot den wijngaardenier, tot Christus, aan wie al het oordeel is overgegeven, aan de leraren, die in Zijn naam dat oordeel moeten uitspreken. Niets anders kan voor onvruchtbare bomen worden verwacht, dan dat zij uitgehouwen worden. Gelijk de onvruchtbare wijngaard ontmanteld, open en bloot werd gelegd, Jesaja 5:5, 6, zo zullen de onvruchtbare bomen in den wijngaard buiten worden geworpen om te verdorren, Johannes 15:6. Hij wordt uitgehouwen door de oordelen Gods, inzonderheid de geestelijke oordelen, zoals die over de ongelovige Joden, Jesaja 6:9, 10. Hij wordt uitgehouwen door den dood, en in het vuur der hel geworpen, en met reden, want, waarom beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? Wat reden is er voor om hem zonder enig nut een plaats in den wijngaard te geven?
5. De voorbede van den wijngaardenier. Christus is de grote Voorbidder, Hij leeft altijd om voor ons te bidden. Leraren zijn voorbidders, zij, die den wijngaard verzorgen, moeten er voor bidden, voor hen, tot wie wij onze prediking richten, moeten wij bidden, want wij moeten volharden in het gebed en in de bediening des woords. Let nu op: a. Hetgeen waar hij om bidt, namelijk om uitstel: Heere, laat hem ook dit jaar. Hij bidt niet: "Heere, laat hem nooit uitgehouwen worden", maar, "Heere, nu niet." Heere, neem den wijngaardenier niet weg, weerhoud den dauw niet, ruk den boom niet uit." Het is wenselijk dat aan een onvruchtbaren boom nog uitstel wordt verleend. Sommigen hebben nog geen genade om zich te bekeren, maar het is genade voor hen, dat hun nog tijd gelaten wordt om zich te bekeren, gelijk het was voor de oude wereld, waaraan honderd twintig jaren toegestaan werden, om zich met God te verzoenen. Wij zijn het verschuldigd aan Christus, den groten Voorbidder, dat onvruchtbare boom en niet onmiddellijk uitgehouwen worden, zonder Zijn tussenbeide treden ware na de zonde van Adam de gehele wereld uitgehouwen, maar Hij zei: Heere, laat haar, en Hij is het, die alles in wezen houdt. Wij worden aangemoedigd om God te bidden om een genaderijk uitstel voor onvruchtbare vijgenbomen: "Heere, laat hen, verleng hun proeftijd nog, verdraag hen nog een wijle, en wacht om genadig te zijn!" Zo behoren wij in de bres te staan om den toorn af te wenden. Zulk een genadig uitstel is echter maar voor een tijd: Laat hem ook nog dit jaar, een korten tijd, maar voor een voldoenden proeftijd. Als God lang geduld en verdragen heeft, dan kunnen wij hopen dat Hij nog een weinig langer geduld zal hebben, maar wij kunnen niet verwachten dat Hij altijd zal dulden en verdragen. Uitstel kan door het gebed van anderen voor ons verkregen worden, maar gene kwijtschelding, daartoe is ons eigen geloof nodig, onze bekering en ons gebed, zonder dezen gene vergeving.
b. Hoe hij belooft dit uitstel te zullen benuttigen, als het verkregen is: totdat ik om hem gegraven en mest zal gelegd hebben. Ons gebed moet over het algemeen gesteund worden door onze pogingen. De wijngaardenier schijnt te zeggen: "Heere, wellicht ben ik tekort gekomen in hetgeen ik er voor te doen had, maar laat hem nog dit jaar, en dan zal ik meer doen om hem vruchtbaar te maken." Aldus moeten wij in al onze gebeden vragen om Gods genade met een nederig voornemen en besluit om onzen plicht te doen, want anders spotten wij met God, en tonen dat wij de genade, waarom wij bidden, niet recht waarderen. Wij moeten, inzonderheid als wij God bidden om genade voor ons zelven of anderen, ons gebed laten volgen door naarstigheid in het gebruik van de middelen der genade. De wijngaardenier belooft het zijne te doen, en daarin leert hij evangeliedienaars het hun te doen. Hij zal om den boom graven en er mest om leggen. Onvruchtbare Christenen moeten wakker geschud worden door den schrik des Heeren, de verschrikkingen der wet, waardoor het braakland gebraakt wordt, en daarna moeten zij aangemoedigd worden door de beloften des Evangelies, die verwarmen en vet maken, zoals mest den boom. Beide methodes moeten beproefd worden, de ene is een toebereiding voor de andere.
c. Hoe hij de zaak nu laat: "Laat ons beproeven en zien wat wij in een jaar nog kunnen doen, en, zo hij dan vrucht draagt, laat hem staan, vers 9. Het is mogelijk, ja meer, er is hoop, dat hij nog vruchtbaar zal worden". In die hoop zal de eigenaar er nog geduld mede hebben, en de wijngaardenier zal er zich moeite mede geven, en, indien het den gewensten uitslag heeft, zullen beiden er zich in verblijden, dat hij niet uitgehouwen werd. De woorden: "laat hem staan" zijn niet in den oorspronkelijken tekst, de uitdrukking is kort, afgebroken als het ware: "Indien hij vrucht zal voortbrengen"! -vul den zin aan naar uw goedvinden, zodat hij uitdrukt hoezeer eigenaar en wijngaardenier verblijd zullen zijn. Indien hij vrucht voortbrengt, zal er oorzaak zijn tot vreugde, tot verheuging, want dan hebben wij wat wij wensten. Maar het kan niet beter uitgedrukt worden dan zoals wij het doen door het woord wel . Als onvruchtbare belijders van den Godsdienst na lang onvruchtbaar geweest te zijn zich bekeren en vruchten voortbrengen, dan zullen zij bevinden, dat alles wel is. God zal verblijd zijn, want Hij zal geprezen en verheerlijkt worden, des leraars handen zullen gesterkt worden, en zulke boetvaardigen zullen thans blijdschap hebben en weldra hun kroon ontvangen. Ja meer, er zal blijdschap over wezen in den hemel, de aarde zal niet langer onnut worden beslagen, maar verbeterd zijn, de wijngaard verfraaid en de goede bomen er in beteren toestand gebracht worden. Wat den boom zelf betreft, het is er wel mede, niet alleen zal hij niet uitgehouwen worden, maar zegen van God ontvangen, Hebreeën 6:7. Hij zal gereinigd worden en meer vrucht dagen, Johannes 15:2, want de Vader is de landman, die hem verzorgt, en ten laatste zal hij van den wijngaard op aarde overgeplant worden in het paradijs hierboven. Maar Hij laat er op volgen: Indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen. Merk hier op: Dat God, hoewel Hij onvruchtbare belijders lang verdraagt, hen toch niet altijd zal verdragen, Zijn geduld zal een einde nemen, en zo het misbruikt wordt, zal het plaats geven aan den toorn, die geen einde neemt. Onvruchtbare bomen zullen ten laatste voorzeker uitgehouwen en in het vuur worden geworpen. Hoe langer God gewacht heeft, en hoe meer Hij aan hen ten koste gelegd heeft, hoe groter hun verderf zal zijn. Uitgehouwen te worden daarna, na al deze verwachtingen er van, die gesprekken er over, die zorg er voor, dat zal treurig wezen, voorwaar, en het oordeel zal er door verzwaard worden. Het uithouwen is wel een werk, dat gedaan zal worden, maar het is geen werk, waarin God behagen schept, want let hier op: de eigenaar zei tot den wijngaardenier: Houw hem uit, want hij beslaat onnuttelijk de aarde. "Neen", zegt de wijngaardenier, "indien dit ten laatste geschieden moet, gij zult hem uithouwen, laat mijne hand daar niet in wezen". Zij, die thans voorbede doen voor onvruchtbare bomen en aan hen arbeiden, zullen, als die bomen onvruchtbaar blijven, tevreden zijn om ze uitgehouwen te zien, en zullen dan ook geen woord meer ten hunnen gunste hebben te zeggen. Hun beste vrienden zullen berusten in het rechtvaardig oordeel Gods, ja meer, ten dage, dat het geopenbaard zal worden, zullen zij het toejuichen en loven, Openbaring 15:3, 4.