Deuteronomium 26:12-15
De wet betreffende de beschikking over hun tienden in het derde jaar hadden wij tevoren in Hoofdstuk 14:28, 29. De tweede tienden, die in de andere twee jaren gebruikt werden voor buitengewone feestmaaltijden, moesten in het derde jaar thuis besteed worden om de armen te onthalen. Omdat dit nu niet onder het oog van de priesters geschiedde, en er groot vertrouwen werd gesteld in het volk, dat zij er eerlijk over zullen beschikken overeenkomstig de wet, voor de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, vers 12, werd vereist dat zij, als zij bij het volgende feest voor het aangezicht des Heeren verschenen, zullen betuigen, als het ware onder ede, op een Godsdienstige wijze dat zij zich in deze trouw en eerlijk van hun plicht hadden gekweten.
I. Zij moesten een plechtige verklaring hiervan afleggen, vers 13, 14,
1. Dat geen heilige dingen door hen bewaard waren: Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, er is niets anders in gebleven dan hetgeen mijn deel is.
2. Dat de armen, inzonderheid arme leraren, arme vreemdelingen en arme weduwen, hun deel gehad hebben overeenkomstig het gebod. Het is voegzaam dat God, die door Zijn voorzienigheid ons alles geeft wat wij hebben, ons door Zijn wet zal besturen in het gebruik er van. En hoewel wij nu niet onder zulke bijzondere wetten leven ten opzichte van het gebruik van onze inkomsten, als zij, is ons toch in het algemeen geboden aalmoezen te geven van hetgeen wij hebben, dan, en niet anders, zijn ons alle dingen rein. Het lieflijke van onze bezittingen kunnen wij dan eerst genieten, als God er uit ontvangen heeft wat Hem toekomt. Dat is een gebod hetwelk niet overtreden moet worden, ja zelfs niet met de verontschuldiging, dat het vergeten was, vers 13.
3. Dat niets uit deze tienden verkeerd werd aangewend tot gewoon gebruik. Dit schijnt te verwijzen naar de tienden van de twee andere jaren, die door de eigenaars zelf gebruikt moesten worden in feestmaaltijden. Zij moeten verklaren:
a. Dat zij er niet van gegeten hadden in hun leed, wanneer zij door hun rouwbedrijf over de doden gewoonlijk onrein waren, of zij hadden er niet met spijt of leedwezen van gegeten, zoals degenen, die al hun dagen in duisternis hebben gegeten.
b. Dat zij het niet heiligschennend vervreemd hebben tot enigerlei gewoon gebruik, want het was het hun niet. En:
Eindelijk. Dat zij niets daarvan gegeven hebben tot een dode, ter ere van hun dode goden, of in de hoop het van nut te doen zijn voor hun dode vrienden. Dat zij nu verplicht waren aan het einde van de drie jaren deze plechtige verklaring af te leggen, bracht de verplichting voor hen mee om getrouwelijk te handelen, wetende dat zij geroepen zullen worden om zich aldus te zuiveren. Het is onze wijsheid om ten allen tijde ons geweten rein te houden, opdat wij, als wij geroepen worden om rekenschap af te leggen, ons aangezicht zonder vlek kunnen opheffen, Job 11:15, de Joden zeggen dat zij deze verklaring van hun oprechtheid met zachte stem moesten afleggen, omdat zij de schijn had van eigen lof te zijn, maar dat de voorafgaande belijdenis van Gods goedheid met luider stem moest uitgesproken worden, tot Zijn eer en verheerlijking. Hij, die deze verklaring niet durfde afleggen, moest zijn zondoffer brengen, Leviticus 5:15. II. Bij deze plechtige verklaring moesten zij een plechtig gebed voegen, vers 15, niet bijzonder voor zichzelf maar voor Gods volk van Israël, want in de algemene vrede en voorspoed zal ieder afzonderlijk persoon vrede en voorspoed hebben. Hieruit moeten wij leren anderen te gedenken in ons gebed, met God te worstelen om een zegen over ons land en volk ons Israël, en voor de algemene kerk, waarop ons bevolen wordt het oog te hebben in onze gebeden, als het Israël Gods, Galaten 6:16. 6 In dit gebed wordt ons geleerd:
1. Tot God op te zien als in een heilige woning, en daaruit af te leiden dat heiligheid Zijn huize sierlijk is, en dat Hij in hen, die tot Hem naderen, geheiligd wil wezen.
2. Te steunen op de gunst van God en Zijn genaderijke kennisneming, als genoegzaam om ons en ons volk gelukkig te maken.
3. Het een wondervolle neerbuigende goedheid van God te achten, dat Hij het oog wil slaan zelfs op een anderszins zo grote en aanzienlijke vereniging van mensen als Israël was. Het is een neerzien.
4. Om vurig te zijn in ons gebed tot God om een zegen voor Zijn volk Israël, en op het land dat Hij ons heeft gegeven. Want hoe zou het land zijn inkomst geven, of, al gaf het die ook, welk genot kunnen wij er van hebben indien daarmee God, onze God, ons niet zegende? Psalm 67:7.