2 Timotheus 2:1-7
Hier moedigt de apostel Timotheus aan tot standvastigheid en volharding in zijn werk.
Word gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is, vers 1. Zij, die werk voor God te doen hebben, moeten zich zelven opwekken om het te verrichten en er zich voor laten versterken. Sterk zijn in de genade, die in Christus Jezus is, kan opgevat worden als tegenstelling van zwakheid in de genade. Waar de waarheid der genade is, daar moet gestreefd worden naar de kracht der genade. Wanneer onze beproevingen toenemen, hebben wij behoefte om sterker en sterker te worden in hetgeen goed is, ons geloof sterker, ons besluit sterker, onze liefde tot God en Christus sterker. Ook kan men de uitdrukking opvatten als tegenstelling tegen sterkte in eigen kracht. Wees sterk, niet vertrouwende op uw eigen genoegzaamheid, maar op de genade, die in Christus Jezus is. Vergelijk Efeze 6:10 :Wordt krachtig in den Heere en in de sterkte Zijner macht. Toen Petrus beloofde liever te zullen sterven voor Christus dan Hem te verloochenen, was hij sterk in eigen kracht, indien hij sterk geweest ware in de genade, die in Christus Jezus is, dan zou hij staande gebleven zijn.
1. Er is genade in Christus Jezus, want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus geworden, Johannes 1:17. Er is genoeg genade in Hem voor ons allen.
2. Wij moeten sterk zijn In die genade, niet in ons zelven, in onze eigen kracht, of in de genade die wij reeds ontvangen hebben, maar in de genade, die in Hem is, dat is de weg om gesterkt te worden in de genade.
3. Paulus vermaant Timotheus als een vader zijn zoon, met grote tederheid en genegenheid: Gij dan mijn zoon, word gesterkt, enz. Merk op:
I. Timotheus moest rekenen op lijden, zelfs ten bloede toe, en daarom moest hij anderen opleiden om hem op te volgen in de bediening van het Evangelie, vers 2. Hij moest anderen onderrichten en hen oefenen voor de bediening, en zo aan anderen toevertrouwen hetgeen hijzelf gehoord had. Hij moest hen ook ordenen tot de bediening, het Evangelie in hun handen toevertrouwen, en hun ook op die wijze overdragen hetgeen hij gehoord had. Op twee dingen moest hij letten bij het ordenen van dienaren. Op hun getrouwheid of oprechtheid. Betrouw dat aan getrouwe mensen, wier doel oprecht is de verheerlijking Gods, de eer van Christus, het welzijn der zielen en de komst van het koninkrijk des Verlossers onder de mensen. En ook op hun geschiktheid voor de bediening. Zij moesten niet alleen zelfkennis hebben, maar ook bekwaam zijn om anderen te leren. Hier zien wij:
1. De dingen, welke Timotheus aan anderen moest toevertrouwen, hetgeen hij van den apostel gehoord had onder vele getuigen, hij moest niet iets anders overgeven, en wat Paulus hem en anderen toevertrouwd had, had deze ontvangen van den Heere Jezus Christus.
2. Hij moest het hun toevertrouwen als een pand, als heilige in bewaargeving, zij moesten het behouden en onverminkt weer aan anderen overdragen.
3. Zij, aan wie hij deze dingen moest toevertrouwen, moesten betrouwbare mannen zijn, en instaat om anderen te onderwijzen. 4. Ofschoon die mensen betrouwbaar en bekwaam waren, moesten die dingen hun betrouwd worden door Timotheus, een dienaar, een man in het ambt, want niemand mag zich zelven voor de bediening opwerpen, maar deze dingen moeten hem toebetrouwd worden door hen, die reeds in de bediening zijn.
II. Hij moest verdrukkingen lijden, vers 3.
Gij dan, enz.
1. Alle Christenen, maar vooral de dienaren, zijn krijgsknechten van Jezus Christus, zij strijden onder Zijne banier, voor Zijne zaak, tegen Zijne vijanden, want Hij is de Leidsman onzer zaligheid, Hebreeën 2:10.
2. De krijgsknechten van Jezus Christus moeten tonen goede krijgsknechten te zijn, getrouw aan hun aanvoerder, beslist voor Zijn zaak, en moeten het zwaard niet opsteken alvorens zij meer dan overwinnaars zijn door Hem, die hen liefgehad heeft, Romeinen 8:37.
3. Zij, die goede krijgsknechten van Jezus Christus zijn, moeten verdrukkingen lijden, dat is: zij moeten die verwachten en er op rekenen in deze wereld, moeten ze verdragen en er zich aan gewennen, en ze met lijdzaamheid doorstaan, wanneer ze komen, en er niet door bewogen worden van hun getrouwheid.
III. Hij moet zich niet wikkelen in de zaken dezer wereld, vers 4. Een soldaat, wanneer hij ingelijfd wordt, verlaat zijn beroep en al wat daaraan vast is, om alleen te letten op de bevelen van zijn overste. Indien wij ons aangegeven hebben als krijgsknechten van Christus, moeten wij niet aan de wereld gehecht zijn, en ofschoon het niet anders kan of wij moeten ons wel in meerdere of mindere mate bemoeien met de zaken dezer wereld, omdat wij hier zolang we hier zijn altijd iets te doen hebben, mogen wij niet ingewikkeld worden in die dingen, zodat wij door deze verstrooid en afgetrokken worden van onzen plicht jegens God en de grote belangen van het Christendom. Zij, die den goeden strijd zullen strijden, moeten los van de wereld zijn, om Hem te behagen, die hen tot den krijg aangenomen heeft. De grote zorg van den soldaat is hoe hij zijn aanvoerder behagen zal, de grote zorg van den Christen moet zijn hoe hij Christus behagen zal. De wijze om Hem te behagen, die ons gekozen heeft om Zijne krijgsknechten te zijn, is niet ingewikkeld worden in de zaken van dit leven, maar van zulke banden vrij te blijven, die ons in den heiligen oorlog verhinderen zouden.
IV. Timotheus moest toezien dat hij in den geestelijken strijd de krijgswetten in acht nam en opvolgde, vers 5. Indien iemand ook strijdt, die wordt niet gekroond tenzij hij wettiglijk heeft gestreden. Wij strijden om te overwinnen, onze lusten en gebreken te overwinnen, uit te munten in hetgeen goed is, maar wij kunnen den prijs niet verwachten tenzij wij wettiglijk gestreden hebben. In het doen van hetgeen goed is, moeten wij zorgen dat wij het op de rechte wijze doen, opdat ons goed niet gelasterd worde.
1. Een Christen strijdt om te overwinnen, zijn doel moet zijn zijne lusten en gebreken te overwinnen.
2. Hij moet daarbij strijden naar de hem gegeven bevelen, hij moet wettiglijk strijden. 3. Die dat doen, zullen gekroond worden, nadat de volledige overwinning behaald is.
V. Hij moet gewillig wachten op de beloning, vers 6. De landman, als hij arbeidt, moet alzo eerst de vruchten verwachten. Of, gelijk men eigenlijk behoort te lezen: De landman moet eerst arbeiden en alzo de vruchten verwachten. (Verg. Jakobus 5:7.) Zo wij vruchten willen oogsten, moeten wij eerst werken, zo wij den prijs willen winnen, moeten wij eerst lopen. En voorts, wij moeten eerst evenals de landman met vlijt en geduld werken, alvorens wij vruchten verkrijgen, wij moeten den wil van God volbrengen, alvorens wij de beloften verkrijgen, en daarom hebben wij behoefte aan lijdzaamheid, Hebreeën 10:36. De apostel beveelt verder hetgeen hij gezegd heeft Timotheus ter ernstige overweging aan en drukt zijn verwachting en hoop daaromtrent uit. Merk hetgeen ik zeg, doch de Heere geve u verstand in alle dingen.
1. Paulus vermaant Timotheus om op de dingen te letten, waaromtrent hij hem onderricht had. Timotheus moest aangespoord worden om zijn verstand te gebruiken bij de overweging van de dingen Gods. Opmerken is nodig, evenzeer voor een goeden wandel als voor een gezonde bekering.
2. Hij bidt voor hem: De Heere geve u verstand in alle dingen. Het is God, die verstand geeft. De meest-begaafde heeft voortdurend meer behoefte aan deze gave. Indien Hij, die ons in Zijn Woord Zijn openbaring gaf, er het verstand in onze harten niet bij geeft, dan zijn wij niets. Tegelijk met onze gebeden voor anderen, dat de Heere hun verstand geve in alle dingen, moeten wij hen vermanen en opwekken om op te merken hetgeen wij zeggen, want overwegen is het middel om te verstaan, te herinneren en in praktijk te brengen hetgeen wij horen en lezen.