37. Dit, wat van
hoofdstuk 1:1-
7,
27 gezegd met hetgeen vroeger (
Exodus 29:19) verhaald is, is de wet van het brandoffer, het spijsoffer, het zondoffer, het schuldoffer, het vuloffer en het dankoffer. 1)
1) Met dit slotwoord wijst Mozes aan, dat ervoor gezorgd is, dat niets bijkomstigs binnensloop, voortgekomen uit de gedachten van de mensen, tot verontreiniging van de offeranden. Door het ten dage, zegt hij, dat God op de berg Sinaï de offeranden heeft ingesteld, welke men Hem zou offeren en dat hij niets waarnemenswaardigs heeft weggelaten, opdat de mens niets zou durven volbrengen, tenzij wat in de wet was voorgeschreven. En zeker, omdat hij alle ceremoniën zo getrouw heeft samengevat, daaruit is gemakkelijk op te maken, hoezeer de onbezonnenheid om iets na te laten is te mijden en tegelijk iets uit stoutmoedigheid te verzinnen. Maar doel was alzo, door deze korte herinnering, het volk tot bezadigdheid te vermanen, opdat het de door God gestelde grenzen niet zou overschrijden..
Hiermee wordt het wetboek omtrent de offers afgesloten. Alle offeranden waren Verbondsplechtigheden en bedoelden de instandhouding van het Verbond, dat de Heere God met Zijn volk Israël had gesloten..