2 Kronieken 8:12-18
1. Hier is Salomo's handeling ten opzichte van de Godsdienst. Het bouwen van de tempel geschiedde voor de dienst van de tempel, welke moeite en onkosten hij ook aan de bouw besteed had, het zou nutteloos geweest zijn, indien hij de dienst had veronachtzaamd, die daar geschieden moest. Anderen te helpen in hun Godsdienstige verrichtingen zal ons eigen verzuim er van niet vergoeden of verontschuldigen. Toen Salomo de tempel gebouwd had:
A. Heeft hij er de heilige offeranden gebracht, overeenkomstig de wet van Mozes, vers 12, 13.
Tevergeefs zou het altaar gebouwd zijn, en tevergeefs het vuur van de hemel nedergedaald, indien niet voortdurend offers gebracht waren tot voedsel voor dat altaar en als brandstof om dat vuur te onderhouden. Er waren dagelijkse offers naar de eis van elke dag, er waren wekelijkse offers op de sabbat, wanneer het dubbele geofferd werd van de andere dagen, er waren maandelijkse offers bij de nieuwe maanden, en jaarlijkse offers op de drie plechtige feesten.
Het zijn geestelijke offeranden, die thans van ons geëist worden, die wij dagelijks en wekelijks moeten brengen, en het is goed om een vaste methode in onze Godsdienstige verrichtingen te volgen.
B. Hij hield de heilige liederen aan naar het gebod van David, die hier de man Gods wordt genoemd, zoals Mozes dit geweest is, omdat hij beide onderricht en gemachtigd was door God, om deze instellingen te maken, en Salomo droeg zorg dat zij waargenomen werden, naar de eis van elke dag, vers 14.
Hoewel Salomo een wijs en groot man was en de bouwer van de tempel, heeft hij toch niet gepoogd om hetgeen de man Gods in de naam Gods had geboden, te veranderen of te verbeteren, of er iets aan toe te voegen, maar er zich stipt aan gehouden, en zijn gezag gebruikt om het nauwkeurig te doen opvolgen, en toen week men niet van des konings gebod aangaande alle zaak, vers 15.
Hij nam Gods wetten waar en toen hebben allen zijn orders opgevolgd. Toen de tempeldienst aldus goed geregeld was toen was het dat gezegd werd, dat het huis des Heeren volmaakt werd, vers 16. Het werk niet de plaats, was de voorname zaak, voordat dit alles in orde was gebracht, was de tempel onvoltooid.
2. Salomo's koophandel. In eigen persoon heeft hij de zeehavens van Eloth en Ezeon-Geber bezocht, want zij, die veel in de wereld verkeren, zullen het in hun belang vinden om, zoveel zij kunnen, zelf het oog houden op hun zaken en uit hun eigen ogen te zien, vers 17.
Kanaän was een rijk land, en toch moet naar Ofir gezonden worden om goud. De Israëlieten waren een wijs en verstandig volk, en toch hebben zij de koning van Tyrus nodig om hun mannen te zenden, die kenners waren van de zee, vers 18, en toch was Kanaän Gods bijzonder land, en Israël Gods bijzonder volk, wat ons leert, dat genade, en niet goud, de beste rijkdom is, en bekendheid met God en Zijn wet, niet met kunsten en wetenschappen, de beste kennis is.