Hooglied 1:1
Wij hebben hier de titel van het boek, aantonende:
1. De aard ervan. Het is een lied, opdat het des te beter aan de bedoeling zou beantwoorden, welke is: de genegenheden op te wekken, ze te verwarmen, en daartoe kan poëzie zeer dienstig zijn. Het onderwerp is aangenaam, en daarom voegt om in een lied te worden behandeld, in het zingen waarvan wij de Heer kunnen psalmzingen in ons hart. Het is evangelisch, en evangelietijden behoren tijden te zijn van blijdschap, want evangeliegenade geeft een nieuw lied in onze mond. Psalm 98:1.
2, De waardigheid ervan, het is het lied van de liederen, een zeer uitnemend lied, niet alleen boven ieder menselijk gedicht of boven alle andere liederen, die Salomo geschreven heeft, maar zelfs boven de andere liederen in de Schrift, daar er meer van Christus in is.
3. De schrijver ervan. Het is van Salomo. Het is niet het lied van dwazen, zoals vele minnezangen dit zijn, maar het lied van de wijste van de mensen, en niemand kan een beter bewijs geven van zijn wijsheid dan door de liefde van God te bezingen voor het mensdom, en zijn eigen liefde tot God op te wekken, en daarmee ook die van anderen. Salomo's liederen waren duizend en vijf, 1 Koningen 4:32, zij die iets anders tot onderwerp hadden, zijn verloren gegaan, maar dit lied van hemelse liefde blijft, en zal in wezen blijven tot aan het einde des tijds. Evenals zijn veder was Salomo een beminnaar en beoefenaar van poëzie, en waarin van de mensen gaven en talenten ook bestaan zij moeten trachten er God door te verheerlijken en de kerk er mee te stichten. Eén van de namen van Salomo was Jedidjah, beminde des Heeren, 2 Samuël 12:25, en niemand was zo geschikt om over de liefde des Heeren te schrijven als hij, die er zo grotelijks in deelde, geen van de apostelen heeft zoveel geschreven over de liefde, als hij, die de beminde discipel was en aan Christus' borst heeft gerust. Als koning had Salomo grote en gewichtige zaken te besturen en te behartigen, die zijn gedachten bezighielden, en veel van zijn tijd in beslag namen, toch had hij lust in en vond hij tijd voor deze en andere godsdienstige oefeningen. Mensen van zaken behoren vrome mensen te zijn, en zij moeten niet denken dat hun drukke zaken hen vrijstellen van hetgeen voor alle mensen de grote zaak is: gemeenschap te onderhouden met God. Het is niet zeker wanneer Salomo dit gewijde lied geschreven heeft. Sommigen denken dat hij het schreef nadat hij door de genade van God opgericht was van zijn diepe val, zijn afval van God, als een verder bewijs van zijn berouw, en alsof hij door aan velen goed te doen met dit lied, vergoeding wilde bieden voor het kwaad dat hij misschien aan velen gedaan had met loszinnige, ijdele minneliederen, toen hij vele vreemde vrouwen liefhad, nu gebruikte hij zijn vernuft op de juiste wijze. Het is meer waarschijnlijk dat hij het schreef in het begin van zijn tijd, toen hij zich nog dicht aan God hield en zijn gemeenschap met Hem bleef onderhouden, en misschien heeft hij dit lied met de psalmen van zijn vader in de hand van de opperzangmeester gegeven voor de tempeldienst, niet zonder een sleutel er toe voor het juiste verstaan ervan. Sommigen denken dat het geschreven was bij gelegenheid van zijn huwelijk met Farao's dochter, maar dat is onzeker, de toren van Libanon, waarvan melding wordt gemaakt in dit boek, Hoofdstuk 7:4, was niet gebouwd, naar men veronderstelt dan lang na dit huwelijk. Wij kunnen redelijkerwijs denken dat hij op de hoogte van zijn voorspoed, de Heer liefhad, 1 Koningen 3:3. Aldus diende hij de Heer met vrolijkheid en goedheid des harten vanwege de veelheid van alles. Het kan aldus worden overgezet: Het lied van de liederen betreffende Salomo, die als de zoon en opvolger van David, op wie het verbond van het koninkrijk bij erfrecht was overgegaan, als de stichter van de tempel, en als een man die voortreffelijk was in wijsheid en daarbij zeer rijk was, een type van Christus is geweest, in wie al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn, en die een meerdere is dan Salomo, daarom is dit een lied betreffende Hem. Het is hier gevoegelijk geplaatst na de Prediker, want als wij door dat boek door en door overtuigd zijn geworden van de ijdelheid van de wereld, de ijdelheid van het schepsel en zijn ongenoegzaamheid om ons voldoening te schenken en ons gelukkig te maken, dan zullen wij opgewekt worden om ons geluk te zoeken in de liefde van God, de liefde van Christus, en het ware, alles overtreffende genot, dat alleen gevonden wordt in gemeenschap met God door Hem. De stem in de woestijn, die de weg voor Christus moest bereiden riep: Alle vlees is gras.