Leviticus 20:22-27
Het laatste vers bevat een bijzondere wet welke komt na het algemene slot, alsof zij op haar eigen plaats uitgelaten was, namelijk het terdoodbrengen van hen, die een waarzeggende geest hadden, of duivelskunstenaars waren, vers 27. Het zou een grote belediging zijn van God en van Zijn levend woord, een ergernis voor het land, en een verzoeking voor onwetende, slechte mensen om hen te raadplegen, als men de zodanigen kende en onder hen liet leven. Zij, die in verbond zijn met de duivel, hebben in werkelijkheid een verbond gemaakt met de dood en een overeenkomst gesloten met de hel, en zo zal dan hun oordeel wezen.
De overigen van deze verzen herhalen wat tevoren gezegd is, om het nog dieper in te prenten in het hart, want dit onnadenkend, vergeetachtig volk had regel op regel nodig, op algemene wetten met de redenen ervan moest dikwijls bij hen worden aangedrongen, om ook aan de bijzondere wetten meer kracht bij te zetten. Drie dingen worden ons hier in de herinnering gebracht.
1. Hun waardigheid.
a. Zij hadden de Heere tot hun God, vers 24. Zij waren de zorg van Hem, Zijn keus, Zijn schat, Zijn juwelen Zijn priesterlijk koninkrijk, vers 26, opdat gij Mijn zoudt zijn. Gelukkig is het volk, en waarlijk groot, waarmee dit het geval is.
b. Hun God was een heilig God, vers 26, ver boven alle anderen. Zijn heiligheid is Zijn heerlijkheid en het was hun eer tot Hem in betrekking te staan, terwijl hun naburen de schandelijke aanbidders waren van onreine geesten.
c. De grote God had hen afgezonderd van andere volken, vers 24, en wederom in vers 26. Andere natiën waren het gewone veld, zij waren de omheinde hof, versierd en verrijkt met bijzondere voorrechten, en bestemd voor bijzondere eer. Laat hen zich dan daarnaar schatten, hun eer bewaren en haar niet in het stof leggen, door op de weg van de heidenen te wandelen.
2. Hun plicht, en deze vloeit voort uit hun waardigheid. God had voor hen meer gedaan dan voor anderen, en daarom verwachtte Hij meer van hen dan van anderen. En wat is het dat de Heere, hun God, uit aanmerking van de grote dingen, die Hij reeds voor hen gedaan heeft en nog voornemens is voor hen te doen, van hen eist? Onderhoudt al Mijn inzettingen, vers 22, en er was alle reden voor dat zij dit zouden doen, want de inzettingen waren hun eer, en gehoorzaamheid er aan zal hun duurzaam welzijn wezen.
b. Wandelt niet in de inzettingen van het volk, vers 23. Van hen afgezonderd zijnde, moeten zij zich niet met hen vergezellen om hun wegen te leren. De inzettingen van het volk waren al slecht genoeg voor hen, maar zouden nog veel slechter zijn voor Gods volk.
c. Gij zult onderscheid maken tussen rein en onrein, vers 25. Dit is heiligheid: te onderscheiden tussen dingen, die van elkaar verschillen, niet vrij te leven, alsof wij maar alles mochten doen en alles mochten zeggen, maar spreken en handelen met omzichtigheid.
d. Gij zult uw zielen niet verfoeilijk maken, vers 25. Onze voortdurende zorg moet wezen om de eer van onze ziel te bewaren door haar reinheid te bewaren, en nooit iets te doen, waardoor zij verfoeilijk zou worden voor God en ons geweten. 3. Hun gevaar. a. Zij gingen heen naar een besmette plaats, vers 24. Gij zult hun land erfelijk bezitten. Een land, wel vloeiende van melk en honing, waarvan zij het gerieflijke en aangename zullen genieten, maar daarbij was het ook een land, vol van afgoden, afgoderijen en bijgelovige gebruiken, die zij zeer geneigd zullen zijn aan te nemen, daar zij uit Egypte een zonderlinge aanleg hadden medegebracht om er door besmet te worden.
b. Indien zij er door besmet werden, dan zou dit noodlottige gevolgen voor hen hebben. De Kanaänieten zullen om diezelfde zonden uitgeworpen worden, al deze dingen hebben zij gedaan, daarom ben Ik voor hun verdrietig geworden vers 23. Zie welk een boze zaak de zonde is, zij maakt dat God van Zijn eigen schepselen verdrietig wordt hen verafschuwt, terwijl Hij zich anders verlustigt in het werk van Zijn handen. Indien nu de Israëlieten in de voetstappen wandelen van hun goddeloosheid, dan moeten zij verwachten dat het land ook hen zal uitspuwen vers 22 gelijk Hij hun tevoren gezegd heeft, hoofdst. 18:28. Indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, maar ze heeft afgebroken, dan zal Hij ook de ingeënte takken niet sparen, indien deze ontaarden. Zo staat de verwerping van de Joden daar als een waarschuwing voor alle Christelijke kerken, om wèl toe te zien, opdat het koninkrijk Gods niet van haar weggenomen zal worden. Zij, die evenals anderen zondigen moeten verwachten er evenals zij voor gestraft te zullen worden, en dan zal haar belijdenis van tot God in betrekking te staan, haar niet beveiligen.