Leviticus 1:3-9
Als iemand rijk was en het kon missen, dan werd verondersteld dat hij zijn brandoffer, waarmee hij bedoelde God te eren, uit zijn runderen zou brengen, uit zijn groot vee. Hij, die acht dat God de beste is van wat is, zal besluiten om Hem het beste te geven van hetgeen hij heeft, want anders geeft hij Hem niet de eer van Zijn naam. Indien dus iemand besluit een rund te slachten, niet om er zijn gezin en zijn vrienden op te onthalen, maar als een offer aan zijn God, dan moeten deze regelen zeer zorgvuldig worden gevolgd.
1. Het dier, dat geofferd zou worden, moet een mannetje zijn, een volkomen mannetje, dat is: het moet zonder gebrek wezen, en het beste van wat hij op zijn weide heeft. Daar het zuiver en alleen bestemd is voor de eer van Hem, die oneindig volkomen is, moet het ook het volkomenste van zijn soort wezen. Dit duidt de volkomen kracht en reinheid aan, die in Christus waren, het stervende offer, en de oprechtheid van hart en onberispelijkheid van leven, die in Christenen behoren te wezen, die Gode als levende offeranden worden voorgesteld. In letterlijke zin is echter in Christus Jezus man noch vrouw, en is geen natuurlijk gebrek van het lichaam een hinderpaal voor ons welbehaaglijk zijn aan God, doch alleen de zedelijke gebreken en mismaaktheden, welke door de zonde in de ziel zijn gekomen.
2. De eigenaar moet het naar zijn welgevallen, dat is vrijwillig, offeren. Wat in de godsdienst gedaan wordt om Gode te behagen, moet door geen anderen drang gedaan worden, dan door de drang van de liefde. God heeft een welgevallen aan een gewillig volk, en de blijmoedigen gever heeft Hij lief. Ainsworth en anderen lezen het, niet als het beginsel, maar als het doel, van de offerande, laat hem het offeren voor zijn gunstige aanneming door de Heer, of opdat de Heer een welgevallen aan hem heeft. Laat hem zich dit voorstellen als het doel, waarmee hij zijn offer brengt, en laat zijn oog vast op dat doel gericht zijn-opdat hij de Heere welbehaaglijk zij," Diegenen alleen zullen Hem welbehaaglijk zijn in hun godsdienstige verrichtingen, die dit in oprechtheid begeren en bedoelen, 2 Corinthiërs 5:9.
3. Het moet geofferd worden aan de deur van de tent van de samenkomst, waar het koperen brandofferaltaar stond, dat de gave heiligde, en nergens anders. Hij moet het offeren aan de deur, als een, die onwaardig is om binnen te gaan, en erkennende dat de zondaar niet anders toegelaten wordt in het verbond en de gemeenschap met God, dan door offerande, maar hij moet het offeren aan de deur van de tent van de samenkomst, ten teken van zijn gemeenschap met geheel de kerk van Israël, zelfs in zijn bijzondere, persoonlijke dienst.
4. Die het offer brengt moet zijn hand op het hoofd van zijn offer leggen, vers 4. "Hij moet," zeggen de Joodse geleerden, "allebeide zijn handen met al zijn kracht tussen de hoornen van het offerdier leggen," om daarmee te kennen te geven:
a. De overdracht van al zijn recht op, en deel in, het dier aan God, en door het met zijn eigen handen over te leveren, het wezenlijk afstaande voor Zijn dienst.
b. De bekentenis dat hij verdiende te sterven en bereid zou geweest zijn te sterven, indien God het had geëist ten diepste van Zijn eer en ter verkrijging van Zijn gunst.
c. Een steunen en betrouwen op het offer, als een ingesteld type van het grote offer, waarop ons aller ongerechtigheid gelegd zou worden. Sommigen denken dat de apostel de mystieke betekenis van de offers, en inzonderheid van deze ritus, bedoelt met "de oplegging van de handen" Hebreeën 6:2, dat een type was van het Evangelisch geloof. Dat hij, die het offer bracht, zijn hand op het hoofd van het offer legde, moest zijn begeerte aanduiden, en zijn hoop, dat het voor hem aangenaam zij om hem te verzoenen. De brandoffers hadden geen betrekking tot een bijzondere zonde, zoals dit met het zondoffer het geval was, zij moesten verzoening doen voor zonde in het algemeen, en hij, die zijn hand op het hoofd van een brandoffer legde, moest belijden dat hij nagelaten heeft wat hij had behoren te doen, en gedaan heeft wat hij niet had moeten doen, en bidden, dat, of ofschoon hij zelf verdiend had te sterven, de dood van zijn offer aangenomen mocht worden tot uitdelging van zijn schuld.
5. Het offer moest geslacht worden door de priesters of Levieten voor het aangezicht van de Heer, dat is: op vrome, godsdienstige wijze, met het oog op God en Zijn eer. Dit betekende dat onze Heere Jezus Zijn ziel, of Zijn leven, zal stellen tot een offer voor de zonde. Messias, de Vorst moet uitgeroeid worden als een offer, maar het zal niet voor Hemzelf zijn, Daniël 9:26. Het betekende ook dat in christenen, die levende offeranden zijn, het dierlijke gedood, het vlees met zijn verdorven neigingen en lusten, en al de begeerten van het bloot dierlijk leven, gekruisigd moet worden.
6. De priesters moesten het bloed rondom het altaar sprengen, vers 5, want het bloed het leven zijnde, is het het bloed, dat verzoening doet voor de ziel. Dit betekende dat onze Heer Jezus met het storten van Zijn bloed het oog heeft gehad op de gerechtigheid, van zijn Vader en het handhaven van Zijn gekrenkte eer, "Hij heeft zich voor God onstraffelijk opgeofferd." Het betekende ook de bevrediging en reiniging van ons geweten door het, in het geloof, te besprengen met het bloed van Jezus Christus, 1 Petrus 1:2, Hebreeën 10:22.
7. Het dier moest de huid afgetrokken, en behoorlijk in stukken gesneden worden, verdeeld in de verschillende stukken, naar het werk van de slagers, en dan moesten al de stukken met het hoofd en het vet (het ingewand en de schenkels eerst gewassen zijnde) samen op het altaar verbrand worden, vers 6-9. "Maar met welk doel " zullen sommigen zeggen, waartoe dit verlies? Waarom moet al dit goede vlees, dat aan de armen gegeven had kunnen worden, en hun en hun hongerig gezin voor een goede poos van spijze had kunnen voorzien, alles tezamen tot as verbrand worden?" Aldus was het de wil van God, en ons betaamt het niet daar iets tegen te hebben, of er afkeurende opmerkingen over te maken. Toen het tot eer van God verbrand was, in gehoorzaamheid aan Zijn gebod, en om geestelijke zegeningen aan te duiden, was het in werkelijkheid beter besteed, en beantwoordde het beter aan het doel waarmee het geschapen was, dan wanneer het tot voedsel voor de mens gebruikt was. Nooit moeten wij wat voor God besteed werd een verlies achten. Het verbranden van het offer betekende het ontzettende lijden van Christus, en de vrome genegenheden, waarmee, als met een heilig vuur, christenen zich met geheel hun geest, hun ziel en hun lichaam aan God moeten opofferen.
Eindelijk. Dit wordt gezegd te zijn als een lieflijke reuk voor de Heer. Het branden van vlees is op zichzelf onlieflijk, maar in gehoorzaamheid aan een gebod Gods en als type van Christus, was dit Gode welbehaaglijk, Hij was verzoend met hem, die dit offer bracht, en had zelf een welgevallen in die verzoening. Hij rustte en was verkwikt door deze inzettingen van Zijn genade, zoals Hij in het begin zich verheugde in Zijn scheppingswerken, Exodus 31:17, Psalm 104:31. Van Christus' offeren van zichzelf aan God wordt gezegd, dat het een welriekende reuk was, Efeze 5:2, en van de geestelijke offeranden van de christenen wordt gezegd, dat zij Gode aangenaam zijn door Jezus Christus, 1 Petrus 2:5.