Leviticus 6:8-13
Tot nu toe had Mozes het volk instructies gegeven betreffende de offers, maar hier beginnen de instructies, die hij aan de priesters moest geven, hij moet Aaron en zijn zonen gebieden. vers 9. De priesters waren bestuurders in het huis Gods, maar deze bestuurders moeten bestuurd worden, en zij, die anderen geboden moesten zelf bevelen ontvangen. Laat de leraren gedenken dat aan Aaron en zijn zonen niet slechts een opdracht werd gegeven, maar ook bevelen, en dat zij er zich aan hadden te onderwerpen.
In deze verzen hebben wij de wet van het brandoffer in zoverre dit de bijzondere zorg was van de priesters. Wat hier geboden wordt heeft voornamelijk betrekking op het dagelijks offer van een lam, dat `s morgens en `s avonds voor de gehele vergadering geofferd werd.
1. De priester moest er zorg voor dragen, dat de as van het brandoffer behoorlijk weggeruimd werd, vers 10, 11. Iedere morgen moet hij het altaar er van ontdoen, en de as naar de oostzijde van het altaar brengen, die het verst verwijderd was van het heiligdom. Hierbij moet hij zijn linnen kleren aanhebben, welke hij altijd droeg als hij dienst verrichtte aan het altaar, en daarna moet hij andere kleren aandoen, hetzij die, welke hij gewoonlijk droeg, of-gelijk sommigen denken-andere priesterkleren, doch minder achtbare, en de as uitdragen naar een reine plaats buiten het leger.
a. God wilde dit gedaan hebben voor de eer van Zijn altaar en de offers, die er op verbrand werden. Zelfs de as van het offer moest bewaard worden om te getuigen, dat God er een welgevallen aan had. Door het brandoffer werd Hij geëerd, en daarom werd deze eer er aan bewezen. En sommigen denken dat in de zorg, die gedragen werd voor de as van het offer, een afbeelding of afschaduwing was van de begrafenis van onze Zaligmaker, Zijn dood lichaam (de as van Zijn offer) werd zorgvuldig weggelegd in een hof, in een nieuw graf, dat een reine plaats was. Het was ook nodig dat het altaar zo rein mogelijk gehouden werd, het vuur er op zal er te beter om branden, en het is betamelijk voor een huis, dat er een haard in is.
b. God wilde dat de priesters dit zelf zouden doen, om hen en ons te leren, om voor de eer van God en van Zijn altaar het geringste werk te willen doen. De priester zelf moet niet slechts het vuur aansteken, maar de haard reinigen en er de as van wegdragen. Gods dienstknechten moeten niets dan de zonde beneden zich achten.
2. De priester moet zorgdragen voor het vuur op het altaar, opdat dit altijd brandende zal blijven. Daar wordt hier sterk op aangedrongen, vers 9, 12 en deze uitdrukkelijke wet wordt gegeven, vers 13. Het vuur zal geduriglijk brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden. Wij kunnen onderstellen dat geen dag voorbijging zonder dat er buitengewone offers gebracht werden, die altijd geofferd werden tussen het morgen- en avondoffer van het lam, zodat het vuur op het altaar vanzelf van de morgen tot de avond aan moest blijven. Maar het vereiste enige zorg om het de ganse nacht brandende te houden, vers 9. Zij, die goed huishouden, laten het keukenvuur nooit uitgaan, daarom wilde God hiermee van Zijn goed huishouden doen blijken. Het eerste vuur op het altaar kwam van de hemel, Hoofdstuk 9:24, zodat door dit vuur gestadig aan te houden, het met nieuwe brandstof te voeden, al hun offers in al hun geslachten gezegd konden worden door dat vuur van de hemel te zijn verteerd als teken van Gods aannemen er van. Indien zij het ooit door onachtzaamheid zouden laten uitgaan, dan konden zij niet verwachten dat het wederom op die wijze ontstoken zou worden. De Joden zeggen dan ook dat het vuur op het altaar nooit uitgegaan is tot aan de Babylonische ballingschap. Hiernaar wordt verwezen in Jesaja 31:9, waar gezegd wordt dat God "te Zion vuur en te Jeruzalem een oven heeft." Door deze wet wordt ons geleerd een voortdurende gezindheid in ons hart te bewaren tot alle daden van Godsvrucht, een gestadige genegenheid te hebben voor de dingen Gods, zodat wij steeds tot alle goed woord en werk bereid zijn. Wij moeten niet slechts de Geest niet uitblussen, maar de gave opwekken, die in ons is. Ofschoon wij niet voortdurend offeren, moeten wij toch het vuur van heilige liefde altijd brandende houden, en zo moeten wij te allen tijde bidden.