7. Hij zal ook na voorstelling van de var, beide de tot zondoffer van de gemeente bestemde bokken nemen en hij zal ook die stellen voor het aangezicht des HEEREN, terwijl hij ze stelt bij het altaar aan de deur van de tent der samenkomst.
1) Hier wordt een dubbele vorm van verzoening vastgesteld. Want uit de beide bokken werd de een naar de wet geofferd en de andere uitgezonden, opdat hij zou zijn een kayarma (uitvaagsel) of periqhma (voetwis, het voorwerp van hoon en verachting). Beide figuren zijn vervuld in Christus, omdat Hij zowel het lam Gods was (Wiens offerande de zonde der wereld heeft uitgewist), als ook, omdat hij zou zijn tot een kayarma(uitvaagsel), bij hem alle schoonheid was uitgeblust en hij van de mensen verworpen was. Men zou nog wel een meer scherpzinnige beschouwing kunnen bijbrengen, nl. dit, nadat de bok was aangeboden, zijn vrijlating afbeelding was van de opstanding van Christus, alsof de offerande van de ene bok getuigde, dat de voldoening voor de zonden in de dood van Christus was te zoeken, doch het leven en het weggaan van de andere zou aangetoond hebben, dat Christus, nadat hij voor de zonden geofferd was, en de vloek van de mensheid gedragen, echter weer levend was geworden. Ik nu omhels, wat eenvoudig en zeker is, en ben hiermee tevreden; dat de bok, die levend en vrij uitging, de plaats van het zoenoffer heeft vervuld, opdat ook zijn weggaan en vlucht het volk des te zekerder hiervan zou overtuigen, dat hun zonden ver waren weggedaan. En dit offer was in de wet het enige zoenoffer zonder bloedstorting. En dat dit niet met de mening van de Apostel strijdt, blijkt hieruit, dat, wijl de beide bokken gezamenlijk werden aangeboden, het genoeg was, dat de dood van de een tussenbeide kwam en diens bloed tot verzoening werd uitgestort. Want het lot werd niet geworpen, dan nadat beide bokken bij de deur van de tabernakel waren gebracht. Alzo, ofschoon de priester de ene levend ter verzoening stelde, zoals het in de woorden van Mozes wordt uitgesproken, werd God echter niet verzoend zonder bloedstorting, omdat de kracht van de verzoening van de offerande van de andere bok afhing. Wat nu het woord Asasel aangaat, ofschoon de uitleggers verschillen, twijfel ik niet, of daarmee wordt de plaats aangeduid, waarheen de bok van de verzoening werd gebracht. Althans is het een samengestelde naam, welke even dezelfde kracht heeft, als het "weggaan" van de bok, dat de Grieken door %G% vertaald hebben. Ik weet niet of dit goed is. Althans, wat de uitleggers aannemen, alsof deze bok alzo genoemd is, afwender van de rampen. Ik vrees, dat dit te gewaagd is. Het best komt uit, hetgeen ik gezegd heb, omtrent het weggaan van de bok, ofschoon ik verschil van de Hebreeën, die willen, dat hier een plaats op de berg Sinaï is bedoeld, alsof niet jaarlijks het lot is geworpen voor Asasel, hoewel het volk zeer ver van de berg Sinaï verwijderd was. Het was daarom voldoende, dat een eenzaam en minder bewoonbare landstreek werd uitgekozen, opdat de bok daarheen zou gevoerd worden en de vloek van God niet bij het volk zou blijven..
De beide bokken, die in alles aan elkaar gelijk moesten zijn, schaduwden een en dezelfde persoon af, namelijk Jezus, maar in twee verschillende staten. Wat de schaduwdienst niet in één voorwerp kon afbeelden, daarvoor worden hier twee dieren gebezigd. De bok voor de Heere is de lijdende, stervende, zonde- en vloekdragende en dus vernederde Jezus; de weggaande bok is de opgestane en uit de macht van de dood ontbonden Jezus. Zoals op de lijdende Jezus de straf van de zonde werd gelegd, om ervoor te boeten, zo is de opgestane Jezus door de kracht van Zijn bloed en Zijn gehoorzaamheid een eeuwige verzoening, op Wie Zijn volk diens ongerechtigheden werpt, een altijd verse en levende weg, om door Hem tot God te gaan, bij Wie in Zijn bloed voor de grootsten van de zondaren vergeving is. Zo toonde de Verzoendag aan het gelovige Israël wat Jezus was en wat Hij is, wat Jezus gedaan heeft en wat Hij nog doet..
Het woord la-asasel, dat in de Schrift nergens voorkomt behalve in dit hoofdstuk, en hier viermaal, wordt door de uitleggers verschillend verklaard: 1. Sommigen houden het voor een substantivum verbale (een werkwoord dat tot zelfstandig naamwoord is geworden), uitdrukkende het doel waartoe de bok dienen moet; zij vertalen het aldus: "tot volkomen verwijdering" (namelijk van de zonden). 2. Anderen vatten het op als aanwijzing van de plaats, waarheen de bok zal gebracht worden en vertalen of algemeen "in de woestijn (waarbij dan echter een herhaling van dat woord ontstaat, daar de bijvoeging: "in de woestijn", nog eenmaal hetzelfde zegt; of meer bepaald: "naar Asasel" (een ruw gebergte niet ver van Sinaï). 3. De Vulgata verklaart dit woord als een uit twee woorden (laës-asêl) samengesteld begrip, en vertaalt "de uitlatingsbok" (hirco emissario); daarop berust ook Luthers verklaring: "de uit te laten, vrij weggaande bok;" -maar tegen deze mening is de betekenis van het woord we es), dat in het Hebreeuws nimmer de bok, maar altijd de geit betekent. 4. De meeste uitleggers beroepen zich echter met recht daarop, dat tegen het eerste lot: "voor de Heere" slechts zulk een als tweede kon overstaan, waarop evenzo de naam van een persoonlijk wezen of een eigen naam te staan kwam. Zij verklaren nu Asasel aldus: "de geheel verwijderde, de volkomen afgezonderde, en denken hierbij aan de duivel, de oorzaak van de zonde, het hoofd van de gevallen engelen, die in het boek Job "de satan" en bij de rabbijnen Sammaël genoemd wordt..
De gestalte van de duivel, als stond die daar op de achtergrond, zagen wij reeds in de geschiedenis van de zondeval (Genesis 3); daar had hij, om zo te spreken, een slangenlijf tot orgaan gehad, had zich de slang tot zijn werktuig uitgekozen, zodat zij met hem slechts een persoonlijkheid uitmaakte en zij als persoonlijk wezen denken, spreken en handelen kon. Duidelijk komt in hetgeen de slang spreekt tevoorschijn de gehele duivelsnatuur, zijn hoogmoed, die hem zoeken doet God gelijk te zijn, zijn nijd jegens de Heere en de mensen, terwijl hij noch de Heere het bezit van de mens, noch de mens de gemeenschap met zijn Schepper gunt; zijn leugengeest, ook zijn lust om te verleiden en te verderven. Voor nadenkenden is deze geschiedenis dus duidelijk genoeg, ofschoon het verhaal bij het uitwendig voorgevallene staan blijft, zonder de sluier die het wezen bedekt, op te heffen. Waarom de satan nu noch in zijn eigen natuur, noch in menselijke gedaante verschijnen mocht, is naar alle waarschijnlijkheid de wil van God, opdat de mensen niet misleid werden aangaande de werkelijke stand van de verleider; zij zouden geen aanleiding hebben, om hem voor een aan God gelijk, of met God op gelijke lijn geplaatst wezen te houden, maar moesten dadelijk bemerken met welk een diep onder hen vernederd schepsel zij te doen hadden, opdat reeds het bewustzijn van hun eigen hoge staat het hun als een onwaardige zaak deed voorkomen, om zich met hem maar enigszins in te laten. Voor het eerst na deze geschiedenis komt nu in onze tekst de persoonlijkheid van de satan weer tevoorschijn; maar hier, waar het gaat om een volle en alles omvattende verzoening van de zonde, wordt dan ook terecht van hem melding gemaakt. Want daar de satan de zonde in de wereld heeft gebracht en door de zonde de dood, en zonde en dood sedert die tijd het gebied zijn geworden waar hij heerst, hetgeen hem echter eenmaal door het verlossingswerk van de Zoon van God weer zal worden ontrukt, moet de dag, waarop dit verzoeningswerk vooraf zinnebeeldig zal worden voorgesteld, een antwoord geven op de vraag, in welke betrekking de verzoende zondaar en de satan tot elkaar staan. Dit antwoord wordt dan door de weggaande bok, zoals Luther dit vertaald heeft, gegeven; de zonden van Israël met de eerste bok verzoend, worden op het hoofd van de tweede geladen en daarmee wordt hij tot Asasel in de woestijn gezonden, om deze de volbrachte verwijdering van de zonden zegepralend voor te stellen, en hem te verkondigen dat hij van nu af het recht om te beschuldigen en ook over het uit zijn banden bevrijde volk van God, de heerschappij door de zonde aangebracht en in de dood haar toppunt bereikende, verloren heeft. De werkelijke vervulling van deze type lezen wij in Colossenzen 2:13-15 waar de zegepraal van Christus over de machten van de duisternis door de op het kruis volbrachte verzoening geschilderd is. (FILIPPI).
Met de mening, dat hier onder Asasel moet worden verstaan, de duivel, stemmen overeen Herm. Witsius, Keil, Schouten e.a., maar leggen dan ook al de nadruk erop, dat het hier geen offer was aan de duivel, maar zoals o.a. Schouten zegt: "Om die zonden, die God aan zijn volk had vergeven, terug te zenden naar Asasel, de hoofdbewerker van- en verleider tot de zonde. Om het die boze vijand te doen zien, dat Israël van die zonden, die hun weer als thuis gebracht werden, en van haar schuld was verlost." Deze verklaring geeft echter geen bevredigende oplossing en gaat o.i niet op. Want meent men, dat, omdat de ene bok was "voor de Heere," nu de andere ook noodzakelijk voor een persoon moest zijn, dat daarom Asasel evenals Javeh een eigen naam is, dan moet men ook hiertoe komen, dat, zoals de ene bok de bok "la Javeh" was, om voor de Heere de zonde te verzoenen, de andere de bok "la Asasel" ook de duivel ter verzoening moest worden gebracht. Hiertegen komen de eerstgenoemde schrijvers, en terecht, tegen op, omdat het offer aan de duivel door de Heere God ten strengste was verboden..
Niets echter gebiedt ons, om Asasel voor een eigen naam te houden, de naam van een persoonlijk wezen, noch om aan een tegenstelling te denken. Integendeel alles verbiedt ons, dit te doen. De Mozaïsche wetgeving kent geen dualisme, kent geen verering van de Heere God, naast die, als is het dan ook in negatieve zin, van de geest van het kwaad.. Ook grammatisch wordt dit niet gevorderd. Wat wij dan daarmee hebben te verstaan? De schaduwdienst was onvolkomen. Gelijk Mozes en Aäron gezamelijk het Profetische en het Hogepriesterlijk ambt van Christus afschaduwden, zo schaduwde de levende bok af, Christus Jezus de smaadheden van zijn volk dragende en de ander, Christus voor de zonde verzoening aanbrengende door Zijn bloed..
Op de grote Verzoendag werd afgebeeld de verzoening van het Lam Gods op Golgotha. Welnu, de ene bok zinnebeelde af, Christus gekruisigd, geslacht tot verzoening, en de andere, Christus, buiten de legerplaats, de smaadheden van Zijn volk dragende. Het woord in de grondtekst moet dan ook niet vertaald worden door voor Asasel, maar door voor de weggaande, of duidelijker door, voor de buiten de legerplaats afgezonderde. Die bok moest dan naar de woestijn worden gezonden, omdat hij onrein, als beladen met de zonden van het volk, niet mocht verkeren in de legerplaats van het God geheiligde volk. Met deze beschouwing kan o.i. ook alleen Vers 10 tot zijn recht komen als er gezegd wordt van de weggaande bok, om door hem verzoening te doen..