Numeri 29:1-11
Er waren in de zevende maand meer heilige feesten dan in enige andere maand van het jaar, niet slechts omdat zij tot aan de bevrijding van Israël uit Egypte (welke bevrijding in de maand Abib plaats had, daarom is die maand van toen af in alle kerkelijke tijdrekeningen tot het begin van de maanden was gemaakt) de eerste maand geweest is, maar ook omdat zij voor alle burgerlijke rekeningen van het jubeljaar en de jaren van de vrijlating nog de eerste maand bleef en tevens omdat het de rusttijd was tussen oogst en zaaitijd, als zij de meeste vrijen tijd hadden om op te gaan naar het heiligdom, hetgeen te kennen geeft, dat God uit aanmerking van werken van de noodzakelijkheid of van de barmhartigheid wel vrijstelling van de offerdienst wil verlenen, maar dat wij dan ook de tijd, die ons van de beslommeringen des levens overblijft, in de onmiddellijken dienst van God moeten doorbrengen.
1. Wij hebben hier het voorschrift nopens de offers, die op de eerste dag van de maand geofferd moesten worden, op de dag van het geklank, welk een voorbereiding was voor de twee grote feestdagen, die van het heilig treuren op de verzoendag, en die van de heilige vreugde op het feest van de loofhutten. Als de ene plechtige dienst er toe bijdraagt om ons geschikt te maken voor de andere, en zowel de een als de ander ons bereidt voor de hemel, dan wordt aan het doel van de Goddelijke inzettingen beantwoord. De dag des geklanks werd ingesteld, Leviticus 23:24. Hier wordt hun voorgeschreven welke offers zij op die dag moesten brengen, terwijl er daar geen melding van werd gemaakt. Zij, die Gods wil en bedoeling willen kennen in de Schrift, moeten Schrift met Schrift vergelijken, die delen er van samenvoegen, die betrekking hebben op dezelfde zaak, want de laatste openbaringen van het Goddelijk licht verklaren wat duister was, en vullen aan wat er in de vorige ontbrak, opdat de mens Gods volmaakt zij. De offers, die toen geofferd meesten worden, zijn hier in het bijzonder voorgeschreven, vers 2-6, en er wordt voor gezorgd dat zij niet in de plaats gesteld zullen worden van de dagelijkse offers en dat van de nieuwe maan. Hiermede wordt te kennen gegeven dat wij geen gelegenheid moeten zoeken om in de dienst van God af te nemen, niet blijde moeten wezen met een voorwendsel om een plicht na te laten, maar ons veeleer moeten verheugen met een gelegenheid om meer dan het gewone te doen in de Godsdienst. Als wij de huisgodsdienst hebben waargenomen, dan moeten wij niet denken dat dit ons nu ontheft van de plicht om in het verborgen Gods aangezicht te zoeken, of dat wij op de dagen als wij naar de kerk gaan geen huisgodsdienst behoeven te hebben, want wij moeten altijd overvloedig zijn in het werk des Heeren.
2. Op de verzoendag. Boven en behalve al de diensten op die dag, waarvan wij de instelling hadden in Leviticus 16, en die, naar men zou denken, genoeg moeite en last oplegden wordt hier nog bevolen brandoffers te offeren, vers 8-10. Want in ons geloof en onze bekering, de twee grote genadegaven van het Evangelie, die door hetgeen op die dag verricht werd zijn afgeschaduwd, moeten wij het oog hebben op de eer en heerlijkheid Gods, die zuiver en alleen bedoeld was in de brandoffers. Er moest ook een geitebok als zondoffer zijn, behalve het zondoffer van de verzoeningen, vers 11 hetgeen te kennen geeft, dat er zelfs in onze uitdrukkingen van berouw zoveel fouten en gebreken zijn, dat wij deel moeten hebben in een offer ter verzoening van de schuld zelfs van dat deel van de heilige dingen. Hoewel wij geen berouw moeten hebben van ons berouw, moeten wij er wel berouw van hebben, dat ons berouw niet dieper, niet hartgrondiger was. Ook werd hiermede de onvolkomenheid aangeduid van de offeranden van de wet, en haar ongenoegzaamheid om de zonde weg te nemen, want op dezelfde dag dat het zondoffer van de verzoening gebracht werd, moest nog een ander zondoffer gebracht worden. Maar hetgeen van de wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, dat heeft Christus gedaan.