Jozua 10:15-27
De vijf koningen moeten voorzeker een prachtige aanblik opgeleverd hebben, toen zij te velde trokken om Gibeon tenonder te brengen, en het was een schoon leger, dat door hen aangevoerd werd, maar hun werd een volkomen nederlaag toegebracht, eerst werden zij in wanorde gebracht, daarna volkomen vernield door de hagelstenen. En thans dacht Jozua dat hij, zijn werk afgedaan zijnde, nu met zijn legerde kwartieren kon betrekken om zich te verkwikken en te verfrissen. Dienovereenkomstig werd, misschien wel in een krijgsraad, besloten om terstond naar het leger te Gilgal weer te keren, vers 15, totdat zij orders van God zouden ontvangen om bezit te gaan nemen van het land, dat zij nu veroverd hadden. Maar weldra bevindt hij dat er nog meer werk voor hem te doen was, de overwinning moet vervolgd worden, opdat de buit verdeeld zou worden. En zo begeeft hij zich dan met vernieuwde kracht aan het werk.
I. De krijgsmacht, die verstrooid was, moet nagejaagd en verslagen worden. Toen aan Jozua de tijding gebracht werd, waar de koningen zich ophielden, gaf hij bevel om hen voorlopig te bewaken, vers 18, hen bewarende voor een anderen dag des verderfs, Job 21:30. Hij beveelt zijn mannen het gewone krijgsvolk te vervolgen, en hen zoveel mogelijk te beletten naar hun garnizoenen te ontkomen, daar zij er zich zouden versterken, waarna hun tenonderbrenging moeilijker zou worden, vers 19. Als een beleidvol generaal doet hij het eerst wat het nodigste is, en stelt zijn triomf uit totdat hij zijn overwinningen voltooid heeft, ook heeft hij niet zo'n haast om de gevangen koningen hun lot te doen ondergaan, of hij wilde eerst hun verstrooide krijgsmacht beletten zich te herenigen. De uitslag van deze vervolging van de vijand was:
1. Dat er onder de vijanden van God en Israël een grote slachting was aangericht. En:
2. Dat het veld schoongeveegd werd van hen, zodat niemand van hen overbleef dan dezulken, die in de vaste steden gekomen waren waar zij zelf niet lang veilig zullen zijn, noch instaat zullen wezen om enigerlei dienst te bewijzen aan de steden, die hun een schuilplaats verleenden, tenzij zij hun vrees achter kunnen laten.
3. Niemand had zijn tong tegen de kinderen Israëls geroerd, neen, zelfs niet tegen een enig man van hen, vers 21. Deze uitdrukking geeft te kennen:
a. Hun volkomen veiligheid en gerustheid. Sommigen denken dat het gelezen moet worden zoals in Exodus 11:7. "Tegen niemand van de kinderen Israëls zal een hond zijn tong verroeren." Na hun overwinning werden zij door geen enkel gevaar bedreigd, zelfs niet door het blaffen van een hond. Geen enkele Israëliet (want het oorspronkelijke legt zo sterk de nadruk op het bijzondere) was in enigerlei benauwdheid gebracht, hetzij gedurende de strijd, of bij de vervolging.
b. Hun eer en goeden naam, niemand kon enigerlei smaad op hen werpen, niemand had een kwaad woord voor hen. God heeft niet slechts de handen gebonden, maar de monden gestopt van hun verwoede vijanden, de valse lippen stom doen worden.
c. De Chaldeeuwse paraphrase maakt het tot een uitdrukking van hun onvermengde vreugde om deze overwinning, door er deze lezing aan te geven: Er was geen schade of verlies voor de kinderen Israëls, om hetwelk iemand zijn ziel zou bedroeven. Toen na de veldslag een wapenschouwing werd gehouden over het leger Israëls, was er niemand gedood of gewond niemand werd vermist, geen enkel Israëliet had het verlies te betreuren van een vriend of bloedverwant. Zo gemakkelijk en zo glorierijk was deze zegepraal.
II. Nu moeten de koningen, die zich verborgen hadden, tot verantwoording worden geroepen als rebellen tegen het Israël Gods, aan wie door de belofte en schenking Gods dit land van rechtswege behoorde, en aan wie het op de eerste eis overgegeven had moeten worden. Zie hier:
1. Hoe zij in verzekerde bewaring werden gehouden. De spelonk, waarin zij gevlucht waren en waar zij vertrouwden veilig te zijn werd hun gevangenis, waarin zij opgesloten bleven totdat Jozua de vierschaar over hen spande, vers 18. Allen schenen zij zowel aan de hagelstenen als aan het zwaard ontkomen te zijn, God heeft dit zo beschikt, niet in goedertierenheid over hen, maar om hen te bewaren voor een plechtiger en ontzettender oordeel, evenals om dezelfde reden Farao de plagen van Egypte heeft overleefd, opdat God "Zijn kracht aan hem zou betonen," Exodus 9:16. Allen vloden zij en ontmoetten elkaar op dezelfde plaats, Gods voorzienigheid hen daarheen leidende, en nu moesten zij, die zo kort tevoren samen beraadslaagd hebben tegen Israël, opnieuw tezamen beraadslagen, maar nu hoe voor hun veiligheid te zorgen, en zij komen overeen om in dezelfde spelonk een toevlucht te zoeken. Het bericht, hiervan aan Jozua gebracht, is een bewijs dat er de zodanigen in het land waren, die er de holen en sterkten van kenden en zijn belangen waren toegedaan. En gelijk de zorg van Jozua om hen te houden waar zij waren, een voorbeeld is van zijn beleid en tegenwoordigheid van geest, zelfs in het heetste van het gevecht, zo wordt ook in het welslagen van hun plan om daarheen de wijk te nemen getoond, hoe diegenen niet alleen zichzelf bedriegen, maar zichzelf verderven, die wanen zich voor God te kunnen verbergen. Hun toevlucht van de leugen zal hen slechts voor Gods gericht brengen.
2. Jozua gaf bevel hen uit de spelonk te doen komen en voor zijn rechterstoel te brengen, hun namen werden opgeroepen, vers 22-23. En toen zij, of gebonden en ter aarde geworpen werden, niet instaat om zichzelf te helpen, of wel zich ter aarde wierpen ootmoedig smekende om lijfsbehoud, riep hij de hoofdofficieren en voorname mannen, en beval hun deze koningen met hun voeten te vertreden hun voeten op hun halzen te zetten, niet in spel of om zichzelf en geheel het gezelschap te vermaken, maar met de ernst en de waardigheid, die aan de dienaren van de Goddelijke gerechtigheid betaamden, die hierin niet hun eigen hoogmoed en hartstocht moesten bevredigen, maar eer moesten geven aan de God Israëls, als zijnde hoger dan de hoogsten en die "op overheden treedt als op leem" Jesaja 41:25 en "de koningen van de aarde vreeslijk is" Psalm 76:13. Die handeling heeft inderdaad een wreed aanzien, om zodanige smaadheid aan te doen aan mensen, die in het ongeluk zijn, plotseling van het toppunt van eer tot deze diepte van ellende en schande waren gekomen, het was hard voor gekroonde hoofden aldus vertreden te worden, niet door Jozua zelf, (dat ware beter te dragen geweest) tenminste niet door hem alleen, maar door al de oversten van het leger, en voorzeker mag dit niet tot precedent gesteld worden, want het was een buitengewoon geval, en wij hebben redenen om te geloven dat Jozua dit door een Goddelijke aandrift en onder Gods bestiering gedaan heeft.
A. God wilde de afschuwelijke slechtheid van deze koningen, de mate van wier ongerechtigheid nu vol was, hiermede straffen. En door deze openbare daad van gerechtigheid, volbracht aan deze voorgangers van de Kanaänieten in de zonde wilde Hij het volk zoveel groter schrik en afschuw inboezemen van deze zonden van de volken die God voor hun aangezicht uit de bezitting dreef, die zij in verzoeking zouden zijn na te volgen.
B. Hij wilde hierdoor de belofte vervullen, gedaan door Mozes, Deuteronomium 33:29, gij zult op hun hoogten treden, dat is, hun grote mannen, die zoveel eerder spoedig naar de letter vervuld moest worden, omdat het de laatste woorden van Mozes waren, die wij vermeld vinden.
C. Hiermede wilde Hij het geloof en de hoop aanmoedigen van Zijn volk Israël met betrekking tot de oorlogen, die zij nog te voeren zullen hebben. Daarom zegt Jozua, vers 25, vreest niet en ontzet u niet.
a. Vreest deze koningen niet, noch iemand van de hunnen, alsof er enig gevaar in was gelegen, dat de smaad die hun nu aangedaan is, later op u gewroken zal worden, een overweging, die velen er van terughoudt om beledigend te zijn tegen hen, die in hun macht zijn, daar zij niet weten hoe spoedig de onzekere kansen van de oorlog tegen henzelf gekeerd kunnen zijn, maar gij behoeft niet te vrezen dat ooit iemand zal opstaan om deze twist te wreken."
b. "Vreest geen andere koningen, die zich te eniger tijd tegen u kunnen verbinden, want gij ziet hoe dezen, die gij zo geducht dacht te zijn, terneder geworpen werden. "Alzo zal de Heere al uw vijanden doen, " nu zij beginnen te vallen, zó diep te vallen, dat gij uw voet op hun hals kunt zetten, kunt gij er van overtuigd zijn dat zij tegen u niet zullen vermogen maar "gewis voor uw aangezicht zullen vallen," Esther 6:13.
c. Hij wilde dit tot een type en afschaduwing doen zijn van Christus' overwinningen over de machten van de duisternis, en de overwinningen van de gelovigen door Hem. Al de vijanden van de Verlosser zullen gezet worden "tot een voetbank van Zijn voeten," Psalm 110:1, (zie ook Psalm 18:4.). "De koningen van de aarde stellen zich op" tegen Hem, Psalm 2:2, maar vroeg of laat zullen wij alle dingen Zijn voeten onderworpen zien, Hebreeën 2:8, "en de overheden en de machten in het openbaar tentoongesteld," Coloss. 2:15. En in deze triomfen zijn wij meer dan overwinnaars, kunnen wij "op de felle leeuw en de adder treden," Psalm 91:13, kunnen wij "rijden op de hoogten van de aarde," Jesaja 58:14, en vertrouwen dat "de God des vredes de Satan haast onder onze voeten zal verpletteren," Romeinen 16:20. Zie Psalm 149:8, 9.
3. Hoe zij ter dood gebracht werden. Toen zij die vreeslijke vernedering hadden ondergaan van door de oversten van het leger Israëls vertreden te worden, waren zij misschien geneigd om met Agag te zeggen: Voorwaar de bitterheid des doods is geweken, en dat hun deze bestraffing genoeg was, die van velen geschied is. Maar door dit verlies hunner eer kon hun leven niet gered worden, dat leven was verbeurd. Jozua sloeg hen met de scherpte des zwaards, en hing toen hun dode lichamen op tot aan de avond, toen zij afgenomen werden en in de spelonk geworpen, alwaar zij verborgen waren geweest, vers 26, 27. Hetgeen zij dachten hun een toevlucht te zijn, was eerst tot hun gevangenis gemaakt, en daarna tot hun graf. Zo zullen wij teleurgesteld worden in hetgeen waarnaar wij de toevlucht genomen hebben van God, maar voor de Godvruchtigen is het graf nog een verberging, Job 14:3. Indien deze vijf koningen zich bijtijds hadden verootmoedigd, en om vrede hadden gevraagd inplaats van krijg te gaan voeren, zij zouden hun leven hebben kunnen redden, maar nu was het raadsbesluit uitgegaan, en zij vonden geen plaats des berouws, geen herroeping of vernietiging van het vonnis, hoewel zij "haar misschien met tranen hebben gezocht."