Johannes 8:12-20
Het overige van dit hoofdstuk bestaat uit twistredenen tussen Christus en tegensprekende zondaren, die ook op de heerlijkste, genaderijkste woorden, die Hij sprak, vittende aanmerkingen maakten. Het is niet zeker, of deze twistgesprekken plaatshadden op dezelfden dag, dat de overspelige vrouw in vrijheid was gesteld, waarschijnlijk was het op dezelfden dag, want de evangelist maakt geen gewag van een anderen dag, en wijst er op, in vers 2, hoe vroeg Christus Zijn dagwerk begonnen was. De Farizeeën, die de vrouw hadden beschuldigd, hadden zich wel verwijderd, maar er waren andere Farizeeën tegenwoordig, vers 13, om zich tegen Christus te stellen, en die onbeschaamd genoeg waren, om kalm te blijven en zich groot te houden, hoewel sommigen van hun partij tot zo schandelijke vlucht waren gedwongen. Wellicht heeft hen dit slechts te begeriger gemaakt om twist met Hem te zoeken, ten einde zo mogelijk de eer en goeden naam van hun verslagen partijgenoten te redden. In deze verzen hebben wij:
I. Een grote leerstelling met de toepassing er van.
1. De leerstelling is: Dat Christus het Licht der wereld is, vers 12. Jezus dan sprak wederom tot hen lieden. Hoewel Hij zeer veel tot hen had gesproken met weinig nut of uitwerking, en hoewel wat Hij zei tegengesproken werd, sprak Hij toch wederom, want Hij spreekt eenmaal, ja tweemaal. Zij hadden niet willen horen naar wat Hij zei, en toch sprak Hij wederom tot hen, zeggende: Ik ben het Licht der wereld. Jezus Christus is het Licht der wereld. Een der rabbi's heeft gezegd: Licht is de naam van den Messias, gelijk geschreven is: Het licht woont bij Hem, Daniël 2:22. God is licht, en Christus is het beeld des onzienlijken Gods, God der goden, Licht der lichten. Hij werd verwacht om een licht te zijn tot verlichting der heidenen, Lukas 2:32, en aldus het Licht der wereld, en niet slechts van de Joodse kerk. Het zichtbare licht der wereld is de zon, en Christus is de Zon der gerechtigheid. Een zon verlicht geheel de wereld, en ook Christus, de ene Christus, verlicht de wereld, en meer is niet nodig. Door zich het Licht te noemen, drukt Christus uit:
a. Wat Hij is in zich zelven-uiterst voortreffelijk en heerlijk.
b. Wat Hij is voor de wereld-de fontein van licht, verlichtende een iegelijk mens. Welk een kerkerhol zou de wereld wezen zonder de zon! Dat zou zij ook wezen zonder Christus, door wie het licht in de wereld gekomen is, Hoofdstuk 3:19.
2. De gevolgtrekking, die uit deze leer wordt afgeleid, is: Die Mij volgt, zoals een reiziger het licht volgt in een donkeren nacht, zal in de duisternis niet wandelen. maar zal het licht des levens hebben. Indien Christus het licht is, dan:
a. Is het onze plicht Hem te volgen, ons aan Zijne leiding over te geven, in alles van Hem aanwijzingen te ontvangen voor den weg, die naar de gelukzaligheid voert. Velen volgen dwaallichten -ignes fatui, die hen ten verderve voeren, maar Christus is het ware Licht. Het is niet genoeg op dat licht te zien, het aan te staren, wij moeten het volgen, er in geloven, en er in wandelen, want het is een licht voor onze voeten, niet slechts voor onze ogen.
b. Het is de zaligheid van hen, die Christus volgen, dat zij in de duisternis niet zullen wandelen. Zij zullen niet zonder de instructies gelaten worden in den weg der waarheid, die nodig zijn om hen voor verderflijke dwaling te behoeden, en die aanwijzingen in den weg des plichts, die nodig zijn om hen voor verdoemende zonden te bewaren. Zij zullen het licht des levens hebben, de kennis en de genieting van God, die voor hen het licht des geestelijken levens zal wezen in deze wereld, en des eeuwigen levens in de toekomende wereld, waar geen dood en geen duisternis zal wezen. Christus volgende, zullen wij ongetwijfeld in beide werelden gelukkig zijn. Christus volgende, zullen wij Hem volgen naar den hemel.
II. De tegenwerping der Farizeeën tegen deze leer, en die tegenwerping was uiterst beuzelachtig: Gij getuigt van uzelven, uwe getuigenis is niet waarachtig, vers 13. Hiermede gingen zij af op den argwaan, dien wij gewoonlijk koesteren tegen mensen, die zich zelven prijzen, want eigen lof, denkt men, is de taal der eigenliefde, die wij allen zeer gereed zijn in anderen te veroordelen, maar die slechts weinigen in zich zelven willen erkennen. Maar hier was deze tegenwerping zeer onrechtvaardig, want:
1. Zij rekenden Hem datgene tot misdaad aan, en achtten dat het afdeed aan de geloofwaardigheid Zijner leer, wat voor iemand, die een Goddelijke openbaring bracht, volstrekt noodzakelijk en onvermijdelijk was. Hebben niet Mozes en al de profeten van zich zelven getuigd, als zij verklaarden de boodschappers Gods te zijn? Hebben de Farizeeën aan Johannes de Doper niet gevraagd: Wat zegt gij van uzelven?
2. Zij zagen het getuigenis voorbij van al de andere getuigen, die het getuigenis bevestigden, dat Hij van zich zelven gaf. Indien Hij alleen van zich zelven had getuigd, dan zou Zijn getuigenis inderdaad verdacht geweest zijn, en het geloof er aan zou opgeschort hebben kunnen worden, maar Zijne leer was bevestigd door meer dan twee of drie geloofwaardige getuigen, dus genoeg om er ieder woord van te doen bestaan.
III. Christus, antwoord op deze tegenwerping, vers 14. Hij heeft hun niet als Zijn antwoord toegevoegd, zoals Hij wel had kunnen doen: "Gij zegt van uzelven, dat gij vrome en Godvruchtige mannen zijt, maar uw getuigenis is niet waarachtig", maar eenvoudig en duidelijk rechtvaardigt Hij zich, hoewel Hij Zijn eigen getuigenis ter zijde had gelaten, Hoofdstuk 5:31, blijft Hij er hier toch bij, dat het niets afdeed aan de geloofwaardigheid van Zijn andere bewijzen, maar nodig was om er de kracht van aan te tonen. Hij is het Licht der wereld, en het is de eigenschap van licht om blijk te geven van zich zelven. Eerste beginselen bewijzen zich zelven. Hij voert drie dingen aan om te bewijzen, dat Zijn getuigenis, hoewel het een getuigenis is van Hem zelven, waar is en van kracht.
1. Dat Hij zich bewust is van Zijne macht en gezag, en er bij zich zelven volkomen zeker van is. Hij sprak niet als iemand, die in onzekerheid verkeert, noch heeft Hij een betwistbaar denkbeeld opgeworpen, waaromtrent Hij zelf aarzelde, maar Hij heeft van het besluit verhaald, en gaf ene rekenschap van zich zelven, waar Hij bij bleef: Ik weet van waar Ik gekomen ben, en waar Ik heenga. Hij was volkomen op de hoogte van Zijn eigen onderneming, van het begin tot het einde, Hij wist op wiens boodschap Hij uit was, en wat er de uitslag van zijn zou. Hij wist wat Hij was, voordat Hij aan de wereld was geopenbaard, en wat Hij daarna zijn zou, dat Hij gekomen is van den Vader, en dat Hij tot Hem heenging, Hoofdstuk 16:28, dat Hij van de heerlijkheid is gekomen, en naar de heerlijkheid heenging, Hoofdstuk 17:5. Dat is de voldoening van alle goede Christenen, dat, hoewel de wereld hen niet kent, zoals zij Hem niet gekend heeft, zij toch weten van waar hun geestelijk leven komt, en waarheen het strekt, en dat zij dus een vasten grond onder de voeten hebben.
2. Dat zij zeer onbevoegde rechters waren over Hem en over Zijne leer, en dat er dus op hen geen acht behoorde geslagen te worden.
a. Omdat zij onwetend waren, moedwillig en hardnekkig onwetend: Gijlieden weet niet, van waar Ik kom, en waar Ik heenga. Waartoe dient het te spreken met hen, die niets van de zaak weten noch begeren te weten? Hij had hun gesproken van Zijn komen van den hemel, en van Zijn wederkeren naar den hemel, maar het was hun dwaasheid, zij geloofden het niet, het was iets waarvan een onvernuftig man niet weet, Psalm 92:7. Zij matigden zich aan om te oordelen over hetgeen zij niet verstonden, en dat geheel buiten het gebied van hun kennis of van hun verstand was gelegen. Zij, die de heerschappij en de waardigheid van Christus verachten, lasteren hetgeen zij niet weten, Judas 8, 10.
b. Omdat zij partijdig waren, vers 15, "gij oordeelt naar het vlees". Als vleselijke wijsheid het oordeel leidt, en alleen de uitwendige schijn als getuigenis of bewijs wordt aangenomen, en de zaak dus daarnaar beslist wordt, dan oordeelt men naar het vlees, en als wereldse belangen in de schaal worden geworpen bij het beoordelen van geestelijke zaken, als wij oordelen ten gunste van hetgeen het vleselijk hart behaagt, en ons aanbeveelt bij een vleselijk-gezinde wereld, dan oordelen wij naar het vlees, en het oordeel kan niet recht wezen als de regel verkeerd is. De Joden beoordeelden Christus en Zijn Evangelie naar den uitwendigen schijn, en omdat Zijn voorkomen zo gering was, achtten zij het onmogelijk, dat Hij het licht der wereld kon zijn, alsof de zon achter een wolk gene zon is.
c. Omdat zij onrechtvaardig en onredelijk jegens Hem waren, dat aangeduid wordt door dit woord: Ik oordeel niemand. Ik meng Mij niet in uw politieke zaken, en Mijne leer of Mijn leven maakt geen inbreuk op uw burgerlijke rechten of wereldlijke macht. Aldus heeft Hij niemand geoordeeld. Indien Hij nu den krijg niet voerde naar het vlees, was het zeer onbillijk van hen, om Hem te oordelen naar het vlees, en Hem te behandelen als een overtreder tegen het burgerlijk bestuur. Of: Ik oordeel niemand, dat is: "niet nu bij Mijn eerste komst, dat is uitgesteld tot aan Mijne wederkomst," Hoofdstuk 3:17. "Prima dispensatio Christi medicinalis est, non judicialis" -De eerste komst van Christus was om genezing te werken, niet om recht te beoefenen.
3. Dat Zijn getuigenis van zich zelven genoegzaam ondersteund en bevestigd is geworden door het getuigenis Zijns Vaders met Hem en voor Hem, vers 16:En indien Ik ook oordeel, Mijn oordeel is waarachtig. In Zijne leer heeft Hij geoordeeld, Hoofdstuk 9:39, hoewel niet in staatkundigen zin. Beschouw Hem dus:
a. Als een rechter, en Zijn eigen oordeel was geldig: "indien Ik ook oordeel, Ik, die macht heb gericht te houden, Ik, aan wie alle dingen zijn overgegeven, Ik, die de Zoon van God ben en den Geest Gods heb, indien Ik oordeel, Mijn oordeel is waarachtig, onbetwistbaar recht, Romeinen 2:2. Indien Ik zou oordelen, Mijn oordeel moet waarachtig zijn, en dan zoudt gij veroordeeld worden, maar de dag des oordeels is nog niet gekomen, nog zult gij niet veroordeeld, maar gespaard worden, en daarom oordeel Ik thans niemand." Aldus is de opvatting van Chrysostomus van deze Schriftuurplaats. Hetgeen nu Zijn oordeel onberispelijk en onwraakbaar maakt is Zijns Vaders medewerking met Hem: Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, die Mij gezonden heeft. Hij had ter Zijner bestiering den raad Zijns Vaders. Gelijk Hij van voor de grondlegging der wereld bij den Vader was in het formeren en vaststellen der raadsbesluiten, zo was de Vader met Hem in de wereld om deze raadsbesluiten tot uitvoering te brengen, en heef Hem nooit inops consilü -zonder raad gelaten, Jesaja 11:2. Al de raad des vredes, (en ook des krijgs) was tussen die beiden, Zacheria 6:13. Hij had ook des Vaders medewerkende macht om hetgeen Hij deed te bevestigen, Psalm 89:22, Jesaja 42:1. Hij heeft niet afzonderlijk gehandeld, maar in Zijn eigen naam en in dien Zijns Vaders, Hoofdstuk 5:17, en 14:9, 10. Zijns Vaders opdracht aan Hem: "Het is de Vader, die Mij gezonden heeft." God zal gaan met hen, die Hij zendt, zie Exodus 3:10, 12. Kom nu, en Ik zal u zenden, en Ik zal voorzeker met u zijn. Indien nu Christus ene opdracht had van den Vader, en des Vaders tegenwoordigheid met Hem is in alles wat Hij doet en beschikt, dan is Zijn oordeel ongetwijfeld waarachtig en geldig, er kan gene bedenking tegen ingebracht worden, van dat oordeel kan men zich op geen ander oordeel beroepen.
b. Beschouw Hem als een getuige, en niet anders treedt Hij thans op- want Hij is nu nog niet op den rechterstoel gezeten-en als zodanig was Zijn getuigenis waarachtig en onwraakbaar. Dit toont Hij hier, vers 17, 18, als Hij een grondbeginsel aanhaalt der Joodse wet, vers 17. Dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is. Niet alsof dit op zichzelf altijd waar is, want menigmaal heeft men de handen in elkaar geslagen om een vals getuigenis te geven, 1 Koningen 21:10. Maar het wordt als een voldoend bewijs geacht, om er een vonnis naar te kunnen vellen verum dictum, en indien van het tegendeel niet blijkt, dan wordt het als waar aangenomen. Er wordt hier verwezen naar die wet, Deuteronomium 17:6. Op den mond van twee of drie getuigen zal hij gedood worden, die sterven zal. Zie ook Deuteronomium 19:15, Numeri 35:30. Het was ten gunste van leven, dat in halsstraffelijke zaken twee getuigen vereist werden, zoals bij ons in gevallen van verraad, zie Hebreeën 6:18. Hij past dit toe op het onderhavige geval, vers 18:Ik ben het, die van mij zelven getuig, en de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij. Zie hier twee getuigen! Hoewel in de gerechtshoven der mensen, waar twee getuigen vereist worden, de misdadiger of de kandidaat niet als getuigen voor zich zelven worden toegelaten, kan het toch, in een zuiver Goddelijke zaak, die alleen door een Goddelijk getuigenis kan bewezen worden, en God zelf de getuige moet zijn, als op de formaliteit van twee of drie getuigen wordt aangedrongen, geen ander zijn dan de eeuwige Vader, de eeuwige Zoon des Vaders, en de eeuwige Geest. Indien nu het getuigenis van twee onderscheiden personen, die mensen zijn, en dus bedriegen kunnen of bedrogen kunnen zijn, afdoend is, hoe veel te meer behoort dan niet het getuigenis van den Zoon van God betreffende zich zelven, ondersteund door het getuigenis van Zijn Vader, geloofd te worden, zie 1 Johannes 5:7, 9-11. Nu bewijst dit niet slechts, dat de Vader en de Zoon twee onderscheiden Personen zijn, (want van hun respectief getuigenis wordt gesproken als van het getuigenis van twee onderscheiden personen) maar ook, dat deze twee een zijn, niet slechts een in hun getuigenis, maar aan elkaar gelijk in heerlijkheid en macht, en daarom in wezen dezelfden. Hier vindt Augustinus aanleiding in om zijne hoorders te waarschuwen, aan den enen kant tegen Sabellianisme, dat de Personen in de Godheid verwarde, en aan den anderen kant tegen Arianisme, dat de Godheid van den Zoon en van den Geest ontkent. "De Zoon is een Persoon, en de Vader is een andere Persoon, en toch maken zij niet twee Wezens uit, maar de Vader is hetzelfde Wezen als de Zoon, dat is: de enige ware God". Tract. 36 in Joann. Christus spreekt hier van zich zelven en van den Vader als getuigen bij de wereld, getuigenis gevende aan het verstand en het geweten van de kinderen der mensen, met wie Hij te doen heeft als mensen. En deze getuigenissen bij de wereld zullen in den groten dag getuigenissen zijn tegen hen, die volharden in hun ongeloof, en het woord dezer getuigen zal de mensen oordelen. Dit was de som en substantie van de eerste samenspreking tussen Christus en deze vleselijk-gezinde Joden, in het besluit waarvan ons wordt meegedeeld, hoe hun tong losgelaten en hun handen gebonden werden.
Ten eerste. Hoe hun tong werd losgelaten (zo groot was de boosaardigheid der hel) om vittende aanmerkingen te maken op Zijne rede, vers 19. Hoewel er in hetgeen Hij gezegd had geen menselijke staatkunde of kunst was, maar wel een Goddelijke zekerheid en vastheid, beginnen zij Hem toch strikvragen te doen. Niemand is zo ongeneeslijk blind als zij, die vast besloten hebben niet te willen zien. Merk op:
A. Hoe zij aan de overtuiging zochten te ontkomen door ene vitterij, ene spitsvondigheid: Zij dan zeiden tot Hem: Waar is uw Vader? Uit de strekking van deze en van Zijn andere redenen hadden zij gemakkelijk kunnen begrijpen, dat, als Hij sprak van Zijn Vader, Hij niemand anders bedoelde dan God zelf, maar zij doen, alsof zij denken, dat Hij van een gewoon persoon sprak, en daar Hij zich beroept op Zijn getuigenis, zeggen zij Hem, dat Hij Zijn getuige voor moet brengen, en tarten Hem om met hem voor den dag te komen. Waar is uw Vader? Zo is het dan, gelijk Christus van hen zei, vers 15, dat zij oordelen naar het vlees. Wellicht bedoelen zij het als een smadelijke aanmerking van wege de geringheid en onbekendheid van Zijne familie. Waar is uw vader? dat hij geschikt zou zijn om in ene zaak als deze getuigenis te geven? Zo maakten zij er zich van af met ene beschimping, toen zij "niet konden weerstaan de wijsheid en den Geest, door welken Hij sprak".
B. Hoe Hij deze vitterij afwees door verdere overtuigende redenen. Hij zei hun niet waar Zijn Vader was, maar beschuldigde hen van moedwillige onwetendheid. Gij kent noch Mij, noch Mijn Vader. Het is nergens toe nut om met u over Goddelijke dingen te spreken, daar gij er over spreekt als blinden over kleuren. Arme schepselen! Gij weet niets van de zaak."
a. Hij beschuldigt hen van onwetendheid omtrent God. "Gij kent Mijn Vader niet." God was bekend in Juda, Psalm 76:2. Zij hadden enige kennis van Hem als den God, die de wereld gemaakt heeft, maar hun ogen waren verduisterd, zodat zij het licht niet konden zien van Zijne heerlijkheid, schijnende in het aangezicht van Jezus Christus. De kinderen van de Christelijke kerk kennen den Vader, kennen Hem als Vader, 1 Johannes 2:13, maar deze oversten der Joden kenden Hem niet, omdat zij Hem als zodanig niet wilden kennen.
b. Hij toont hun de ware oorzaak van hun onbekendheid met God. Indien gij Mij kende, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben. De reden, waarom de mensen God niet kennen, is dat zij Jezus Christus niet kennen. Indien wij Christus kenden, dan zouden wij door Hem te kennen den Vader kennen, wiens uitgedrukt beeld Hij is, Hoofdstuk 14:9. Chrysostomus bewijst hieruit de Godheid van Christus en Zijn even gelijk zijn met den Vader. Wij kunnen niet zeggen: "Wie een mens kent, kent een engel," of: "Wie een schepsel kent, kent den Schepper", maar wie Christus kent, kent den Vader. Door Hem zouden wij onderwezen worden in de kennis van God, ingeleid worden tot bekendheid met Hem. Indien wij Christus beter kenden, wij zouden den Vader beter kennen, maar, waar de Christelijke Godsdienst geminacht wordt en tegengestaan, daar zal de natuurlijke Godsdienst. weldra te loor gaan, op zijde geschoven worden. Deïsme bereidt den weg tot atheïsme. Zij, die niet van Christus willen leren, worden verijdeld in hun overleggingen omtrent God. Ten tweede. Zie hoe hun handen gebonden zijn, hoewel hun tong aldus was losgelaten, zodanig was de macht des hemels, om de boosheid der hel in bedwang te houden.
Deze woorden sprak Jezus, deze stoutmoedige woorden, deze woorden van overtuiging en bestraffing, bij de schatkist, een vertrek van den tempel, waar de overpriesters, wier gewin hun vroomheid was, voorzeker gewoonlijk verblijf hielden, zich bezig houdende met de zaken der inkomsten. Christus leerde in den tempel, nu eens in het ene gedeelte, en dan eens in een ander gedeelte er van, al naar Hij er gelegenheid of aanleiding toe had. Nu zouden de priesters, die zo groten invloed hadden in den tempel en hem beschouwden als hun domein, Hem met behulp der dienaren, die vlogen op hun wenken, gemakkelijk hebben kunnen grijpen, om Hem bloot te stellen aan de woede van het gemeen, en aan de straf, die zij de geseling der rebellen noemden, of, zij hadden Hem ten minste tot zwijgen kunnen brengen, Hem daar den mond hebben kunnen snoeren, zoals aan Amos gebeurde, wie, hoewel hij geduld werd in het land van Juda, verboden werd om in des konings huis of heiligdom te profeteren. Maar toch, zelfs in den tempel, waar Hij onder hun bereik was, heeft niemand Hem gegrepen, want Zijne ure was nog niet gekomen. Zie hier:
1. Hoe door een onzichtbare macht beslag gelegd werd op Zijne vervolgers, niemand durfde zich met Hem te bemoeien. God kan aan den toorn des mensen perken stellen, zoals Hij perken stelt aan de baren der zee. Laat ons dan gene gevaren vrezen, als wij ons op den weg des plichts bevinden, want God heeft Satan en al zijne werktuigen in banden.
2. De reden, waarom er aldus beslag op hen gelegd was: Zijne ure was nog niet gekomen. Het herhaalde melding maken hiervan duidt aan, hoezeer ons heengaan uit deze wereld afhangt van het bepaalde raadsbesluit Gods. Zij, die ure, zal komen, is komende, nog niet gekomen, maar zij is nabij. Onze vijanden kunnen haar niet verhaasten, en onze vrienden haar niet vertragen, zij komt op den tijd, vastgesteld door den Vader, hetgeen troostrijk is voor ieder Godvruchtige, die op kan zien en met genot kan zeggen: Mijne tijden zijn in Uwe hand, en zij zijn er beter dan in de onze. Zijne ure was nog niet gekomen, omdat Zijn werk nog niet volbracht was, en Zijn getuigenis nog niet voleindigd. Er is een tijd voor alle doeleinden Gods.