Johannes 5:1-16
Deze wonderdadige genezing wordt door geen der andere evangelisten vermeld, zij bepalen zich meestal bij de wonderen in Galilea gewrocht, maar Johannes verhaalt die, welke Hij te Jeruzalem gedaan heeft. Betreffende dit wonder hebben wij te letten op:
I. Den tijd, wanneer het gewrocht werd: het was op een feest der Joden, dat is: het paasfeest, want dat werd het meest algemeen gevierd. Hoewel Christus in Galilea woonde, ging Hij toch op naar Jeruzalem op het feest, vers 1.
1. Omdat het ene inzetting Gods was, die Hij, als onderdaan, wilde waarnemen, daar Hij "geworden is onder de wet," hoewel Hij als Zoon zich op vrijstelling er van had kunnen beroepen. Aldus heeft Hij ons willen leren Godsdienstige bijeenkomsten bij te wonen, Hebreeën 10:25.
2. Omdat het ene gelegenheid was om goed te doen, want:
a. Er waren dan vele mensen bijeengekomen, het was een algemene samenkomst, ten minste van ernstig-denkende personen uit alle oorden des lands, behalve nog proselieten van andere natiën, en de Wijsheid moet roepen in het voorste der woelingen, Spreuken 1:21.
b. Men kon hopen, dat zij in een goede stemming verkeerden, want zij waren saamgekomen ter Godsverering en om hun tijd in oefening der Godsvrucht door te brengen, en in zulk een gemoedsstemming kan het hart allicht voor het ontvangen van meer licht geopend worden.
II. De plaats waar deze genezing gewrocht werd, het badwater Bethesda, dat een wonderdadige geneeskracht bezat, en hier in bijzonder- heden beschreven wordt, vers 2-4.
1. Waar het gelegen was: "te Jeruzalem aan de schapenmarkt, epi têi probatikêi. Het zou evengoed overgezet kunnen worden door de schaapskooi, waar de schapen bijeengehouden worden, of de schaapspoort, waarvan wij lezen in Nehemia 3:1, door welke de schapen binnengebracht werden, als de schapenmarkt waar zij verkocht werden. Sommigen denken, dat het nabij den tempel lag, en indien dit zo is, dan bood het een treurig, maar ook een zeer nuttig ge zicht voor hen, die den tempel bezochten.
2. Hoe het genoemd werd. Het was een poel (een vijver of badwater) die in het Hebreeuws genaamd wordt Bethesda, d.i. huis van barmhartigheid, want er werd veel van Gods barmhartigheid gezien jegens kranken. In ene wereld van zoveel ellende als deze, is het goed, dat er enige Bethesda's- huizen van barmhartigheid zijn (geneesmiddelen tegen die krankheden), opdat het toneel niet gans en al treurigheid zij. Een armhuis noemt Dr. Hammond het. Dr. Lightfoot oppert de gissing, dat het de opperste vijver was, Jesaja 7:2, en de oude vijver, Jesaja 22:11, dat het gebruikt werd voor wassing na verontreiniging volgens de ceremoniële wet, ten gerieve waarvan de zalen gebouwd waren, waarin men zich kon ontkleden en kleden, maar in den laatsten tijd was dat water geneeskrachtig geworden.
3. Hoe de inrichting was: het had vijf zalen, gaanderijen, of overdekte wandelplaatsen, waarin de kranken lagen. Aldus heeft de barmhartigheid der mensen samengewerkt met de goedertierenheid Gods tot verlichting van de beproefden. De natuur levert geneesmiddelen op, maar de mensen moeten de ziekenhuizen stichten.
4. Hoe het door kranken en kreupelen bezocht werd, vers 3. In dezelve lag een grote menigte van kranken. Hoe velerlei zijn de beproevingen der beproefden in deze wereld! Hoe vele kranken aan alle plaatsen! Het kan ons goed doen om soms de ziekenhuizen te bezoeken, ten einde in de rampen en ellende van anderen aanleiding te vinden om God te danken voor onze zegeningen. De evangelist noemt drie soorten van kranken, die daar lagen, blinden, kreupelen, verdorden, of mensen, die hetzij in een bijzonder lichaamsdeel, zoals de man, die een verdorde hand had, of wel gans en al verlamd waren. Dezen worden genoemd, omdat zij het minst instaat zijnde zich zelven te helpen om in het water te komen, het langst in de zalen lagen te wachten. Zij, die aan deze lichaamskwalen leden, namen de moeite om van verre te komen, en hadden het geduld om lang te wachten op genezing. Een iegelijk onzer zou hetzelfde gedaan hebben, en wij behoren het ook te doen. Maar ach! mochten de mensen even wijs zijn ten opzichte van hun ziel, en even veel zorg hebben om van hun geestelijke krankheden genezen te worden! Van nature zijn wij in geestelijke zaken gans onmachtig en verlamd, blinden, kreupelen, verdorden, maar er is ruimschoots voorziening gemaakt voor onze genezing, zo wij slechts de orders willen volgen.
5. De geneeskracht van dat water, vers 4.
Een engel daalde neer op zekeren tijd in dat badwater en beroerde het water, die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond. Dat deze geneeskracht natuurlijk, of liever kunstmatig was, en ontstond uit de wassing der offers, die aan het water, ik weet niet welke geneeskracht mededeelden, zelfs v oor blinden, en dat de engel een bode was, een gewone man, die gezonden werd om het water te beroeren, is een denkbeeld, waarvoor hoegenaamd geen grond bestaat, er was in den tempel een vertrek, dat aangewezen en gebruikt werd voor de wassing der offers. Over het algemeen zijn de Schriftverklaarders het er over eens, dat de geneeskracht van dat water bovennatuurlijk was. Het is waar: de Joodse schrijvers, die niet karig zijn in hun spreken over alles wat tot roem en lof van Jeruzalem is, maken hoegenaamd geen gewag van dat geneeskrachtige badwater: maar wellicht is de oorzaak van hun stilzwijgen hierin gelegen, dat het als een voorteken beschouwd werd van de nadering van den Messias. Die nu ontkenden, dat Hij gekomen is, hebben dus zorgvuldig dit teken Zijner komst verborgen gehouden, zodat dit nu het enige bericht is, dat wij er van hebben. Merk op:
a. De toebereiding van het geneesmiddel door een engel, die afdaalde in dat badwater en het water beroerde. Engelen zijn Gods dienstknechten en vrienden der mensen, en zij zijn misschien meer werkzaam in het wegnemen of doen ophouden van krankheden (zoals boze engelen werkzaam zijn om ze in de wereld te brengen) dan wij weten of vermoeden. Raphael, de apocriefe naam van een engel, betekent Gods medicijn, of liever, Gods geneesmeester. Zie tot welk gering dienstbetoon de engelen zich verwaardigen, ten behoeve der Godvruchtigen. Indien wij den wil Gods konden doen zoals de engelen hem doen, dan zouden wij niets dan de zonde beneden ons achten. De beroering van het water was het teken van de afdaling des engels, zoals de gang in de toppen der moerbeziënbomen het teken was voor David, hij moest dan uittrekken ten strijde, en die kranken moesten zich dan inspannen om in het water te komen. De wateren van het heiligdom zijn genezend, als zij in beweging worden gebracht. Leraren moeten de gave opwekken, die in hen is. Als zij koud, loom en dof zijn, dan bezinkt het water en heeft gene kracht tot genezing. De engel daalde af om het water te beroeren, niet dagelijks, en wellicht niet dikwijls, maar op zekeren tijd, sommigen denken, dat het bij de drie plechtige feesten was om er luister en lieflijkheid aan bij te zetten, of nu en dan, naar de Oneindige Wijsheid goeddocht. God is vrij in het betonen Zijner gunstbewijzen. a, De werking der medicijn: die dan eerst daarin kwam werd gezond, Hier is een wonderbare uitgestrektheid van die geneeskracht, welke ziekte het ook was, door dit water werd zij genezen. Natuurlijke en kunstmatige baden zijn in sommige gevallen even schadelijk, als zij in andere gevallen nuttig en heilzaam zijn, maar dit was een geneesmiddel tegen elke ziekte, zelfs tegen die, welke uit tegenovergestelde oorzaken ontstaan zijn. De kracht van het wonder zal overmogen en welslagen, waar de kracht der natuur van generlei uitwerking is. Een wonderbare beperking der geneeskracht, ten opzichte der personen, die genezen werden. Die het eerst in het water kwam, had er het voordeel van, dat is: hij of zij, die terstond in het water kwam, werd genezen, niet zij, die draalden en later in het water kwamen. Dit leert ons de gelegenheden waar te nemen en te gebruiken, en goed uit onze ogen te zien, opdat wij geen tijd of gunstige gelegenheid laten voorbijgaan, die wellicht nooit terug zal komen. De engel beroerde het water, maar de kranken moesten er zelf zien in te komen. God heeft kracht gelegd in de Schrift en de inzettingen, want Hij wil dat wij genezen worden, maar indien wij er geen behoorlijk gebruik van maken, dan is dit onze eigen schuld, wij willen niet genezen worden. Dit nu is het enig bericht dat wij hebben omtrent dit wonder, het is onzeker wanneer het begon en wanneer het eindigde. Naar sommiger gissing begon het toen Eliasib, de hogepriester, den muur rondom Jeruzalem begon te bouwen, en hem heiligde door gebed, en dat God Zijn welbehagen er in te kennen gaf door die geneeskracht in het water van den naburigen vijver te leggen. Sommigen denken, dat het nu onlangs, bij de geboorte van Christus, was begonnen. Naar aanleiding van de vermelding door Josephus, Antiq. lib. XV Cap, 7, ener grote aardbeving in het zevende jaar der regering van Herodes, dertig jaar voor de geboorte van Christus, meent Dr. Lightfoot, dat, terwijl er bij nederdaling van engelen aardbevingen plachten te zijn, de engel toen voor het eerst neerkwam om het water te beroeren. Sommigen denken dat het ophield, toen Christus dit wonder deed, anderen, dat het ophield bij Christus' dood, hoe dit zij, het had een grote en genaderijke betekenis. Ten eerste. Het was een teken van Gods welbehagen in dat volk, en ene aanduiding, dat, hoewel zij zo langen tijd zonder profeten en zonder wonderen geweest zijn, God hen toch niet had verstoten, ofschoon zij nu een verdrukt en veracht volk waren, en velen bereid waren te zeggen: Waar zijn al Zijne wonderen, die onze vaders ons verteld hebben? God heeft hun hierdoor doen weten, dat Hij nog goedertieren was over de stad hunner bijeenkomsten. Hieruit kunnen wij aanleiding nemen om Gods macht en goedheid te erkennen in de minerale wateren, die zoveel bijdragen tot de gezondheid der mensen, want God heeft de fonteinen der wateren gemaakt, Openbaring 14:7. Ten tweede. Het was een type van den Messias, die de geopende Fontein is, en het was bestemd om de verwachting des volks op te wekken van Hem, die de Zon der gerechtigheid is, en opgaat met genezing onder Zijne vleugelen. Deze wateren werden vroeger gebruikt tot reiniging, thans tot genezing, om zowel de reinigende als de genezende kracht aan te duiden van het bloed van Christus, het weergaloze bad, hetwelk al onze krankheden geneest. De wateren van Siloa, die dezen vijver vulden, duidden het koninkrijk aan van David, en van Christus, den Zone David's, Jesaja 8:6, het is dus zeer gepast, dat er thans deze geneeskracht in gelegd was. Het bad der wedergeboorte is voor ons als het badwater van Bethesda, onze geestelijke krankheden genezend, niet slechts op zekere bepaalde tijden, maar op alle tijden. Die wil, kome.
III. De zieke, in wie deze genezing gewerkt was, vers 5, een mens, die acht en dertig jaren ziek gelegen had. 1. Zijne ziekte was bedroevend. Hij leed aan zwakheid, machteloosheid, hij had het gebruik zijner ledematen verloren, ten minste aan ene zijde, zoals meestal bij verlamming. Het is treurig, als het lichaam zo zwak en machteloos is, dat het, in plaats van het werktuig der ziel te zijn, zelfs voor de zaken dezes levens haar tot last geworden is. Hoe veel reden hebben wij niet om God te danken voor lichaamskracht, haar te gebruiken voor Hem, en medelijden te hebben met hen, die Zijne gevangenen zijn.
2. De lange duur van zijne ziekte was verdrietelijk: acht en dertig jaren! Hij was langduriger lam dan de meeste mensen leven. Velen zijn gedurende zo langen tijd ongeschikt voor de werkzaamheden des levens, dat zij, gelijk de psalmist, klagen tevergeefs geschapen te zijn, geschapen tot lijden, niet tot arbeiden en dienen, geboren om voortdurend te sterven. Zullen wij klagen over een enkelen moeizaam doorgebrachten nacht, of over een aanval van ziekte, wij, die wellicht gedurende vele jaren nauwelijks geweten hebben wat het is om een dag ziek te zijn, terwijl vele anderen, beteren dan wij zijn, nauwelijks hebben geweten wat het is om een dag gezond te wezen? Wat Ds. Baxter over deze Schriftuurplaats schrijft, is zeer aandoenlijk: "Hoe groot ene goedertierenheid was het om acht en dertig jaren onder Gods heilzame tucht geleefd te hebben! O mijn God", zegt hij, "ik dank U voor dezelfde tucht van acht en vijftig jaren. Hoe veilig is zulk een leven in vergelijking van een leven van volkomen voorspoed en genot!"
IV. De genezing en de omstandigheden, die er mede gepaard gingen, kortelijk verhaald, vers 6-9.
1. "Jezus hem ziende liggen". Merk op dat Christus, als Hij opging naar Jeruzalem niet de paleizen bezocht, maar de hospitalen, hetgeen een blijk is van Zijne nederigheid en neerbuigende goedheid, en ene aanduiding van het grote doel, waarmee Hij in de wereld is gekomen, namelijk om kranken en gewonden te zoeken en te genezen. Er was hier in Bethesda een grote menigte van arme kreupelen, maar Christus richtte Zijn oog op dezen ene en koos hem uit al de anderen, omdat hij de oudste was in het huis, en in erbarmelijker toestand was dan al de anderen, en Christus verlustigt zich er in de hulpelozen te helpen, en Hij zal zich ontfermen over wie Hij zich ontfermen zal. Wellicht hebben zijne metgezellen in het lijden met hem gespot, omdat hij zo dikwijls teleurgesteld was in zijne hoop op genezing, daarom heeft Christus hem als Zijn patiënt aangenomen. Het is Zijne eer om aan de zijde der zwakken te wezen, en hen te ondersteunen en te helpen, die door de sterkeren gesmaad en achtergesteld worden.
2. Hij wist, hoe lang hij in dien treurigen toestand daar gelegen had. Zij, die langdurige beproevingen hebben geleden, kunnen zich vertroosten met het denkbeeld, dat God rekening houdt van dien langdurigen tijd, en dat Hij weet wat maaksel wij zijn.
3. Hij vroeg hem: Wilt gij gezond worden? Een vreemde vraag aan iemand, die zo langen tijd ziek was geweest. Er waren sommigen, die ook werkelijk niet gezond gemaakt wilden worden, omdat hun kwalen en lichaamsgebreken hen tot verontschuldiging dienden om te bedelen en hun leven in luiheid door te brengen, maar deze arme man was even onbekwaam om te gaan bedelen als om te werken, toch heeft Christus hem die vraag gedaan.
a. Om uitdrukking te geven aan Zijn medelijden met hem. Met tedere belangstelling doet Christus onderzoek naar de begeerten van hen, die in benauwdheid of kom mer zijn, Hij wenst te weten wat hun verzoek en hun bede is. "Wat zal Ik voor u doen?" b. Om hem op de proef te stellen en te zien of hij de genezing te danken wilde hebben aan Hem, tegen wie de groten en aanzienlijken bevooroordeeld waren, en die ook anderen tegen Hem zochten te bevooroordelen.
c. Om hem de waardij van den zegen te leren verstaan, en zijne begeerte er naar op te wekken. In geestelijk opzicht zijn de mensen gans niet bereid om genezen te worden van hun zonden, zij doen er niet gaarne afstand van. Is dat doel nu eens bereikt, zijn de mensen gewillig om gezond gemaakt te worden, dan is het werk al half gedaan, want Christus is gewillig om te genezen, als wij slechts gewillig zijn om genezen te worden, Mattheus 8:3.
4. Die arme kreupele neemt de gelegenheid waar om zijne klacht te vernieuwen en het treurige van zijn toestand bloot te leggen, waardoor het heerlijke zijner genezing nog te meer uitkomt: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, vers 7. Hij schijnt Christus' vraag op te vatten als ene beschuldiging van onverschilligheid en onachtzaamheid. "Indien gij gezond had willen worden, gij zoudt wel beter de gelegenheid hebben waargenomen, en reeds voorlang in het genezende water zijn gekomen." "Neen, Heere", zegt de arme man, "het is niet uit gebrek aan goeden wil, maar aan een goeden vriend, dat ik nog niet genezen ben. Ik heb gedaan wat ik kon om mij zelven te helpen, maar tevergeefs, en er is niemand, die mij helpen wil."
a. Hij denkt er niet aan een ander middel om genezen te worden dan door deze wateren, en verlangt naar geen ander betoon van vriendschap dan hulp om er in te komen. Daarom heeft, toen Christus hem genas, zijne verbeelding niet kunnen bijdragen tot die genezing, want aan zo iets heeft hij niet eens gedacht.
b. Hij klaagt over gebrek aan vrienden, om hem in het water te helpen. "Ik heb geen mens, geen vriend, om mij dien dienst te bewijzen." Men zou gedacht hebben, dat sommigen van hen, die zelf genezen waren, hem hun bijstand geboden zouden hebben, maar het is iets gewoons, dat de armen gene vrienden hebben, niemand zorgt voor hun ziel. Het is evenzeer barmhartigheid om voor kranken en hulpelozen te werken, als om hen te ondersteunen, en zo zijn dus de armen in de gelegenheid om barmhartig te zijn jegens elkaar, en zij behoren dit ook te zijn, hoewel wij slechts zelden zien, dat zij het zijn, ik zeg het tot hun schande.
c. Hij betreurt zijn ongeluk, dat het dikwijls gebeurde, dat een ander hem voor was juist op het ogenblik, wanneer hij in het water zou gaan. Slechts een stap tussen hem en genezing, en toch blijft hij ziek. Niemand was barmhartig genoeg om hem te zeggen: "Gij zijt er erger aan toe dan ik, ga gij dus voor, en ik zal wachten tot den volgenden keer, want boven de oude spreuk van "elk voor zich" schijnt men zich niet te kunnen verheffen. Zo dikwijls teleurgesteld zijnde, begint hij te wanhopen, en nu is het Christus' tijd om hem te hulp te komen, Hij verlustigt er zich in te helpen als de nood op het hoogst is geklommen. Let er op met hoeveel zachtmoedigheid deze man spreekt van de onvriendelijkheid van hen, die hem omringen, zonder zich gemelijk over hen uit te laten. Gelijk wij dankbaar moeten wezen voor de minste vriendelijkheid, zo behoren wij ook geduldig te zijn onder de grootste veronachtzaming, en al is onze gevoeligheid over veronachtzaming ook nog zo rechtvaardig, onze uitdrukkingen behoren toch kalm te zijn. Merk ook nog verder op tot zijn lof, dat hij, hoe lang ook vergeefs gewacht hebbende, toch nog bij het badwater bleef liggen, hopende dat hem vroeg of laat hulp gezonden zou worden, Habakuk 2:3. 5. Hierop geneest onze Heere Jezus hem door een woord sprekens, hoewel hij hierom noch gevraagd, noch er ook zelfs aan gedacht had. Hier is:
a. Het woord, dat Hij zei: Sta op, neem uw beddeken op, vers 8. Sta op en wandel wordt hem geboden, een vreemd bevel aan een verlamde, die reeds lang het gebruik zijner ledematen had verloren, maar dit Goddelijk woord was het voertuig der Goddelijke macht, het was een bevel aan de ziekte om weg te gaan, aan de natuur om sterk te zijn, maar het wordt uitgedrukt als een bevel aan hem om zich te bewegen, zich in te spannen. Hij moet opstaan en wandelen, dat is: pogen dit te doen, en in de poging zal hij kracht ontvangen om het te doen. De bekering van een zondaar is de genezing van een chronische ziekte. Dit geschiedt gewoonlijk door het woord, een woord van bevel. Sta op, en wandel, bekeer u, en leef, maak u een nieuw hart, hetgeen niet meer de kracht in ons onderstelt, om dit te doen zonder de genade Gods, de onderscheidende genade, dan hier zodanig ene kracht in den verlamden man ondersteld wordt. Maar indien hij nu niet beproefd had zich zelven te helpen, hij zou niet genezen zijn geworden, en dan zou dat zijne schuld zijn geweest. Toch volgt hier niet uit, dat, toen hij opstond en wandelde, hij dit door zijn eigen kracht gedaan heeft, neen, het was door de kracht van Christus, en Hij moet er al de ere voor ontvangen. Christus zei hem niet op te staan en in het water te gaan, maar op te staan en te wandelen. Christus heeft voor ons gedaan wat de wet niet heeft kunnen doen, en heeft haar ter zijde gezet. Hij krijgt bevel om zijn beddeken op te nemen. Ten eerste. Om te doen blijken, dat de genezing volkomen was en gans wonderbaarlijk, want hij heeft niet langzamerhand zij ne krachten teruggekregen, neen, van het uiterste van zwakheid en onmacht geraakte hij plotseling tot de hoogste mate van lichaamskracht, zodat hij instaat was om een even zwaren last te dragen, als iemand die er even lang aan gewend was, als hij er van afgewend was. Hij, die zo-even nog niet instaat was om zich om te keren op zijn bed, was in het volgende ogenblik instaat zijn bed te dragen. Aan den geraakte, Mattheus 9:6, werd bevolen naar zijn huis te gaan, maar deze man had waarschijnlijk geen huis, het hospitaal was zijn tehuis, en daarom wordt hem bevolen op te staan en te wandelen. Ten tweede. Het was om de genezing bekend te maken, want daar het de sabbatdag was moest ieder, die op straat wat droeg, in het oog vallen, iedereen zou vragen wat dat betekende, en aldus zou het bericht dier genezing tot eer van God alom verspreid worden. Ten derde. Christus wilde zodoende getuigen tegen de inzetting der ouden, die de wet van den sabbat, tegen de oorspronkelijke bedoeling er van, overdreven streng maakte, en Hij wilde tevens tonen, dat Hij een Heere was van den sabbat en macht had om er de veranderingen aan te maken, die Hem goed dachten. Jozua en het heirleger Israël's zijn, toen God het hun gebood, op den sabbat rondom Jericho gegaan, en zo heeft deze man, in gehoorzaamheid aan het bevel, dat hem gegeven was, zijn bed gedragen. Het geval kan zich voordoen, dat het een werk van noodzakelijkheid of barmhartigheid wordt, om op den sabbat een bed te dragen. Maar hier was het nog meer, het was een werk der Godsvrucht, daar het zuiver en alleen tot eer van God bedoeld was. Ten vierde. Hij wilde hiermede het geloof en de gehoorzaamheid van den patiënt op de proef stellen. Door openlijk zijn bed te dragen stelde hij zich bloot aan de afkeuring en blaam van de kerkelijke rechtbank, en was hij, op zijn minst, onderhevig om in de synagoge gegeseld te worden. Zal hij zich nu uit gehoorzaamheid aan Christus hieraan blootstellen? Voorzeker. Zij, die door Christus' woord genezen zijn, moeten zich ook door Zijn woord laten leiden en best uren, wat het hun ook moge kosten.
b. De kracht en uitwerking van dat woord, vers 9. Er lag een Goddelijke kracht in, en terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. Hij gevoelde. hoe de kracht van Christus' woord hem genas: terstond werd hij gezond. Welk een blijde verrassing was dit voor den armen kreupele, zich plotseling zo wel, zo sterk te gevoelen, zo volkomen instaat zich zelven te helpen! In welk een nieuwe wereld gevoelde hij zich verplaatst, en als in een ogenblik! Voor Christus is niets te moeilijk, niets onmogelijk! Hij gehoorzaamde aan het woord van Christus' bevel aan hem. Hij nam zijn beddeken op en wandelde, en bekommerde er zich niet om, dat hij deswege door iemand gelaakt of gedreigd zou worden. Het bewijs, dat wij geestelijk gezond gemaakt zijn, is dat wij opstaan en wandelen. Heeft Christus on ze geestelijke krankheden genezen? Zo laat ons heengaan overal waar Hij ons zendt, en opnemen alles wat Hem behaagt ons op te leggen, en laat ons wandelen voor Zijn aangezicht.
V. Wat er van den man na zijne genezing is geworden. Er wordt ons hier meegedeeld:
1. Wat er is voorgevallen tussen hem en de Joden, die hem op den sabbatdag zijn bed zagen dragen, want op dien dag was de genezing gewrocht, en het was de sabbat, die in de paasweek viel, en daarom groot was, Hoofdstuk 19:31. Christus' werk was van zulk een aard, dat Hij er geen onderscheid voor behoefde te maken tussen sabbatdagen en andere dagen, want Hij was altijd bezig in het werk Zijns Vaders, maar Hij heeft op dien dag vele merkwaardige genezingen tot stand gebracht, misschien wel om Zijne kerk aan te moedigen om die geestelijke gunstbewijzen van Hem te verwachten bij hun waarnemen van den Christelijken sabbat, waarvan Zijn wonderdadige genezingen typen en afschaduwingen zijn geweest.
a. De Joden twistten met den man, omdat hij op den sabbatdag zijn bed droeg, zeggende, dat het hem niet geoorloofd was, vers 10. Het blijkt niet, dat zij overheidspersonen waren, die de macht hadden hem te straffen, of lieden uit het volk, die hem slechts konden aanklagen, maar in zoverre waren zij prijzenswaardig, dat zij, niet wetende op wiens gezag hij het deed, ijverden voor de ere van den sabbat, en het niet met onverschilligheid konden aanzien, dat hij ontheiligd werd, zoals Nehemia, Nehemia 13:17.
b. De man rechtvaardigde zijn doen door een gezag, dat hem kon ondersteunen en verdedigen, vers 11. "Ik doe dit niet uit minachting voor den sabbat of voor de wet, maar uit gehoorzaamheid aan Enen, die, door m ij gezond te maken, m ij het onmiskenbare bewijs heeft gegeven, dat Hij groter, meerder is dan die beiden. Hij, die zulk een wonder kon doen om mij gezond te maken, kon mij ongetwijfeld ook zulk een bevel geven om mijn bed te dragen, Hij, die de krachten der natuur kon beheersen, kan ongetwijfeld ook beslissen omtrent ene wet, inzonderheid in een geval, waar zij niet tot het eigenlijke wezen der wet behoort. Hij, die zo vriendelijk was om m ij gezond te maken, zou niet zo onvriendelijk zijn om m ij iets te bevelen, dat zondig is". Door de genezing van een anderen verlamde heeft Christus Zijne macht bewezen om de zonden te vergeven, hier om de wet te geven, indien zijne vergeving geldig is, dan zijn Zijne wetten het ook, en van die beiden zijn Zijne wonderen het bewijs.
c. De Joden vroegen verder wie hem daartoe gemachtigd had, vers 12. Wie is de mens? Merk op, hoe zorgvuldig zij voorbij zagen hetgeen een grond zou kunnen zijn voor hun geloof in Christus. Zij vragen niet, neen zelfs niet uit nieuwsgierigheid: "Wie is het, die u gezond gemaakt heeft?". Terwijl zij zeer ijverig letten op iets, dat ten nadele van Christus aangevoerd kon worden. (Wie is het, die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op?) zijn zij er op uit om den patiënt, onder bedreiging van straf, als getuige tegen zijn arts te doen optreden en zijn verrader te zijn. In hun vraag tonen zij besloten te zijn Christus niet anders dan als bloot mens te beschouwen. Wie is de mens? Want nooit zullen zij Hem als Zoon van God erkennen, al geeft Hij er hun ook de overtuigendste bewijzen van dat Hij het is. Zij zijn ook besloten Hem voor een slecht mens te houden, en nemen als bewezen aan, dat Hij, die den man gebood zijn beddeken te dragen, welke blijken Hij ook kon tonen van Zijn Goddelijke opdracht en zending, een overtreder is, en als zodanig zullen zij Hem dan ook vervolgen. "Wie is de mens, die zulke orders heeft durven geven?"
d. De arme man was niet instaat hun enigerlei inlichting omtrent Hem te geven: Hij wist niet, wie Hij was, vers 13. Christus was hem onbekend, toen Hij hem genas. Waarschijnlijk had hij Jezus horen noemen, maar hij had Hem nooit gezien, en daarom kon hij niet zeggen dat Hij het was. Christus bewijst menige goeden dienst aan hen, die Hem niet kenden, Jesaja 45:4, 5. Hij verlicht, versterkt, verlevendigt, vertroost ons, en wij wisten niet wie Hij is, en evenmin weten wij hoeveel wij dagelijks door Zijne bemiddeling ontvangen. Deze man, niet met Christus bekend zijnde, kon niet werkelijk geloven door Hem genezen te zullen worden, maar Christus kende zijne gemoedsgesteldheid, en regelde daarnaar Zijne gunsten, zoals Hij dit in dezelfde omstandigheden voor den blinde deed, Hoofdstuk 9:36. Onze verbondsbetrekking tot en onze gemeenschap met God komen niet zozeer voort uit ons kennen van Hem, als uit Zijn kennen van ons. Wij kennen God, ja veel meer, wij worden van God gekend, Galaten 4:9. Voor het ogenblik bleef Hij onbekend, want zodra Hij de genezing gewerkt had, was Jezus ontweken, maakte Hij zich onbekend, zoals sommigen hier lezen, alzo er een grote schare in die plaats was. Dit wordt vermeld om aan te tonen, hetzij: Ten eerste. Hoe Christus was ontweken-door zich terug te trekken uit de menigte, zodat Hij niet van anderen onderscheiden kon worden. Hij, die de banier draagt boven tien duizend, heeft zich dikwijls gemaakt tot een onder een grote menigte. Het is somwijlen het lot van hen, die zich door hun uitnemende diensten hebben onderscheiden, om op een ne lijn gesteld te worden met de grote menigte, en voorbij gezien te worden. Of, ten tweede. Waarom Hij was ontweken, omdat er een grote schare was, en Hij zorgvuldig zowel de toejuiching vermeed van hen, die het wonder zouden bewonderen en verheffen, als de afkeuring van hen, die Hem zouden blameren als een sabbatschender. Zij, die in hun geslacht werkzaam zijn voor God, moeten verwachten om door kwaad gerucht en goed gerucht te zullen gaan, en is het wijs en verstandig om zo veel mogelijk buiten het gehoor van die beiden te blijven, opdat wij ons door het ene niet zouden verheffen, en door het andere niet bovenmate neergedrukt zouden worden. Christus liet het aan het wonder zelf over om zich den mensen aan te bevelen en aan den man, die genezen was, aan wie het wonder dus gewerkt was, om het te rechtvaardigen.
2. Hetgeen er voorviel tussen hem en onzen Heere Jezus bij hun volgende ontmoeting, vers 14. Merk hier op:
a. Waar Christus hem vond: in den tempel, de plaats der openlijke Godsverering. Als wij de openbare Godsdienstoefeningen bijwonen, dan kunnen wij verwachten Christus te zullen ontmoeten, en onze kennismaking met Hem te zullen vernieuwen. Merk op, Christus ging naar den tempel. Hoewel Hij vele vijanden had, verscheen Hij toch in het openbaar, omdat Hij daar Zijn getuigenis gaf aan de Goddelijke inzettingen en de gelegenheid had om goed te doen. De man, die genezen was, ging naar den tempel. Dáár vond hem Christus op dezelfden dag, dat hij genezen was, naar het schijnt. Derwaarts heeft hij zich terstond begeven.
Ten eerste. Omdat hij door zijne kwaal gedurende langen tijd er van af was gehouden. Wellicht is hij er in geen acht en dertig jaren geweest, en daarom, zodra het beslag is opgeheven. zal zijn eerste bezoek wezen aan den tempel, gelijk Hizkia zijn voornemen daartoe te kennen heeft gegeven, Jesaja 38:22. Welk zal het teken zijn, dat ik ten huize des Heeren zal opgaan? Ten tweede. Omdat hij in zijn herstel een goede reden had om derwaarts heen te gaan, hij ging naar den tempel om dank te brengen aan God voor zijne genezing. Als God ons te eniger tijd uit ziekte heeft opgericht, dan behoren wij met plechtige lofzegging tot Hem te naderen, Psalm 116:18, 19, en dat wel hoe eerder hoe beter, terwijl het besef van de ontvangen weldaad nog levendig in ons is.
Ten derde. Omdat hij, door zijn bed te dragen, minachting scheen te betonen voor den sabbat, en nu wilde hij tonen, dat hij den sabbat eerde, en nauwgezet den sabbat begeerde te heiligen in hetgeen het voornaamste was, namelijk in de openbare Godsverering. Werken van noodzakelijkheid en barmhartigheid zijn geoorloofd, maar als die verricht zijn, dan moeten wij naar den tempel gaan.
b. Wat Hij tot hem zei. Als Christus ons genezen heeft, dan heeft Hij nog niet met ons afgedaan, Hij begeeft er zich nu toe om zijne ziel te genezen, en ook dit door het woord. Hij geeft hem ene herinnering aan zijne genezing: Zie, gij zijt gezond geworden. Hij bevond zich gezond. maar Christus vestigde er toch nog zijne aandacht op. Zie, denk er ernstig over na, hoe plotseling, hoe wonderbaar, hoe goedkoop hoe gemakkelijk de genezing was, bewonder haar, zie, en verwonder u, gedenk er aan, laat de indruk er van u bijblijven, en nooit uitgewist worden, Jesaja 38:9. Hij geeft hem ene waarschuwing tegen de zonde, in aanmerking er van. Zie, gij zijt gezond geworden, zondig niet meer. Hierin ligt opgesloten, dat zijne ziekte ene straf is geweest voor zonde, hetzij een merkwaardig in het oog lopende zonde, of alleen maar ene zonde in het algemeen, wij weten het niet, maar wèl weten wij, dat de zonde oorzaak is van ziekte, Psalm 107:17, 18. Sommigen maken de opmerking, dat Christus tot geen Zijner patiënten van zonde spreekt behalve tot dezen verlamde, en tot een ander, die aan een gelijksoortige ziekte leed, Markus 2:5. Zolang deze chronische ziekten duurden, werd er de uitwendige daad van vele zonden door voorkomen, en daarom was bij het verdwijnen der onmacht, waakzaamheid des te meer noodzakelijk. Christus geeft te kennen dat zij, die gezond gemaakt zijn, die ontheven zijn van de dadelijke, merkbare straf der zonde, in gevaar verkeren van een terugkeer tot de zonde als de verschrikking en het bedwang voorbij zijn, tenzij door Gods genade de fontein der zonde opgedroogd wordt. Als de benauwdheid, die den stroom slechts stremde, voorbij is, dan zullen de wateren hun gewonen loop hernemen, en daarom is waakzaamheid zo hoog nodig, opdat wij na den zegen der genezing niet wederkeren tot dwaasheid. De ellende, waarvan wij verlost zijn, waarschuwt ons om niet meer te zondigen, de pijn der zonde gevoeld hebbende, legt de genade, waardoor wij gezond gemaakt zijn, ons de verplichting op om niet weer te overtreden tegen Hem, die ons genezen heeft. Van elke beschikking van Gods voorzienigheid gaat ene stem uit, die ons toeroept: Ga heen, zondig niet meer. Deze man begon zijn nieuwe leven zeer hoopgevend, in den tempel, maar toch vond Christus het nodig om hem deze waarschuwing te geven, want het is iets zeer gewoons, dat mensen, als zij ziek zijn, veel beloven, na hun herstel ook iets volbrengen, maar na een wijle weer alles vergeten. Hij waarschuwt hem voor zijn gevaar, als hij tot zijn vorige zondige levenswijze terugkeert: opdat u niet wat ergers geschiede. Christus, die het hart kent van alle mensen, wist dat hij een dezulke was, die van de zonde weggeschrikt moeten worden. Acht en dertig jaren van verlamming is, zou men zo denken, waarlijk al erg genoeg, toch is er nog iets ergers, dat hem zal overkomen, indien hij terugvalt in zonde, nadat God hem zulk ene verlossing geschonken heeft, Ezra 9:13, 14. Het hospitaal, waarin hij lag, was een somber, treurig verblijf, maar de he! is dit nog veel meer. Het oordeel over afvalligen is iets veel ergers dan acht en dertig jaren van verlamming. VI. Laat ons nu, na dit onderhoud tussen Christus en Zijn patiënt, in de twee volgende verzen opmerken:
1. Het bericht, dat deze arme, eenvoudige man van Christus aan de Joden heeft gegeven, vers 15. Hij zei hun, dat het Jezus was, die hem gezond had gemaakt. Wij hebben reden te denken, dat hij dit tot eer van Christus heeft bedoeld en tot welzijn der Joden, weinig denkende, dat Hij, die zo veel macht en goedheid had, vijanden kon hebben. Maar zij, die het goede wensen voor Christus' koninkrijk, moeten de voorzichtigheid hebben der slangen, opdat zij met hun ijver niet meer kwaad dan goed doen, en gene paarlen werpen voor de zwijnen.
2. De woede en vijandschap der Joden tegen Hem: Daarom vervolgden de Joden Jezus. Zie:
a. Hoe ongerijmd en onredelijk hun vijandschap tegen Christus was. Daarom dat Hij een armen kranken mens gezond had gemaakt, en hiermede den openbaren last had verlicht, daar hij waarschijnlijk van de openbare liefdadigheid had geleefd, daarom vervolgden zij Hem, dus omdat Hij goed deed in Israël.
b. Hoe wreed en bloeddorstig die vijandschap was: zij zochten Hem te doden. Niets minder dan Zijn bloed kon hen tevreden stellen.
c. Hoe dit ging onder schijn van eerbied voor den sabbat, want de voorgewende misdaad was, dat Hij deze dingen op den sabbat deed, alsof deze omstandigheid genoeg was om de beste daden te bederven, en Hem aanstotelijk te maken, wiens daden en handelingen anders bij uitstek verdienstelijk waren. Aldus zullen geveinsden dikwijls hun wezenlijke vijandschap tegen de kracht der Godzaligheid bedekken onder voorgewenden ijver voor de gedaante der Godzaligheid.