Johannes 4:27-42
Wij hebben hier het overige van het verhaal van hetgeen er gebeurde, toen Christus in Samaria was, na het lange onderhoud, dat Hij met de vrouw heeft gehad.
I. De stoornis in het gesprek door de komst der discipelen. Er is waarschijnlijk meer gesproken dan hier meegedeeld wordt, maar juist toen Christus zich aan haar als den waren Messias had bekend gemaakt, kwamen de discipelen. De dochters van Jeruzalem zullen mijne liefde niet opwekken, noch wakker maken, totdat het Hem luste.
1. Zij verwonderden zich, dat Christus met deze vrouw in gesprek was, verwonderden zich, dat Hij zo ernstig sprak (zoals zij wellicht al van verre gezien hebben) met ene vrouw, een vreemde vrouw alleen (Hij placht meer terughoudend te zijn) inzonderheid met een Samaritaanse, die niet behoorde tot de verloren schapen van het huis Israël's. Zij dachten, dat hun Meester even schuw zou zijn van de Samaritanen als de andere Joden, ten minste, dat Hij hun het Evangelie niet zou prediken. Zij verwonderden zich, dat Hij zich verwaardigde om met zulk een arme, verachtelijke vrouw te spreken, vergetende wat verachtelijke mannen zij zelven waren, toen Christus hen het eerst tot Zijne gemeenschap had geroepen.
2. Toch berustten zij er in, zij wisten dat Hij er een goede reden voor had en er iets goeds mede op het oog had, waarvan Hij hun geen rekenschap behoefde te geven, en daarom heeft niemand hunner gevraagd: Wat vraagt Gij? of Wat spreekt Gij met haar? Aldus is het goed, om, wanneer ons bijzondere moeilijkheden voorkomen in het Woord, of in de voorzienigheid Gods, ons in het algemeen hiermede tevreden te stellen, dat alles wèl is wat Jezus Christus zegt en doet. Wellicht was er wel iets verkeerds in hun verwondering dat Christus met de vrouw sprak, het was iets, zoals de ergernis van de Farizeeën vanwege Zijn eten met tollenaren en zondaren. Maar wat zij nu ook mogen gedacht hebben, zij zeiden niets. Zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond! ten einde te beletten dat die boze gedachte in een boos woord wordt verkeerd, Spreuken 30:32, Psalm 39:2-4. II. Het bericht der vrouw aan hare naburen omtrent den buitengewonen persoon, dien zij zo gelukkig ontmoet had, vers 28, 29. Merk hier op:
1. Hoe zij vergat, waarvoor zij aan de fontein gekomen was, vers 28. Omdat de discipelen gekomen waren en het gesprek hadden onderbroken, en wellicht ook omdat zij bemerkte, dat zij er niet mede ingenomen waren, ging zij heen. Uit beleefdheid voor Christus trok zij zich terug, opdat Hij Zijn middagmaal zou kunnen gebruiken. Zij genoot van Zijn gesprek, maar wilde niet lomp wezen, alles heeft een bestemden tijd. Zij dacht, dat Christus, na Zijn middagmaal gebruikt te hebben, Zijne reis zou voortzetten, en daarom haastte zij zich om er hare geburen mede in kennis te stellen, opdat zij spoedig komen zouden. Nog een kleinen tijd is het licht bij ulieden. Zie, hoe zij haar tijd gebruikte, als het ene goede werk gedaan was, begon zij aan een ander. Als de gelegenheid om iets goeds te verkrijgen voorbij is, of gestoord wordt, dan moeten wij naar ene gelegenheid uitzien om goed te doen, als wij het Woord gehoord hebben, dan is het tijd om er van te spreken. Er wordt nota van genomen, dat zij haar watervat verliet.
a. Zij verliet het uit vriendelijkheid voor Christus, opdat Hij water zou hebben om bij Zijn middagmaal te drinken, want schoon water was Zijn drank, voor anderen heeft Hij water in wijn verkeerd, niet voor zich zelven. Vergelijk dit met Rebekka's beleefdheid jegens Abrahams dienstknecht, Genesis 24:18, en zie de belofte in Mattheus 10:42.
b. Zij verliet het, om zich des te eerder naar de stad te kunnen spoeden en deze goede tijding te brengen. Zij, wier werk en roeping het is om den naam van Christus te verkondigen, moeten zich niet bezwaren of belemmeren door iets, dat hen daarin kan hinderen of op- houden. Als de discipelen tot vissers van mensen gemaakt worden, dan moeten zij alles verlaten.
c. Zij verliet haar watervat als er niet om gevende, er zich niet om bekommerende, daar zij nu gans vervuld was van betere dingen. Zij, die tot de kennis van Christus gebracht worden, tonen dit door een heilige minachting van deze wereld en de dingen dezer wereld. En zij, die nog pas bekend zijn geworden met de dingen Gods, moeten verontschuldigd worden, als zij in den beginne zo ingenomen worden door de nieuwe wereld, waarin zij gekomen zijn, dat de dingen dezer wereld voor een tijd gans en al door hen veronachtzaamd schijnen te worden. Ds. Hildersham heeft in een zijner leerredenen over dezen tekst naar aanleiding van dat voorbeeld diegenen ruimschoots gerechtvaardigd, die op weekdagen hun wereldse zaken verlaten om een Evangelieprediking te kunnen bijwonen.
2. Hoe zij bedacht was op hare boodschap in de stad, want haar hart was er in. Zij ging heen in de stad, en zei tot de lieden-waarschijnlijk de lieden, die het bestuur der stad vormden en gezag uitoefenden, die zij misschien daar voor openbare aangelegenheden bijeen vergaderd vond, of, tot de lieden, dat is-tot iedereen, dien zij op straat ontmoette. Zij verkondigde het in het voorste der woelingen, en riep: Komt, ziet een mens, die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb: Is deze niet de Christus? Merk op:
a. Hoe verlangend zij was om hare vrienden en geburen met Christus bekend te doen worden. Toen zij dien schat had gevonden riep zij de vriendinnen en geburinnen samen (zoals in Lukas 15:9), niet slechts om zich met haar te verblijden, maar om met haar te delen, wetende, dat er genoeg was om haar zelve te verrijken en ook allen, die met haar wilden delen. Zij, die zelven met Jezus geweest zijn en vertroosting in Hem gevonden hebben, behoren alles te doen wat zij kunnen om ook anderen tot Hem te brengen. Heeft Hij ons de eer aangedaan om zich aan ons bekend te maken? Zo laat ons Hem de eer aandoen om Hem aan anderen bekend te maken, en wij kunnen ook ons zelven geen grotere eer bewijzen. Deze vrouw wordt een apostel. "Zij, die uitging als een toonbeeld van onreinheid, keert weer als een lerares van Evangelische waarheid", zegt Aretius. Christus had haar gezegd haar man te roepen, en zij dacht, dat dit haar genoeg volmacht of bevoegdheid gaf, om iedereen te roepen. Zij ging in de stad, de stad, waar zij woonde, onder hare bloedverwanten en bekenden. Hoewel ieder, aan wie ik in de gelegenheid ben goed te doen, mijn naaste is, heb ik toch de beste gelegenheid, en bevind ik mij dus onder de grootste verplichting, om goed te doen aan hen, die in mijne nabijheid wonen. "In de plaats waar de boom valt", laat hem daar ten nutte gemaakt worden.
b. Hoe oprecht en openhartig zij was in hare mededeling omtrent den vreemdeling, dien zij had ontmoet. Zij zegt hun duidelijk en onomwonden wat haar er toe had gebracht om Hem te bewonderen: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb. Er wordt niets anders bericht dan hetgeen Hij haar gezegd had betreffende hare mannen, maar het is niet onwaarschijnlijk, dat Hij haar ook over haar andere zonden had gesproken. Of wel: dat Hij haar gesproken heeft over dingen, die, naar zij wist, niet door gewone middelen tot Zijne kennis konden gekomen zijn, gaf haar de overtuiging, dat Hij haar alles had kunnen zeggen wat zij ooit gedaan had. Indien Hij een Goddelijke kennis heeft, dan moet Hij alwetend zijn. Hij zei haar, wat aan niemand bekend was dan aan God en haar eigen geweten. Door twee dingen was zij getroffen: Ten eerste, door den omvang Zijner kennis. Wij zelven kunnen niet zeggen alles, wat wij ooit gedaan hebben (er gebeurt veel, waarop wij niet letten, en zeer veel, dat wij vergeten), maar Jezus Christus kent al de gedachten, woorden en daden van al de kinderen der mensen, Hebreeën 4:13. Hij heeft gezegd: Ik weet uwe werken. Ten tweede. Door de macht van Zijn woord. Het maakte een groten indruk op haar, dat Hij haar sprak van haar verborgen zonden, en dat wel met zulk een onverklaarbare kracht, dat zij, over een enkele gesproken zijnde, overtuigd was van alle, en geoordeeld was wegens alle. Zij zegt niet: "Komt, ziet een mens, die mij wonderlijke dingen gezegd heeft betreffende de Godsverering en de wetten dienaangaande, dat Hij het geschil had beslecht over dezen berg en Jeruzalem, een mens, die zich den Messias noemt", maar Komt, ziet een mens, die mij van mijne zonden heeft gesproken. Zij blijft juist bij dat deel van het gesprek, dat zij, naar men zou denken, het liefst moest willen vermijden, maar de ondervonden bewijzen van de macht van Christus' woord en Geest, zijn van alle anderen het krachtigst en overtuigendst, en die kennis van Christus, waarin wij geleid worden door de overtuiging van zonde en door verootmoediging, zal waarschijnlijk het gezondst zijn en het meest tot behoudenis strekken. Zij nodigt hen uit om te komen en te zien Hem, van wie zij zulk een hoog denkbeeld heeft opgevat. Niet bloot: Komt en beschouwt Hem (zij nodigt hen niet tot Hem als tot ene vertoning), maar: "Komt, en spreekt met Hem, en gij zult bevinden, dat er zulk ene kracht is in Zijn woord, dat zij alle andere blijken en kenmerken te boven gaat". Zij, die weinig anders doen kunnen om anderen tot overtuiging en bekering te brengen, kunnen en moeten hen tot die middelen der genade brengen, die zij zelven van zoveel kracht en uitwerking hebben bevonden. Jezus bevond zich nu aan het einde der stad. Komt nu, en ziet Hem. Als de middelen om tot de kennis van God te geraken zo onder ons bereik worden gebracht, dan zijn wij niet te verontschuldigen, zo wij ze veronachtzamen. Zullen wij ons niet over den drempel begeven, als Hij aan onze deur is, en Hem zien, wiens dag profeten en koningen begeerd hebben te zien? Zij besluit om zich op hen zelven te beroepen, en op hun eigen gevoelen, als de proef genomen is. "Is deze niet de Christus?" Zij zegt niet bepaald en beslist: "Hij is de Messias", hoe duidelijk en helder zij hiervan voor zich zelve ook overtuigd is, maar met voorzichtigheid maakt zij melding van den Messias, aan wie zij anders niet zouden gedacht hebben, en beroept zich dan op hen zelven er voor, zij wil hun haar geloof niet opdringen, maar stelt het hun slechts voor. Door zulk een billijk, en toch krachtig beroep op hen te doen wordt der mensen geweten soms getroffen, eer zij er zich nog van bewust zijn.
c. Hoe zij met hare uitnodiging goed geslaagd is: Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem, vers 30. Hoewel het zeer onwaarschijnlijk kon geacht worden, dat ene vrouw van zo gering aanzien en zulk een slecht karakter de eer zou hebben van het eerst onder de Samaritanen den Messias ontdekt te hebben, heeft het toch Gode behaagd om hun hart te neigen om acht te slaan op haar bericht, en het niet als ijdele praat in den wind te slaan. Er was een tijd, toen melaatsen de eersten waren om aan Samaria de tijding te brengen van een grote verlossing, 2 Koningen 7:3 en verder. Zij kwamen tot Hem, zij hebben niet tot Hem gezonden om Hem te vragen in de stad te komen, maar ten teken van eerbied voor Hem en van wege hun ernstige begeerte om Hem te zien, gingen zij uit tot Hem. Zij, die Christus willen kennen, moeten Hem ontmoeten waar Hij Zijns naams gedachtenis sticht. III. Christus' gesprek met Zijne discipelen terwijl de vrouw afwezig was, vers 31-38. Zie hoe naarstig onze Heere Jezus was om den tijd uit te kopen, elke minuut er van te bezuinigen om er wel in te doen. Toen de discipelen naar de stad waren gegaan, was Zijn gesprek met de vrouw stichtelijk en passend voor haar toestand, toen zij naar de stad was gegaan, was Zijn gesprek met hen niet minder stichtelijk en gepast voor hun toestand. Het zou goed zijn, indien ook wij aldus de ledige ogenblikken gebruikten, opdat er geen van verloren ga. In dit gesprek hebben wij te letten op twee dingen:
1. Hoe Christus Zijne verlustiging in Zijn werk uitdrukt. Zijn werk was te zoeken en zalig te maken hetgeen verloren was, het land door te gaan, goed doende. Met dit werk vinden wij Hem nu geheel bezig. Want:
a. Hij verzuimde te eten en te drinken, om aan dien arbeid te kunnen blijven. Toen Hij neerzat bij de fontein, was Hij vermoeid en had Hij behoefte aan verkwikking, maar die gelegenheid om zielen te redden deed Hem vermoeienis en honger vergeten. En zo weinig bekommerde Hij zich om Zijne spijze, dat Zijne discipelen genoodzaakt waren Hem tot gebruik er van uit te nodigen. Zij baden Hem, zij drongen Hem, zeggende: Rabbi, eet. Het was een blijk van hun liefde voor Hem, dat zij Hem tot eten nodigden, opdat Hij niet flauw zou worden uit gebrek aan voedsel, maar het was een nog groter blijk van Zijne liefde voor de zielen, dat Hij het nodig had om er toe uitgenodigd te worden. Laat ons hieruit leren een heilige onverschilligheid te koesteren zelfs voor het nodige levensonderhoud in vergelijking met geestelijke dingen. Zo weinig was er Hem aan gelegen, dat zij dachten dat Hem iemand gedurende hun afwezigheid spijze gebracht had, vers 33:Heeft Hem iemand te eten gebracht? Zo weinig begeerte had Hij naar Zijn middagmaal, dat zij dachten dat Hij het reeds gebruikt had. Zij, voor wie de Godsdienst het levenswerk is, zullen, als daar iets voor te doen is, dat hun aandacht eist, er den voorrang aan geven boven spijs en drank ter verzorging van hun lichaam, evenals Abrahams dienstknecht, die niet wilde eten voordat hij zijne woorden gesproken had ten behoeve van zijn heer, Genesis 24:33, en evenals Samuël, die niet wilde aanzitten voordat hij David gezalfd had, 1 Samuël 16:11.
b. Zijn werk was Hem spijs en drank. Het werk, dat Hij gedaan had door de vrouw te onderwijzen, het werk, dat Hij nog te doen had onder de Samaritanen. Het vooruitzicht, dat Hij nu had om aan velen goed te doen, was Hem spijs en drank, dat was Hem het grootst-mogelijke genot. Nooit heeft een hongerige, of een Epicureër zo verlangend uitgezien naar een overvloedig feestmaal en in keur van spijzen zoveel genot gesmaakt, als onze Heere Jezus heeft uitgezien naar de gelegenheid om wel te doen aan de zielen. Hiervan zegt Hij, dat het een spijze was, die Zijne discipelen niet wisten. Zij hebben zich niet voorgesteld, dat Hij plan of vooruitzicht had, om het Evangelie te planten onder de Samaritanen. Dat was ene werkzaamheid, waaraan zij nooit hadden gedacht. Door Zijn Evangelie en Zijn Geest doet Christus meer goed aan de zielen der mensen dan Zijn eigen discipelen weten of verwachten. Dat kan ook van goede Christenen gezegd worden, die leven door het geloof, dat zij ene spijze hebben, die anderen niet weten, ene blijdschap, waarin een vreemde zich niet kan mengen. Dat nu deed hen vragen: Heeft Hem iemand te eten gebracht? Zo geneigd waren zelfs Zijn eigen discipelen om wat Hij in gelijkenissen sprak, vleselijk op te vatten. Dat de reden waarom Zijn werk Hem spijs en drank was, was, omdat het Zijns Vaders werk, Zijns Vaders wil was: Mijne spijs is, dat Ik doe den wil desgenen, die Mij gezonden heeft, vers 34. De zaligheid van zondaren is de wil van God, en hen hiertoe te onderwijzen is Zijn werk, 1 Timotheus 2:4. Er is een uitverkoren overblijfsel, welker zaligheid in bijzonderen zin Zijn wil is. Christus is in de wereld gezonden om de mensen tot God te brengen, hen Hem te doen kennen en in Hem gelukkig te doen zijn. Dit werk deed Hij met ijver en zielsverlustiging. Als Zijn lichaam voedsel van node had, was Zijne ziel zo vervuld van zijne levenstaak, dat Hij honger en dorst vergat, aan geen spijs of drank dacht. Niets kon Hem aangenamer of lieflijker wezen dan om goed te doen, als Hij tot spijs uitgenodigd werd, ging Hij goed doen, want ten allen tijde is dat Zijne spijze geweest. Hij was niet slechts ten allen tijde bereid om aan Zijn werk te gaan, maar Hij was ijverig om het te voltooien, het in allen dele te voleindigen. Hij was besloten het nooit op te geven, of er van af te laten voor Hij kon zeggen: Het is volbracht. Velen hebben en betonen ijver om te beginnen, maar geen ijver om het voort te zetten ten einde toe, maar onze Heere Jezus was er op bedacht om Zijn werk te voltooien. Hierin heeft onze Meester ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij leren den wil Gods te doen, zoals Hij hem gedaan heeft:
1. Met naarstigheid, als dezulken die er hun levenstaak van maken.
2. Met genot en verlustiging, als in ons element.
3. Met standvastigheid en volharding, niet slechts bedacht zijnde ons werk te doen, maar het te voleindigen. 2. Zie hier, hoe Christus, Zijne verlustiging te kennen gegeven hebbende in het doen van Zijn werk, Zijne discipelen nu ook opwekt tot naarstigheid in hun werk. Zij waren arbeiders met Hem, en daarom moesten zij arbeiders wezen gelijk Hij, moest hun werk hun spijs en drank zijn, zoals het Zijne dit voor Hem was. Het werk, dat zij te doen hadden, was het Evangelie te prediken en het koninkrijk van den Messias op te richten. Dit werk vergelijkt Hij hier nu bij een oogsten, het inzamelen van de vruchten der aarde, en die gelijkenis houdt Hij vol in Zijn gehele rede, vers 35-38. De Evangelietijd is de oogsttijd, en Evangeliewerk is oogstwerk. De oogst is tevoren bepaald en verwacht, zo was het ook met het Evangelie. De oogsttijd is een drukke tijd, dan moeten alle handen aan den arbeid, een iegelijk moet voor zich zelven arbeiden, opdat hij de genadegaven en vertroostingen des Evangelies kunne oogsten, Evangeliedienaren moeten werken voor God, om zielen voor Hem in te zamelen. De oogsttijd is gelegenheid, een korte en beperkte tijd, die niet altijd zal duren, en oogstwerk is werk, hetwelk dan, of in het geheel niet, gedaan moet worden. Zo is ook de tijd der genietingen van het Evangelie een bijzondere tijd, die voor zijn eigen doeleinden gebruikt moet worden, want, als hij voorbijgegaan is, kan hij niet teruggeroepen worden. De discipelen moesten een oogst van zielen inzamelen voor Christus. Nu stelt Hij hun hier drie dingen voor om hen tot naarstigheid hiertoe op te wekken:
a. Dat het een noodzakelijk werk was, en de gelegenheid er voor zeer dringend, vers 35:"Gij zegt: Het zijn nog vier maanden en dan komt de oogst, maar Ik zeg u: De landen zijn alrede wit om te oogsten. Hier is een gezegde van Christus' discipelen betreffende den korenoogst, er zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst, hetgeen genomen kan worden in het algemeen. -"Gij zegt ter bemoediging van den zaaier in den zaaitijd, dat het nog slechts vier maanden zijn tot aan den oogst." Bij ons is het slechts vier maanden ongeveer tussen het zaaien van gerst en het oogsten, zo was het waarschijnlijk ook bij hen ten opzichte van ander graan. Of wel, in bijzonderen zin: nu, in dezen tijd, rekent gij uit, dat het naar den gewonen loop der voorzienigheid nog vier maanden zijn tot aan den oogst". De Joodse oogst begon met het Pascha, veel vroeger in het jaar dan bij ons, waaruit blijkt, dat deze reis van Christus van Judea naar Galilea in den winter plaatshad, tegen het einde van November, want om goed te doen, heeft Hij in alle weer gereisd. God heeft ons niet slechts ieder jaar een oogst beloofd, maar heeft ook de weken van den oogsttijd bestemd, zodat wij weten wanneer wij hem kunnen verwachten, en daarnaar onze maatregelen kunnen nemen. Een gezegde van Christus betreffende den Evangelie-oogst. Zijn hart was evenzeer gezet op de vruchten van Zijn Evangelie, als het hart van anderen op de vruchten der aarde, en daarheen wilde Hij de gedachten Zijner discipelen leiden. Aanschouwt de landen, want zij zijn alrede wit om te oogsten. Ten eerste. Hier in deze plaats, waar zij nu waren, was oogstwerk voor Hem te doen. Zij wensten dat Hij zou eten, vers 31. "Eten!" zegt Hij. "Ik heb ander werk te doen, dat nodiger is, ziet wat scharen van Samaritanen uit de stad over de velden komen, bereid om het Evangelie te ontvangen". Er waren waarschijnlijk reeds velen in het gezicht. De ijver en lust der mensen om het Evangelie te horen is een grote aansporing van de naarstigheid en opgewektheid der leraren om het te prediken. Ten tweede. In andere plaatsen, over het gehele land was er oogstwerk genoeg voor allen. "Denkt aan den toestand des lands, en gij zult bevinden, dat er menigten zijn, even bereid om het Evangelie te ontvangen, als een rijp korenveld om geoogst te worden". De velden waren nu wit gemaakt om te oogsten.
1. Door het raadsbesluit Gods, geopenbaard in de profetieën van het Oude Testament. Nu was het de tijd voor de bijeen vergadering der volken tot Christus, en dat er velen toegedaan zouden worden tot de gemeente, en de grenzen er van uitgebreid zouden worden, en daarom was het tijd voor hen om te werken. Het is een grote aanmoediging voor ons om ons tot een werk voor God te begeven, als wij door de tekenen der tijden verstaan, dat het het juiste ogenblik is voor dat werk, want dan zal het voorspoedig zijn.
2. Door de gezindheid en toebereiding der mensen. Johannes de Doper had den Heere een toegerust volk bereid, Lukas 1:17. Sedert hij het koninkrijk Gods is begonnen te prediken, heeft een iegelijk er geweld op gedaan, Lukas 16:16. Daarom was dit de tijd voor de predikers van het Evangelie om zich met alle kracht tot het werk te begeven, om de sikkel te zenden en te maaien, toen de oogst rijp was, Openbaring 14:15. Het was thans een noodzakelijk werk, het zou jammer zijn, om zulk een tijd te laten voorbijgaan. Indien het koren, dat rijp is, niet gemaaid wordt, dan zal het uitvallen en verloren gaan, de vogelen des hemels zullen het oppikken. Indien zielen, die onder overtuiging van zonde zijn en ene neiging ten goede hebben, thans niet geholpen worden, dan zal hun moedgevend begin op niets uitlopen, en zij zullen een prooi worden van bedriegers. Het was thans ook een gemakkelijk werk, als het hart des volks bereid is, dan zal het werk haastiglijk gedaan worden, 2 Kronieken 29:36. Het kan niet anders of de leraren moeten zich opgewekt gevoelen om zich moeite te geven voor de prediking des Woords, als de mensen er behagen in vinden om het te horen.
b. Dat het een nuttig en voordelig werk was, waarmee zij zich zelven zullen bevoordelen, vers 36. Die maait ontvangt loon, en dat zult ook gij. Christus heeft zich verbonden om hen, die Hij in Zijn werk gebruikt, goed te belonen, want nooit zal Hij doen zoals Jojakim, die zijns naasten dienst om niet gebruikte, Jeremia 22:13, of gelijk zij, die het loon der werklieden, die hun landen gemaaid hebben, verkort hebben, Jakobus 5:4. Hoewel Christus' maaiers dag en nacht tot Hem roepen, zullen zij toch nooit reden hebben, om tegen Hem te roepen, of te zeggen, dat Hij een harde Meester is. Die maait zal niet slechts loon ontvangen, hij ontvangt het reeds. Er is in den dienst van Christus een dadelijk, een tegenwoordig loon. en Zijn werk is deszelfs eigen loon. Christus' maaiers hebben vrucht, hij vergadert vrucht ten eeuwigen leven, dat is: hij zal zich zelven behouden, en die hem horen, 1 Timotheus 4:16. Indien de getrouwe maaier zijn eigen ziel behoudt, dan is dat overvloedig vrucht voor zijn eigen rekening, het is vrucht, vergaderd ten eeuwigen leven, en indien hij daarenboven nog het middel is om ook de zielen van anderen te behouden, dan is daar vrucht vergaderd. Zielen, vergaderd voor Christus, zijn vruchten, goede vruchten, de vruchten, die Christus zoekt, zij zijn vergaderd voor Christus, Romeinen 1:13, zij zijn vergaderd ten eeuwigen leven, Hooglied 8:11, 12. Het is de vertroosting voor getrouwe Evangeliedienaren, dat hun werk ene strekking heeft tot eeuwige zaligheid van kostelijke zielen. Zij hebben blijdschap: opdat zich tezamen verblijden, beide die zaait en die maait. De leraar, die het gelukkige werktuig is om een goed werk te beginnen, is hij, die zaait, zoals Johannes de Doper, hij, die gebruikt wordt om het voort te zetten en te voleindigen, is hij, die maait, en beiden zullen zich tezamen verblijden. Hoewel aan God al de eer behoort gegeven te worden voor den voorspoed van het Evangelie, kunnen getrouwe leraren er toch vertroosting voor zich zelven aan ontlenen. De maaiers delen in de blijdschap van den oogst, hoewel het voordeel, de opbrengst er van den meester toekomt, 1 Thessalonicenzen 2:19. De leraren, die verschillend begaafd en verschillend gebruikt worden, moeten zo weinig elkaar benijden, dat zij zich veeleer wederkerig moeten verheugen in elkanders voorspoed. Hoewel alle dienstknechten van Christus niet allen even bruikbaar, noch even voorspoedig zijn, zullen zij toch allen, indien zij genade van den Heere hebben verkregen om getrouw te zijn, ten laatste tezamen ingaan in de vreugde huns Heeren. Dat het een gemakkelijk werk was, een werk, dat reeds ten halve door hun voorgangers voor hen gedaan was.
Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait, vers 37, 38. Soms wordt hier een zwaar oordeel mede aangeduid over hem, die zaait, Micha 6:15, Deuteronomium 28:30, gij zult zaaien, en een ander zal maaien, zoals Deuteronomium 6:11.
Huizen vol van alles goeds, die gij niet gevuld hebt. Zo hier. Mozes en de profeten, en Johannes de Doper, hadden den weg bereid voor het Evangelie, hadden het goede zaad gezaaid, waarvan de Nieuw-Testamentische leraren de vruchten inzamelden. Ik zond u om te maaien, waaraan gij, vergelijkenderwijs, geen arbeid besteed hebt, Jesaja 40:3-5. Dit geeft twee dingen te kennen nopens de Oud-Testamentische bediening. -Ten eerste. Dat zij ver achter stond bij de Nieuw- Testamentische bediening. Mozes en de profeten zaaiden, maar van hen kan men niet zeggen dat zij maaiden, zo weinig vrucht hebben zij op hun arbeid gezien. Hun geschriften hebben veel meer goed gedaan nadat zij ons verlieten, dan zij ooit door hun prediking hebben gedaan. Ten tweede. Dat zij zeer dienstig was voor de Nieuw-Testamentische bediening en er den weg voor bereid heeft. De geschriften der profeten, die elke sabbat in de synagoge gelezen werden, hebben bij het volk de verwachting opgewekt van den Messias, en hen alzo bereid om Hem welkom te heten. Ware het niet om het zaad, door de profeten gezaaid, dan zou deze Samaritaanse vrouw niet hebben kunnen zeggen: Wij weten, dat de Messias komt. In zeker opzicht zijn de schriften van het Oude Testament nuttiger voor ons dan zij konden wezen voor hen, voor wie zij het eerst geschreven waren, omdat zij door de vervulling er van beter begrepen worden, 1 Petrus 1:12, Hebreeën 4:2, Romeinen 16:25, 26. Dit geeft ook twee dingen te kennen omtrent de bediening van Christus' apostelen. Ten eerste. Dat het een vruchtbare bediening was. Zij waren maaiers, die een groten oogst van zielen inzamelden voor Jezus Christus, en in zeven jaren meer gedaan hebben voor de vestiging van het koninkrijk Gods onder de mensen, dan de profeten in twee maal zo veel eeuwen gedaan hadden.
Ten tweede. Dat zij vergemakkelijkt was inzonderheid onder de Joden, tot wie zij het eerst gezonden waren, door de Schriften der profeten. De profeten zaaiden met tranen, roepende: "Wij hebben tevergeefs gearbeid", de apostelen maaiden met gejuich, zeggende: Gode zij dank, die ons allen tijd doet triomferen. Van den arbeid van leraren, die gestorven zijn, kunnen veel goede vruchten geoogst worden door mensen, die hen overleven, en leraren, die hen opvolgen. Johannes de Doper en zij die hem hielpen hadden gearbeid, en de discipelen van Christus gingen in tot hun arbeid, bouwden op hun fondament, en oogstten de vruchten, die zij hadden gezaaid. Zie hoe veel reden wij hebben om God te danken voor hen, die ons zijn voorgegaan, voor hun prediking en hun geschriften, voor wat zij, in hun dag, hebben gedaan en geleden, want wij zijn ingegaan tot hun arbeid, hun studie en hun diensten hebben het werk voor ons zo veel te lichter gemaakt. En als de arbeiders van ouds en de arbeiders van heden ten dage, zij, die ter derde ure in den wijngaard kwamen, en zij die ter elfder ure gekomen zijn, elkaar op den dag der verantwoording ontmoeten, zullen zij elkaar zo weinig de eer benijden van hun respectieve diensten, dat zij die zaaiden en zij die maaiden zich tezamen zullen verblijden, en de grote Heere van den oogst zal van allen en voor alles de ere ontvangen.
IV. De goede uitwerking van dit bezoek van Christus aan de Samaritanen (in het voorbijgaan) en de vrucht, die nu al terstond onder hen ingezameld werd, vers 39-42. Zie den indruk, die op hen gemaakt was.
1. Door het getuigenis der vrouw betreffende Christus. Hoewel dit het getuigenis was van slechts een enkel persoon, en die persoon ene vrouw was van een slechten naam, en haar getuigenis slechts hierin bestond: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb, had dit toch op velen een invloed ten goede. Men zou gedacht hebben, dat Zijn spreken tot de vrouw over haar verborgen zonden hen bevreesd zou gemaakt hebben om tot Hem te komen, daar Hij ook hun over hun verborgen zonden en gebreken zou kunnen spreken, maar zij willen het liever hierop wagen, dan niet met Hem bekend te worden, die, naar zij reden hadden te geloven, een profeet was. En tot twee dingen zijn zij gebracht:
a. Om het woord van Christus te geloven, vers 39. Velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw. Zij geloofden in Hem in zoverre, dat zij Hem voor een profeet hielden en begerig waren om door Hem den wil Gods te leren verstaan. Dit wordt gunstig voorgesteld als een geloven in Hem. Let er nu op: a. Wie zij waren, die geloofden: Velen van de Samaritanen, die dus niet van het huis Israël's waren. Hun geloof was niet slechts ene verzwaring van het ongeloof der Joden, van wie men beter verwacht zou hebben, maar ook een voorproeve van het geloof der heidenen, die datgene welkom zouden heten, dat door de Joden was verworpen. b. Uit welken beweeggrond zij geloofden: "om het woord der vrouw." Zie hier, Ten eerste. Hoe het Gode soms behaagt om zeer zwakke werktuigen te gebruiken om een goed werk te beginnen en voort te zetten. Een kleine jonge dochter leidde een groot heer tot Elisa, 2 Koningen 5:2.
Ten tweede. Hoe grote hoop houts een klein vuur aansteekt. Door een arme vrouw te onderwijzen heeft onze Heiland Zijn onderwijs door geheel een stad verspreid. Laat geen leraar onachtzaam wezen in zijne prediking, noch ontmoedigd worden, omdat hij slechts weinige of onaanzienlijke hoorders heeft, want, door hun goed te doen, kan dat goed tot meerderen worden gebracht, en tot hen, die van meer aanzien en gewicht zijn. Indien iedereen zijn naaste en iedereen zijn broeder onderwees, dan zouden zeer velen onderricht bekomen. Filippus verkondigde het Evangelie aan een enkel aanzienlijk heer in zijn wagen op den weg, en deze nam het niet slechts zelf aan, maar nam het mede in zijn land, en heeft het aldaar verbreid. Ten derde. Zie hoe goed het is om uit de ervaring van Christus te spreken en van de dingen Gods. Deze vrouw kon slechts weinig van Christus zeggen, maar wat zij zei, sprak zij met gevoel: Hij heeft mij alles gezegd wat ik gedaan heb. Diegenen zullen het waarschijnlijkst goed doen, die zeggen kunnen wat God aan hun ziel gedaan heeft, Psalm 66:16.
b. Zij werden er toe gebracht om dringend te vragen, dat Hij bij hen zou blijven, vers 40. Toen zij tot Hem kwamen baden zij Hem, dat Hij bij hen bleve. Op het bericht der vrouw geloofden zij dat Hij een profeet was, en kwamen zij tot Hem, en toen zij Hem zagen, heeft het geringe van Zijn voorkomen en de blijkbare armoede van Zijn uitwendigen staat hun achting voor Hem en hun verwachting van Hem niet verminderd, maar hebben zij Hem nog als een profeet geëerd. Er is hoop voor hen, die het algemene vooroordeel zijn te boven gekomen, dat tegen echte waardij in nederige omstandigheden wordt gekoesterd. Zalig zij, die op den eersten aanblik van Christus niet aan Hem geërgerd worden. Het was er zo ver af, dat zij aan Hem geërgerd werden, dat zij Hem baden om bij hen te blijven, om Hem hun eerbied te kunnen betonen, en Hem met de ere en de vriendelijkheid te kunnen onthalen, die aan Zijn persoon en hoedanigheid verschuldigd waren. Gods profeten en dienstknechten zijn welkome gasten voor allen, die het Evangelie in oprechtheid hebben aangenomen, zoals voor Lydia, Handelingen 16:15. Ten einde onderwijs van Hem te ontvangen. Zij, die van God geleerd zijn, zijn begerig om nog meer te leren en om meer met Christus bekend te worden. Velen zouden toegestroomd zijn tot iemand, die zich voor een waarzegger uitgaf en hun zou zeggen wat hun lotgevallen zijn zullen, maar dezen begaven zich tot Enen, die hun zou zeggen wat hun zonden zijn en wat hun plicht is. De geschiedschrijver schijnt er nadruk op te leggen, dat zij Samaritanen waren, zoals in Lukas 10:33, 27:16. De Samaritanen hadden niet zo den naam van Godsdienstig te zijn als de Joden, maar toch hebben de Joden, die Christus' wonderen hebben gezien, Hem van zich weggedreven, terwijl de Samaritanen, die Zijne wonderen niet zagen en in Zijne gunst niet deelden, Hem baden om bij hen te blijven. Het bewijs van den voorspoed des Evangelies is niet altijd in overeenstemming met hetgeen men zou verwachten. Door de zeden en gewoonten van hun land hadden de Samaritanen geleerd den omgang met Joden te schuwen. Er waren Samaritanen, die geweigerd hebben Christus in hun stad toe te laten, Lukas 9:53, maar dezen baden Hem om bij hen te blijven. Het zal den lof van onze liefde voor Christus en Zijn woord zeer verhogen, indien zij het vooroordeel van opvoeding en gewoonte overwint en den blaam der mensen gering acht. Nu wordt ons gezegd, dat Christus aan hun bede gehoor gaf.
Ten eerste. Hij bleef aldaar. Hoewel het ene stad der Samaritanen was, bijna grenzende aan hun tempel, is Hij er toch, daartoe uitgenodigd zijnde, verbleven. Ofschoon Hij op reis was en verder gaan moest, is Hij toch, de gelegenheid hebbende om goed te doen, aldaar gebleven. Hetgeen strekken kan om ons eigenlijk doel en streven te bevorderen, kan geen wezenlijke belemmering voor ons zijn. Toch bleef Hij er slechts twee dagen, omdat Hij andere plaatsen moest bezoeken en ander werk te doen had, en deze twee dagen waren het deel dezer stad uit de weinige dagen van onzes Zaligmakers verblijf op de aarde.
Ten tweede. Er wordt ons gezegd welke indruk door Christus' eigen woorden en door Zijn persoonlijken omgang met hen teweeggebracht werd, vers 41, 42. Wat Hij zei en deed wordt hier niet verhaald, ook niet of Hij al of niet hun kranken genas, maar in de uitwerking wordt gezien, dat hetgeen Hij zei en deed hun de overtuiging gaf, dat Hij de Christus was, en de arbeid van een leraar wordt het best gekend aan de vruchten er van. Hun horen van Hem had reeds een goede uitwerking, maar nu zagen Hem hun ogen, en daarvan was de uitwerking: 1. Dat hun aantal toenam, vers 41. Er geloofden er veel meer. Velen, die niet bewogen wilden worden om uit de stad tot Hem uit te gaan, kwamen onder Zijn invloed toen Hij onder hen kwam, zodat ook zij in Hem geloofden. Het is troostrijk om het getal der gelovigen te zien toenemen, en soms kan de ijver van sommigen het middel zijn, om velen tot een heiligen wedijver op te wekken, Romeinen 11:14.
2. Dat hun geloof wies. Zij, op wie gewerkt was door het bericht der vrouw, vonden nu reden om te zeggen: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil. vers 42. Hun geloof nam toe in drieërlei opzicht:
a. In hetgeen zij geloofden. Op het getuigenis der vrouw geloofden zij, dat Hij een profeet was, of een buitengewoon boodschapper van den hemel, maar nu zij met Hem gesproken en verkeerd hebben, geloven zij, dat Hij is de Christus, de Gezalfde, die aan de vaderen beloofd en door hen verwacht werd, en dat Hij, de Christus zijnde, de Zaligmaker der wereld is, want het werk. waarvoor Hij gezalfd was, was: Zijn volk zalig te maken van hun zonden. Zij geloofden, dat Hij niet slechts de Zaligmaker was der Joden, maar der wereld, en zij hoopten er mede onder begrepen te zijn, ofschoon zij Samaritanen waren, want de belofte luidde, dat Hij het heil Gods zou zijn tot aan het einde der aarde, Jesaja 49:6.
b. In de zekerheid er van, hun geloof vorderde tot volle verzekerdheid: Wij weten, dat deze waarlijk is de Christus, geen voorgewende Christus, maar een wezenlijke, geen typische Zaligmaker, zoals velen onder het Oude Testament, maar een, die het in waarheid en wezenlijkheid is. Naar zulk ene verzekerdheid van Goddelijke waarheid behoren wij te streven. Het moet niet wezen: Wij achten het waarschijnlijk en willen gaarne veronderstellen dat Jezus de Christus is, maar: Wij weten, dat deze waarlijk de Christus is.
c. In den grond of oorzaak er van, die een soort van geestelijke gewaarwording en ervaring was: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil: want wij zelven hebben Hem gehoord. Tevoren hadden zij geloofd om haars zeggens wil, en dat was goed, het was een stap op den goeden weg, maar nu vinden zij meer en vaster grond voor hun geloof. Nu geloven wij, omdat wij zelven Hem gehoord hebben, en zulke uitnemende en Goddelijke waarheden gehoord hebben, gepaard aan zo gebiedende macht en klaarblijkelijkheid, dat wij er ten volle van overtuigd en verzekerd zijn, dat deze is de Christus. Het is gelijk aan wat de koningin van Scheba van Salomo zei, 1 Koningen 10:6, 7: "De helft is mij niet aangezegd". De Samaritanen, die geloofd hadden om des zeggens wil der vrouw, ontvingen nu meerder licht, want "aan wie heeft, zal gegeven worden," aan hem, die getrouw is in het kleine, zal meer toevertrouwd worden. Aan dit voorbeeld kunnen wij zien, hoe het geloof is uit het gehoor. Het geloof komt tot geboorte, door de prediking te horen van mensen. Om des zeggens wil der vrouw, hebben deze Samaritanen in zoverre geloofd, dat zij kwamen en zagen, kwamen en de proef namen. Aldus wordt door het onderricht van ouders en predikers, en het getuigenis der kerk en van onze ervaren naburen de leer van Christus ons ter kennismaking aanbevolen, en worden wij geneigd om haar als hoogstwaarschijnlijk te beschouwen. Maar het geloof komt tot wasdom, kracht en rijpheid door het getuigenis te horen van Christus zelven, en dit gaat verder, het beveelt Zijne leer aan om door ons omhelsd te worden, en verplicht ons haar als ontwijfelbaar zeker te geloven. Om des zeggens wil van hen, die ons mededeelden, dat zij in de Schriften het eeuwige leven hebben gevonden, werden wij bewogen om die Schriften te onderzoeken, maar nu ook wij er het eeuwige leven in hebben gevonden, de verlichtende, vernieuwende, heiligende, vertroostende kracht des Woords hebben ervaren, nu geloven wij, niet om hun zeggens wil, maar omdat wij ze zelven onderzocht hebben, en ons geloof is niet in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods, 1 Corinthiërs 2:5, 1 Johannes 5:9, 10. Aldus werd het zaad des Evangelies gezaaid in Samaria. Van welke uitwerking dit later is geweest, blijkt niet, maar wij bevinden, dat, toen Filippus vier of vijf jaar later het Evangelie in Samaria predikte, hij er zulk een gezegend overblijfsel vond van het goede werk, dat nu gewerkt was, dat "de scharen zich eendrachtelijk hielden aan hetgeen van Filippus gezegd werd", Handelingen 8:5, 6, 8. Maar gelijk sommigen zich neigden tot goed, zo neigden anderen zich tot kwaad, daar zij onder den invloed kwamen van Simon den tovenaar, en zich door hem lieten leiden, vers 9, 10.