2 Koningen 5:1-8
De wonderen van onze Zaligmaker waren bestemd voor de verloren schapen van het huis Israëls, maar één er van viel, als een kruimel van de tafel, aan een Kananese vrouw ten deel, zo heeft Elisa dit wonder gewrocht voor Naäman, een Syriër want God doet goed aan allen, en wil dat alle mensen zalig zullen worden. Hier is:
I. De zware beproeving, onder welke Naäman zuchtte temidden van al zijn grootheid en eer, vers 1. Hij was een groot man in een hoge betrekking, hij was niet alleen rijk en hooggeplaatst, maar in het bijzonder gelukkig om twee dingen:
1. Dat hij zijn land van grote dienst is geweest, God heeft hem dit doen zijn, door hem had de Heere de Syriërs verlossing gegeven, voorspoed in hun oorlogen, zelfs met Israël. De bewaring en voorspoed, zelfs van hen, die God niet kennen en dienen, moeten toegeschreven worden aan Hem, want Hij is een behouder van alle mensen, maar allermeest van de gelovigen. Israël wete dat, als de Syriërs de overhand hebben, het van de Heere is.
2. Dat hij zijn vorst zeer welgevallig was, hij was zijn gunsteling en eerste staatsminister, zo groot was hij, zo hoog in aanzien en eer, en daarbij een strijdbare held, maar hij was melaats, was aangetast door die walgelijke ziekte, waardoor hij een last was voor zichzelf. Niemands grootheid, of eer, of invloed, of dapperheid, of overwinning over vijanden, kan hem buiten het bereik brengen van de zwaarste rampen van het menselijke leven er is menig ziekelijk, zwak lichaam onder rijke sierlijke kledij. Ieder mens heeft het een of andere maar in zijn wezen, iets dat hem misvormt of verkleint, het een of andere bijmengsel, dat zijn grootheid vermindert, zijn vreugde terneerslaat, hij kan zeer gelukkig, zeer goed zijn, maar in een of ander opzicht is hij niet zo goed als hij moest wezen, noch zo gelukkig als hij wilde wezen. Naäman was zo groot als de wereld hem maken kon, en toch zou (zoals bisschop Hall het uitdrukt) de geringste slaaf in Syrië niet in zijn vel willen steken, of van huid met hem ruilen.
II. Het bericht, dat hem gegeven wordt van Elisa's macht door een jonge dienstmaagd van zijn echtgenote, vers 2, 3. Deze dienstmaagd was een Israëlitische van geboorte, door Gods voorzienigheid gevankelijk naar Syrië gevoerd, en daar verhoogd in Naämans gezin, waar zij Elisa's roem verkondigt tot eer van Israël en Israëls God. De ongelukkige verstrooiing van het volk van God is soms de gelukkige aanleiding gebleken tot de verspreiding van de kennis van God, Handelingen 8:4. Deze kleine jonge dochter ging, zoals het een ware Israëlitische betaamde te rade met de eer van haar land, kon, hoewel zij slechts een eenvoudig meisje was, een bericht geven van de beroemde profeet, die zij in hun midden hadden. Kinderen moeten bijtijds bekend worden met de wondere werken van God, opdat zij, waar zij ook heengaan, er van kunnen spreken. Zie Psalm 8:3.
1. Zoals het een goede dienstmaagd betaamde, begeerde zij de gezondheid en het welvaren van haar heer, hoewel zij een gevangene, een dienstmaagd door dwang was, en veel meer nog moeten dienstboden door keus het goede voor hun meesters begeren. De Joden in Babylon moesten de vrede zoeken van het land van hun gevangenschap, Jeremia 29:7. Elisa had geen van de melaatsen in Israël gereinigd Lukas 4:27, maar deze kleine jonge dochter leidt uit de andere wonderen, die hij gedaan heeft af dat hij haar meester kon genezen, en uit zijn gewone weldadigheid en welwillendheid, dat hij het zou willen, hoewel deze een Syriër was. Dienstboden kunnen tot zegen zijn in het gezin waarin zij dienen, door te zeggen wat zij weten van de heerlijkheid van God en de eer van Zijn profeten.
III. Hierop wendde de koning van Syrië zich ten behoeve van Naäman tot de koning van Israël. Naäman gaf acht op dit bericht, hoewel het hem slechts door een eenvoudige dienstmaagd gegeven werd, hij heeft om haar geringheid die tijding niet geminacht, als zij bevorderlijk kon zijn aan de gezondheid van zijn lichaam. Hij zei niet: "Het is een dwaze praat van dat meisje, hoe kan een profeet in Israël voor mij doen wat al de medicijnmeesters van Syrië tevergeefs aan mij beproefd hebben?" Hij beminde noch eerde het Joodse volk, maar indien iemand uit die natie hem van zijn melaatsheid kan genezen, zal hij dankbaar de verplichting erkennen. Ach, mochten zij, die geestelijk ziek zijn, even geredelijk horen naar de tijding, die hun van de grote Heelmeester gebracht wordt!
Zie, wat Naäman deed op deze wenk.
1. Hij wilde niet om de profeet zenden, deze tot hem laten komen, maar hij wilde aan iemand, die zoveel Goddelijke kracht in zich had dat hij instaat was krankheden te genezen, de eer bewijzen van zelf tot hem te gaan, hoewel hij ziek was, ongeschikt om onder de mensen te komen, de reis lang, en het land van de profeet, dat hij wilde bezoeken, vijandig land was, vorsten, denkt hij, moeten zich neerbuigen tot profeten, als zij hen nodig hebben.
2. Hij wilde niet vermomd gaan, hoewel zijn boodschap zijn afzichtelijke kwaal bekendmaakte, maar ging in staatsie en met een groot gevolg, om de profeet nog meerdere eer aan te doen.
3. Hij wilde niet met lege handen gaan, maar nam goud, zilver en kleren mede, om die zijn geneesmeester aan te bieden. Zij, die rijkdom hebben, en gezondheid derven, tonen welke van die twee voorrechten zij het kostelijkst achten, wat zouden zij niet willen geven voor kracht en gezondheid van het lichaam?
4. Hij wilde niet gaan zonder een brief aan de koning van Israël van de koning, zijn meester, die zelf vurig zijn herstel wenste. Hij weet niet waar deze wonderwerkende profeet in Samaria te vinden is, maar denkt dat de koning hem wèl moet weten te vinden, en dat hij de profeet zal aansporen om al het mogelijke voor Naäman te doen. Hij wil tot hem gaan, gesteund door de invloed van twee koningen. Indien de koning van Syrië om zijn hulp moet verzoeken, dan hoopt hij dat de koning van Israël, als zijn opperheer, die hulp kan gebieden. De gaven en talenten van de onderdanen, denkt hij, moeten allen aangewend worden ten dienste en ter ere van de vorst, en daarom verlangt hij dat de koning hem verlossen zal van zijn melaatsheid, vers 6, het er voor houdende dat er een grotere vertrouwelijkheid heerste tussen de koning en de profeet, dan er werkelijk was.
IV. Hoe dit de koning van Israël deed schrikken, vers 7. Hij vreesde dat er in de brief:
1. Een grote belediging was van God, en daarom scheurde hij zijn kleren, overeenkomstig de gewoonte van de Joden, als zij hoorden of lazen wat zij dachten Godslasterlijk te zijn, en wat minder kon het wezen, als hem Goddelijke macht werd toegeschreven? "Ben ik dan God, om te doden met een woord, en levend te maken met een woord wie ik wil? Neen, ik beweer niet, die macht te hebben" (Nebukadnezar beweerde dit wel, zoals wij zien in Daniël 5:19). "Ben ik dan God, om te doden met een woord, en om levend te maken met een woord? Neen ik maak geen aanspraak op zo'n macht. Aldus wordt die grote man, die slechte man, er toe gebracht om te erkennen dat hij slechts een mens is. Waarom heeft die overweging er hem niet toe geleid om zichzelf te bestraffen wegens zijn afgoderij, en heeft hij niet aldus geredeneerd: "Zal ik diegenen als goden aanbidden, die noch doden, noch levend kunnen maken, goed noch kwaad kunnen doen?"
2. Een slechte bedoeling voor hemzelf hij beroept zich hieromtrent op de hem omringenden: "Merkt toch en ziet, dat hij oorzaak tegen mij zoekt. Hij eist van mij dat ik een melaatse zal genezen, en als ik het niet doe zal hij, ofschoon ik het niet kan, dit tot voorwendsel gebruiken om mij de oorlog aan te doen, " hetgeen hij te eerder vermoedt, omdat Naäman zijn krijgsoverste is. Indien hij de bedoeling van de brief goed had begrepen namelijk dat de koning, toen hij hem schreef de melaatse te genezen, slechts bedoelde dat hij zorg zou dragen voor zijn genezing, hij zou in die angst niet zijn gekomen. Wij scheppen ons dikwijls zeer veel onrust, door aan de woorden en daden van anderen, die goed bedoeld waren, een verkeerde uitlegging te geven, het is ook jegens onszelf barmhartigheid, of liefde, om geen kwaad te denken. Indien hij aan Elisa had gedacht en aan de macht, die deze bezat, hij zou de brief gemakkelijk hebben begrepen, en geweten hebben wat hij te doen had, maar hij heeft zich in verwarring gebracht door zich van de profeet te vervreemden, de gevangen jonge dochter dacht meer aan hem dan de koning.
V. Elisa biedt hem zijn diensten aan, hij wilde alles doen om zijn vorst gerust te doen zijn, al was hij nu ook door hem veronachtzaamd, en al waren zijn vorige goede diensten ook door hem vergeten. Vernemende waarom de koning zijn kleren had gescheurd, liet hij hem weten dat, zo zijn patiënt tot hem wilde komen, hij geen vergeefse moeite zal doen, vers 8, hij zal weten, dat er een profeet in Israël is, ( en het zou treurig met Israël gesteld zijn, indien er geen waren) dat er een profeet is in Israël, die doen kan, wat de koning Israëls niet eens durft beproeven, en waar de profeten van Syrië geen aanspraak op kunnen maken. Het was niet voor zijn eigen eer, maar voor de eer van God, dat hij begeerde hun allen te doen weten, dat er een profeet is in Israël, hoewel hij door de groten werd voorbijgezien.