Mattheus 9:1-8
De eerste woorden van dit hoofdstuk noodzaken ons terug te zien naar het slot van het voorgaande, waar wij de Gadarenen zo vertoornd vinden om het verlies hunner zwijnen, dat Christus' tegenwoordigheid hun hinderlijk was, en zij Hem dus baden, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken. Nu volgt hier: "In het schip gegaan zijnde, voer Hij over". Zij verzochten Hem heen te gaan, en Hij hield hen aan hun woord, en wij lezen niet, dat Hij ooit weer in hun landpalen gekomen is. Hierin zien wij Zijne rechtvaardigheid-Hij verliet hen. Christus zal niet lang verwijlen, waar Hij niet welkom is. In rechtvaardig oordeel verlaat Hij die plaatsen en personen, die Hem moede zijn, maar blijft bij hen, die Zijne tegenwoordigheid begeren en er om vragen. "Indien dan de ongelovige" van Christus "wil scheiden, dat hij scheide". Dat ligt dan voor zijne rekening. En voorts blijkt hier ook uit Zijne lankmoedigheid: Hij heeft geen verwoestend oordeel over hen achtergelaten om hen voor hun minachting van Hem en hun weerspannigheid naar verdienste te straffen. Hoe gemakkelijk, hoe rechtvaardiglijk zou Hij hen hun zwijnen achterna hebben kunnen zenden, hen, die reeds zozeer onder den invloed en de macht des duivels waren. De prikkeling daartoe was zeer sterk, maar Hij gaf er niet aan toe, en zonder toorn of verwijt, ging Hij in het schip en voer over. Dit was de dag Zijner lankmoedigheid, Hij is niet gekomen om het leven der mensen te verderven, maar te behouden, niet om te doden, maar te genezen. Een geestelijk oordeel voegt beter bij den aard der Evangelietijden. Toch hebben sommigen opgemerkt, dat in de bloedige oorlogen van de Romeinen tegen de Joden, die niet vele jaren daarna begonnen zijn, de stad Gadara, waar deze Gadarenen woonden, het eerst door hen belegerd werd. Zij, die Christus van zich wegdrijven, brengen allerlei ellende en rampen over zich. Wee ons! als God van ons heengaat. Hij kwam "in Zijne stad" Kapernaum, waar tegenwoordig Zijne voornaamste verblijfplaats was, Markus 2:1, en om die reden "Zijne stad" genoemd. Hij had zelf getuigd, dat een profeet "in zijn eigen vaderland gene eer heeft," toch kwam Hij hier, want Hij heeft Zijne eigene eer niet gezocht, maar, in een staat van vernedering zijnde, heeft Hij er in bewilligd om door het volk veracht te worden. Alle gebeurtenissen in dit hoofdstuk vermeld, hebben te Kapernaum plaats gehad, en daarom zijn zij hier saamgevoegd, hoewel er in de harmonie der Evangelisten ook anderen ingelast zijn. Toen de Gadarenen Christus verzochten te vertrekken, hebben de inwoners van Kapernaum Hem ontvangen. Wordt Christus door sommigen gesmaad, er zijn anderen, voor wie Hij heerlijk is, wil de een niet, een ander wil wèl. Het eerste voorval na Christus' terugkomst in Kapernaum, gelijk het in deze verzen vermeld is, was de genezing van een geraakte. Hierbij hebben wij te letten:
I. Op het geloof van de vrienden dezes mans daaruit blijkende, dat zij hem tot Christus brachten. Zijne kwaal was van een aard, die hem belette om zelf tot Christus te gaan, hij moest dus tot Hem gedragen worden. Zelfs de kreupelen en lammen kunnen tot Christus gebracht worden, en zij zullen door Hem niet worden afgewezen. Als wij doen wat wij kunnen zal Hij ons aannemen. Christus zag hun geloof. Kleine kinderen kunnen niet zelf tot Christus gaan, maar Hij zal het geloof zien van hen, die ze tot Hem brengen, en het zal niet te vergeefs zijn. "Jezus zag hun geloof," het geloof van den geraakte zelf, zowel als van hen, die hem brachten. Jezus zag de gesteldheid, den toestand des geloofs, hoewel door zijne kwaal zijne geestvermogens wellicht waren aangetast, en er de werking van belemmerd werd. Nu was hun geloof, ten eerste, een krachtig geloof, zij geloofden vast en stellig dat Jezus Christus hem kon en wilde genezen, anders zouden zij den zieke niet zo openlijk en met zo veel moeite tot Hem gebracht hebben. Ten tweede: een ootmoedig geloof. Hoewel de zieke niet in staat was een enkelen voetstap te doen, wilden zij Christus toch niet vragen om hem te bezoeken, maar hebben zij hem tot Christus heengebracht. Het is betamelijker, dat wij Christus onze opwachting maken, dan Hij ons. Ten derde: het was een werkzaam geloof, in geloof aan Christus' macht en goedheid brachten zij den zieke tot Hem "op een bed liggende", hetgeen zij niet zonder grote moeite en inspanning hebben kunnen doen. Een krachtig geloof ziet op gene beletselen om tot Christus te genaken.
II. Op de gunst van Christus in hetgeen Hij tot hem zei: "Zoon! wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven." Dit was ene zeer krachtige hartsterking voor een zieke, volkomen in staat om hem "op het ziekbed te ondersteunen" en hem zijn leger gemakkelijk te maken. Wij lezen niet van iets dat tot Christus gezegd werd, waarschijnlijk was de zieke zelf niet in staat om te spreken, en die hem brachten wilden liever spreken door daden dan door woorden: zij plaatsten hem voor Christus, dat was genoeg. Het is niet te vergeefs, dat wij ons en onze vrienden als deerniswaardige voorwerpen aan Christus voorstellen. De ellende roept, zowel als de zonde, en de ontferming is niet minder scherp van gehoor dan de gerechtigheid. In hetgeen Christus hier zei is: -ene vriendelijke benaming: "Zoon". Vermaning en vertroosting spreken tot de beproefden als tot zonen, want beproevingen zijn Vaderlijke tuchtoefeningen. Hebreeën 12:5, -ene genaderijke bemoediging: "Wees welgemoed," heb goeden moed. Waarschijnlijk was de arme man, toen hij zo in zijn bed neergelaten was, gans onthutst en verlegen, vreesde hij bestraft te worden, wijl hij zo ruw en zonder omslag in tegenwoordigheid van Christus gebracht was. Maar Christus is niet gesteld op ceremonie, op omslag, Hij zegt hem goedsmoeds te zijn, alles zal wel wezen, hij zal niet te vergeefs voor Christus zijn neergelegd. Christus zegt hem welgemoed te zijn en dan geneest Hij hem. Hij wil, dat zij, aan wie Hij Zijne gaven uitdeelt, goedsmoeds zijn, als zij Hem zoeken en op Hem vertrouwen. -Ene goede reden voor die bemoediging. "Uwe zonden zijn u vergeven." Nu kan dit beschouwd worden als ene inleiding tot, of voorbereiding van, de genezing der lichaamskwaal: "Uwe zonden zijn u vergeven, en daarom zult gij genezen worden." Daar zonde de oorzaak is van ziekte, is vergeving van zonde de troost en de liefelijkheid bij het herstel uit ziekte, niet alsof de zonde niet vergeven kan worden zonder dat de ziekte wordt weggenomen, of dat de ziekte niet kan weggenomen worden, terwijl toch de zonde niet vergeven is, maar zo wij de vertroosting hebben van met God verzoend te zijn, en tevens ook de vertroosting van het herstel uit ziekte, dan is dit voorwaar een even grote zegen en goedertierenheid voor ons als het voor Hizkia geweest is, Jesaja 38:17. Of wel, het kan beschouwd worden als ene reden van het bevel om "welgemoed" te zijn, hetzij hij al of niet van zijne ziekte genezen zou worden. "Al zou Ik u ook niet genezen, zult gij toch niet zeggen, dat gij te vergeefs tot Mij zijt gekomen, als Ik u verklaar en verzeker, dat uwe zonden u zijn vergeven, en zult gij dit dan ook niet als een genoegzamen grond van vertroosting beschouwen, al zoudt gij ook deze ziekte der verlamming behouden?" Zij, die door genade een blijk en teken ontvangen van de vergeving hunner zonden, hebben reden om welgemoed te zijn, onder wèlke uitwendige beproeving of benauwdheid zij ook verkeren, Jesaja 33:24.
III. De vittende aanmerking op hetgeen Christus zei, vers 3. Zij "zeiden in zich zelven"` in hun hart, onder elkaar, in hun geheime fluisteringen: "Deze lastert God." Zie, hoe het grootste voorbeeld van des hemels macht en genade gebrandmerkt wordt met het afschuwelijkste merk der helse vijandschap. Christus' vergeving van zonde wordt Godslastering genoemd, en zij zou ook niet minder dan Godslastering geweest zijn, indien Hij daartoe de opdracht niet van God had ontvangen. Zij, die deze opdracht niet hebben, zijn dus in waarheid schuldig aan Godslastering, als zij zich aanmatigen de zonde te vergeven. IV. Hoe Christus hen, eer Hij voortging met handelen, van het onredelijke hunner vitterij overtuigd heeft. Hij verweet hun die slechte gedachte. Zij zeiden het slechts bij zich zelven, maar Hij kende hun gedachten. Onze Heere Jezus heeft ene volkomen kennis van alles wat wij in ons zelven zeggen. Gedachten zijn verborgen en komen plotseling op, maar zij zijn naakt en geopend voor Christus, het eeuwige Woord, Hebreeën 4:12, 13, en Hij "verstaat ze van verre", Psalm 139:3. Hij kon tot hen zeggen (wat geen bloot mens tot hen zeggen kon). "Waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten?" Er is zeer veel kwaad in zondige gedachten, dat Jezus beledigt. Daar Hij de Opperheer is van het hart, komen zondige gedachten Zijne rechten te na en storen Hem in Zijne bezitting, daarom let Hij er op, en daarom mishagen zij Hem ten uiterste. In die gedachten ligt de wortel der bitterheid, Genesis 6:5. De zonden, die beginnen en eindigen in het hart, en niet verder gaan, zijn even gevaarlijk als de anderen. Hij overtuigde hen van deze verkeerdheid, vers 5 en 6, waar Hij Zijn gezag aantoont in het koninkrijk der genade. Hij bewijst, dat de Zoon des mensen, de Middelaar, "macht heeft op de aarde de zonden te vergeven, want daartoe heeft de Vader "al het oordeel den Zoon gegeven" en Hem "macht gegeven, omdat Hij des mensen Zoon is, Johannes 5:22, 27. Indien Hij macht heeft "het eeuwige leven te geven", en ongetwijfeld heeft Hij die macht, Johannes 17:2, dan moet Hij ook macht hebben de zonde te vergeven, want schuld is een slagboom, die weggenomen moet worden, of wij kunnen nooit in den hemel komen. Welke ene aanmoediging is dit voor de zondaren om zich te bekeren, dat de macht om zonde te vergeven in de handen is gelegd van den Zoon des mensen, die been is van ons been! En indien Hij die macht had op aarde, veel meer heeft Hij, nu Hij verhoogd is aan de rechterhand des Vaders, macht om te geven "bekering en vergeving van zonden',en aldus een "Vorst en Zaligmaker" te zijn, Handelingen 5:31. Hij bewijst dit door Zijne macht in het rijk der natuur, Zijne macht om krankheden te genezen. Is het niet even gemakkelijk, te zeggen: "Uwe zonden zijn u vergeven", als te zeggen: "Sta op en wandel? Hij, die de ziekte kan genezen, hetzij op verklarende wijze, als een profeet, of op gezaghebbende wijze, als God, kan op dezelfde wijze de zonden vergeven. Dit is een algemeen bewijs, van Christus' Goddelijke zending. Zijne wonderen, inzonderheid Zijne wonderdadige genezingen, bevestigen wat Hij van zich zelven gezegd heeft, n.l. dat Hij de Zoon van God was, de macht, welke in Zijne genezingen gezien werd, bewees, dat Hij van God was gezonden, en uit de ontferming die Hij betoonde, bleek, dat Hij van God was gezonden om te genezen en te behouden. De God der waarheid zou Zijn zegel niet plaatsen op ene leugen. Dit was van zeer bijzondere kracht in dit geval. De geraaktheid was slechts een symptoom, een verschijnsel, van de ziekte der zonde, en nu heeft Hij doen blijken, dat Hij krachtig en afdoend de oorspronkelijke ziekte kon genezen, zulk een nauw verband was er tussen de zonde en de ziekte. Hij, die de macht had de straf weg te nemen, had ongetwijfeld ook de macht de zonde te vergeven. De schriftgeleerden hadden zeer veel op met ene wettische gerechtigheid, zij hadden zeer weinig op met de vergeving van zonden, de leerstelling, die Christus hier bedoelde te eren, door aan te tonen, dat de grote opdracht, die Hij in de wereld had te vervullen, was: de mensen zalig te maken van hun zonden.
V. De onmiddellijke genezing van den zieke. Christus wendde zich af van hen, en sprak helend tot hem. De noodzakelijkste redeneringen en bewijsvoeringen moeten ons niet afleiden van het goede te doen, dat onze hand vindt om te doen. Hij zei "tot den geraakte: Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis", en ene gezegende, levenwekkende, versterkende kracht verzegelde dit woord, vers 7 :"Hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis". Nu heeft Christus hem bevolen zijn bed op te nemen, om te tonen, dat hij volkomen genezen was, en dat hij niet alleen niet meer nodig had om op zijn bed gedragen te worden, maar dat hij de kracht had om het te dragen. Hij zond hem naar zijn huis, om een zegen te zijn voor zijn gezin, waarvoor hij gedurende zo langen tijd een last was geweest. En Hij nam hem ook niet mede om ene vertoning van hem te maken, hetgeen zij in zulk een geval gedaan zouden hebben, die eer van mensen zoeken.
VI. De indruk, die hierdoor teweeggebracht werd op de schare, vers 8, zij "hebben zich verwonderd en God verheerlijkt." Al onze verwondering moet er toe bijdragen ons hart te verruimen in het verheerlijken van God, die alleen wonderen doet. Zij verheerlijkten God om hetgeen Hij voor dezen armen mens gedaan had. De zegen, aan anderen ten deel gevallen, moet ons een onderwerp zijn van lof, en wij moeten er Hem voor danken, want wij zijn elkanders leden. Hoewel slechts weinigen uit deze schare zo overtuigd waren, dat zij er toe gebracht werden, om in Christus te geloven, hebben zij Hem toch bewonderd, niet als God, of als Zoon van God, maar als een' Mens, aan wie God "zodanige macht gegeven had." God moet verheerlijkt worden in al de macht, die aan de mensen gegeven is om goed te doen. Want oorspronkelijk is alle macht Zijner, zij is in Hem, als in de Bron, in de mensen slechts als in waterbakken.