Johannes 18:13-27
Wij hebben hier een bericht van Christus' terechtstelling voor den hogepriester, en enige omstandigheden, welke daarbij plaatshadden en door de andere evangelisten niet zijn vermeld, en Petrus' verloochening van Hem, waarvan de andere evangelisten het verhaal geheel op zich zelve hadden gegeven, maar dat hier met de andere gebeurtenissen als ineen gevlochten is. De misdaad, die Hem ten laste werd gelegd, op den Godsdienst betrekking hebbende, achtten de rechters van het geestelijk gerechtshof, dat zij er onmiddellijk kennis van behoorden te nemen. Beiden Joden en heidenen grepen Hem, en zo hebben ook beiden Joden en heidenen Hem verhoord en veroordeeld, want voor de zonden van beiden is Hij gestorven. Laat ons het verhaal geregeld volgen.
I. Hem gegrepen hebbende, leidden zij Hem henen, eerst tot Annas, voor zij Hem naar het hof voerden, dat in het huis van Kajafas reeds bijeen was, en Hem verwachtte, vers 13.
1. Zij leidden Hem henen, in triomf, als ene trofee van hun overwinning, leidden Hem henen, als een lam ter slachting, en zij leidden Hem door de Schaapspoort, waarvan gesproken wordt in Nehemia 1:3. Want door die poort ging men van den Olijfberg naar Jeruzalem, Zij joegen Hem voort met geweld, alsof Hij de ergste kwaaddoener was. Wij zijn heengevoerd door onze eigen onstuimige lusten, door Satan gevangen geleid tot zijn wil, en opdat wij bevrijd zouden worden was Christus weggeleid, gevangen geleid door Satans agenten en werktuigen.
2. Zij leidden Hem henen tot hun meesters, die hen gezonden hadden. Het was nu omstreeks middernacht, en men zou denken, dat zij Hem in de gevangenis zouden leiden, Leviticus 24:12, totdat het de geschikte tijd was om Hem voor het hof te laten komen, maar Hij wordt terstond voortgejaagd, voortgedreven, niet naar den vrederechter om naar de gevangenis te worden verwezen, maar naar de rechters om veroordeeld te worden, zo heftig was hun vervolging, deels omdat zij bang waren, dat Hij uit hun handen zou verlost worden, waarvoor zij niet slechts den tijd niet gaven, maar er ook een afschrik voor deden ontstaan, deels ook omdat zij dorstten naar Christus' bloed, zoals een arend naar het aas toevliegt.
3. Zij leidden Hem henen, eerst tot Annas. Waarschijnlijk moesten zij diens huis voorbij, en het was hun geriefelijk om er binnen te gaan om enige verversingen te gebruiken, en-zoals sommigen denken-zich te laten betalen voor hun diensten. Ik veronderstel, dat Annas oud en zwak was, en op dat uur van den nacht niet met de anderen tegenwoordig kon zijn in den raad, maar toch vurig begeerde hun prooi te zien. Om hem dus te verblijden met de tijding van hun welslagen, en opdat de grijsaard er des te beter om zou slapen, en om zijn zegen er voor te ontvangen, brengen zij den gevangene voor hem. Het is treurig om te zien hoe zij, die oud en zwak zijn, en niet meer kunnen zondigen zoals vroeger, een welbehagen hebben in hen, die zondigen. Dr. Lightfoot is van mening, dat Annas niet tegenwoordig was, omdat hij dien morgen vroeg in den tempel moest wezen, om de offers te keuren, welke op dien dag gebracht werden, en toe te zien dat zij zonder gebrek waren. Indien dat zo is. dan lag daar ene betekenis in, namelijk dat Christus, het grote Offer, hem voorgesteld werd, en gebonden door hem werd weggezonden als goedgekeurd voor het altaar.
4. Deze Annas was de schoonvader van Kajafas, den hogepriester. Die verwantschap door aanhuwelijking is ene reden wellicht, waarom Kajafas uit eerbied voor hem bevel gaf om hem het eerst den gevangene te laten zien, of wel, waarom Annas Kajafas ondersteunde in die zaak, waarop hij zozeer zijn hart had gezet. Met slechte mensen bekend en verbonden te zijn is voor velen een sterke aansporing om te volharden in hun bozen weg.
II. Annas heeft hen niet lang opgehouden, daar hij even begerig was als zij allen om voortgang te maken met de vervolging, en zond Hem daarom gebonden naar Kajafas, naar zijn huis, waar het sanhedrin vergaderd was voor deze gelegenheid, of wel naar de gewone plaats in den tempel, waar de hogepriester zijn hof hield, dit wordt vermeld in vers 24, als in een tussenzin. De Engelse vertalers van den Bijbel waren van mening, dat dit hier had behoren te staan. Merk hier op:
1. De macht van Kajafas, aangeduid in vers 13. Hij was in dat jaar hogepriester. De hogepriesters bekleedden hun ambt levenslang. Maar door de kuiperijen van eerzuchtige lieden, die deze ereplaats voor zich begeerden, was het een ambt geworden, dat schier elk jaar door een ander werd waargenomen, hetgeen wel als een voorteken van het naderend einde er van beschouwd kon worden. Terwijl zij elkaar ondermijnden, heeft God hen allen neergeworpen, opdat Hij kon komen, die er alleen recht op had. Kajafas was hogepriester in hetzelfde jaar, toen de Messias uitgeroeid zou worden, hetgeen aanduidt:
a. Dat wanneer een slechte zaak door een hogepriester bedreven moest worden overeenkomstig de voorkennis van God, Gods voorzienigheid het ook zo beschikte, dat er op die hoge plaats een slecht man zou zijn om het te doen.
b. Dat, wanneer God aan het licht wilde brengen welk een bederf er was in het hart van een slecht man, Hij hem in ene plaats van macht en gezag stelde, waar hij in de verzoeking was en de gelegenheid had om kwaad te doen. Het was het verderf van Kajafas, dat hij in dat jaar hogepriester was, en dus de aanvoerder werd van hen, die Christus ter dood brachten. Bevordering tot hoge ambten heeft menigeen om zijn goeden naam gebracht, die niet zou onteerd zijn indien hij niet ware bevorderd.
2. De boosaardigheid van Kajafas, welke is aangeduid, vers 14, door de herinnering aan hetgeen hij enigen tijd tevoren gezegd had, namelijk dat, terecht of ten onrechte, schuldig of onschuldig. het nut was dat een mens voor het volk stierve, hetgeen verwijst naar het verhaal in Hoofdstuk 11:50. Dit wordt hier herinnerd om aan te tonen:
a. Welk een slecht man hij was: deze was de Kajafas, die zich zelven en de kerk regeerde naar regelen der staatkunde, in plaats van naar de wetten van recht en billijkheid.
b. Welk een slechte behandeling Christus van dit hof te wachten had, als Zijne zaak reeds beslist was eer zij was onderzocht, en zij reeds besloten hadden wat met Hem te doen: Hij moest sterven, en bijgevolg was Zijn verhoor slechts voor de leus, en dus ene bespotting. Zo hebben de vijanden van Christus' Evangelie besloten, om het-of het waar of niet waar is-te vernietigen.
c. Het is een getuigenis van de onschuld onzes Heeren Jezus uit den mond van een Zijner ergste vijanden, die erkende dat Hij viel als een offer voor het algemene welzijn, en dat het niet rechtvaardig, maar slechts nut was, dat Hij zou sterven. 3. De toestemming van Annas voor de vervolging van Christus. Hij maakte zich tot medeplichtige in de schuld:
a. Met den overste en de dienaren, die zonder wet en zonder barmhartigheid Hem hadden gebonden, want hij keurde dit goed door het feit van Hem gebonden te laten blijven, terwijl hij Hem had behoren te ontbinden, daar Hij van generlei misdaad overtuigd was en niet gepoogd had te ontvluchten. Indien wij niet doen wat wij kunnen, om het kwaad, dat anderen gedaan hebben, ongedaan te maken, dan zijn wij medeplichtigen er aan ex post facto, na de daad. Het was meer te verschonen in de ruwe soldaten om Hem te binden, dan in Annas, die beter had moeten weten, om Hem gebonden te laten.
b. Met de overpriesters en den raad, die Hem veroordeelden, en Hem ten dode toe vervolgden. Deze Annas was niet bij hen tegenwoordig, maar aldus heeft hij hun zijt gegroet toegeroepen, en heeft hij gemeenschap gehad aan hun boze werken.
III. In het huis van Kajafas is Simon Petrus begonnen zijn Meester te verloochenen, vers 15-18.
1. Het was met grote moeite, dat Petrus in de zaal kon komen, waar het hof zijne zitting hield, waarvan wij het bericht hebben in vers 15, 16. Hier kunnen wij opmerken:
a. Petrus' vriendelijkheid voor Christus, die (hoewel zij geen ware vriendelijkheid bleek te zijn) zich in twee dingen heeft getoond: a. Dat Hij Jezus volgde, toen Hij weggeleid werd. Hoewel hij eerst met de anderen gevlucht was, heeft hij toch weer moed gegrepen, en volgde Hem op enigen afstand, zich de beloften voor den geest brengende, die hij gedaan had, om Hem te blijven aankleven, wat het hem ook mocht kosten. Zij, die Christus temidden van Zijne eer waren gevolgd, en met Hem in die eer gedeeld hadden toen het volk Hem hun Hosanna toeriep, hadden Hem nu temidden van Zijne versmaadheid en schande behoren te volgen, om ook daarin met Hem te delen. Zij, die Christus waarlijk liefhebben en waarderen, zullen Hem volgen in alle weer en op elke weg. b. Toen hij niet kon doordringen tot waar Jezus was temidden van Zijne vijanden, stond hij buiten aan de deur, gaarne zo dicht bij Hem zijnde als hij slechts kon, en op een gelegenheid wachtende om naderbij te komen. Aldus moeten wij, als wij bij ons volgen van Christus tegenstand ontmoeten, onzen goeden wil tonen. Maar toch was deze vriendelijkheid van Petrus geen vriendelijkheid, want hij had geen kracht en moed genoeg om er in te volharden, en zo is het gebleken, dat hij slechts in een strik was gelopen. Alles wel overwogen zijnde, was zelfs zijn volgen van Christus verkeerd, want Christus, die hem beter kende dan hij zich zelven kende, had hem uitdrukkelijk gezegd, Hoofdstuk 13:36:Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, en Hij had hem telkens en nogmaals gezegd, dat hij Hem zou verloochenen, en zo-even heeft hij zijn eigen zwakheid gezien, toen hij Hem heeft verlaten. Wij moeten er ons voor wachten om God te verzoeken door ons in moeilijkheden te begeven, die onze krachten te boven gaan, en ons te ver te wagen op den weg des lijdens. Worden wij er duidelijk en onmiskenbaar toe geroepen, om ons aan gevaar bloot te stellen, dan kunnen wij hopen, dat God ons instaat zal stellen Hem te eren, maar indien dat niet zo is, dan kunnen wij vrezen, dat God ons aan ons zelven zal overlaten ten einde ons te beschamen.
b. De vriendelijkheid van den anderen discipel voor Petrus, die, zoals later bleek, ook geen vriendelijkheid geweest is. Daar Johannes in dit Evangelie meermalen van zich zelven gesproken heeft als van een anderen discipel, heeft dit vele Schriftverklaarders er toe gebracht om te denken, dat deze discipel hier ook Johannes geweest is, en zij hebben er allerlei gissingen over, hoe hij met den hogepriester bekend was, "van hogere geboorte zijnde" zegt Hiëronymus, alsof hij van aanzienlijker geboorte was dan zijn broeder Jakobus, terwijl toch beiden zonen waren van Zebedeus, den visser. Sommigen zeggen, dat hij zijne bezitting aan den hogepriester had verkocht, anderen, dat hij diens gezin van vis voorzag, hetgeen alles zeer onwaarschijnlijk is. Maar ik zie geen reden om te denken, dat die andere discipel Johannes is geweest, of een van de twaalven, Christus had nog andere schapen, die van dezen stal niet waren, en deze kon-zoals de Syrische lezing het heeft-unus ex discipulis aliis -een van die andere discipelen geweest zijn, die in Christus geloofden, maar te Jeruzalem woonden en dáár hun plaats behielden, wellicht Jozef van Arimathea, of Nicodemus, bekend bij den hogepriester, maar hem niet bekend zijnde als discipelen van Christus. Gelijk er velen zijn, die discipelen schijnen te wezen, maar het niet zijn, zo zijn er ook velen, die discipelen zijn, maar het niet schijnen te zijn. Er zijn Godzalige mensen, verborgen aan de hoven der koningen, zelfs aan het hof van Nero, zowel als verborgen onder de scharen. Wij moeten niet oordelen, dat iemand geen vriend van Christus is, alleen maar omdat hij bekend is en omgang heeft met hen, van wie men weet, dat zij Zijne vijanden zijn. Deze andere discipel nu-wie hij dan ook moge geweest zijn-toonde eerbied voor Petrus door hem binnen te leiden, niet slechts om aan zijne nieuwsgierigheid en genegenheid te voldoen, maar om hem de gelegenheid te geven dienst te bewijzen aan zijn Meester bij Zijn verhoor, indien dit mogelijk en nodig zou blijken te zijn. Zij, die waarlijk liefde hebben voor Christus en Zijne wegen, kunnen door hun karakter of door de omstandigheden genoodzaakt zijn, om zich ietwat koel en voorzichtig op den achtergrond te houden. Als hun geloof echter oprecht is, zal het wel blijken naar welken kant hun hart uitgaat, daar zij bereid gevonden zullen worden om een erkenden discipel een goeden dienst te bewijzen. Petrus had wellicht dezen discipel ingeleid om een gesprek met Christus te hebben, en nu vergeldt hij hem deze vriendelijkheid, en schaamt zich niet hem te kennen, hoewel hij toen, naar het schijnt wel een zeer armzalig terneergeslagen voorkomen had. Maar ook deze vriendelijkheid bleek geen vriendelijkheid te zijn, ja was een grote onvriendelijkheid. Door hem binnen te brengen in de zaal des hogepriesters, leidde hij hem in verzoeking, en de gevolgen waren zeer slecht. De beleefdheden onzer vrienden blijken dikwijls, door een verkeerd geleide genegenheid, valstrikken voor ons te zijn.
2. Binnen gekomen zijnde, wordt Petrus terstond door de verzoeking aangevallen en overwonnen, vers 17. Merk hier op:
a. Hoe licht de aanval was. Het was slechts een onnozele dienstmaagd, van zo weinig gewicht of betekenis, dat zij als portierster gebruikt werd, die hem aanviel en hem vroeg: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen mens? dit waarschijnlijk vermoedende wegens zijn blode en verlegen voorkomen. Menigmaal zouden wij een goede zaak beter kunnen handhaven, indien wij er goeden moed voor hadden en een goed gelaat toonden. Petrus zou reden gehad hebben om verschrikt te zijn, indien Malchus op hem af ware gekomen, zeggende: "Deze is het, die mijn oor heeft afgehouwen, en daarvoor eis ik nu zijn hoofd." Maar als ene dienstmaagd hem slechts vraagt: "Zijt gij niet een van hen?" dan zou hij zonder gevaar hebben kunnen antwoorden: "Welnu, als ik het ben, wat dan nog?" Gesteld eens, dat de dienaren hem hadden bespot en gehoond, diegenen kunnen wel weinig dragen voor Christus, die dit niet kunnen dragen, het is toch slechts een lopen met de voetgangers.
b. Hoe snel hij viel. Zonder den tijd te nemen van zich te beraden, antwoordt hij plotseling: Ik ben niet. Indien hij leeuwenmoed had gehad, hij zou gezegd hebben: "Ik heb de eer van dit te zijn", of, indien hij de voorzichtigheid der slang had gehad, hij zou te dier tijd gezwegen hebben, want het was een boze tijd. Maar alleen bedacht op zijne veiligheid, dacht hij zich die niet anders te kunnen verzekeren dan door een besliste ontkenning: Ik ben niet. Hij ontkent het niet slechts, hij versmaadt het, hij acht dat hare woorden hem smaden.
c. Maar hij begeeft zich nog verder in verzoeking: En de dienstknechten en de dienaars stonden, en Petrus stond bij hen, vers 18. a. Zie hoe de dienaars voor zich zelven zorgden: daar het een koude nacht was, legden zij een vuur aan in de zaal, niet voor hun meesters (dezen waren zo vurig en ijverig in hun vervolgen van Christus, dat zij de koude vergaten) maar voor zich zelven, om zich te verkwikken. Zij bekommerden zich niet om hetgeen er met Christus geschiedde, zij dachten aan niets anders dan om neer te zitten en zich te warmen, Amos 6:6. b. Zie, hoe Petrus zich met hen vergezelt, zich met hen verenigt. Hij stond bij hen en warmde zich. De fout was al erg genoeg, dat hij zijn Meester niet vergezelde, dat hij niet aan het boveneinde der zaal voor Hem opkwam, waar Hij nu een verhoor onderging. Hij zou een getuige voor Hem hebben kunnen wezen, en den valsen getuigen het hoofd hebben kunnen bieden, die hun valse eden tegen Hem hadden afgelegd, indien zijn Meester hem had geroepen. Of hij zou ten minste van Hem hebben kunnen getuigen, nauwkeurig nota hebben kunnen nemen van hetgeen er voorviel, ten einde het aan de andere discipelen mede te delen, die niet bij het verhoor tegenwoordig hadden kunnen wezen, hij zou van zijns Meesters voorbeeld hebben kunnen leren hoe zich te gedragen, als het zijne beurt zou worden om aldus te lijden, maar noch zijne nieuwsgierigheid, noch zijn geweten kon hem bewegen in het hof te komen, neen hij stond daar, alsof hij, gelijk Gallio, zich geen van die dingen aantrok. En toch hebben wij reden te geloven, dat zijn hart toen gans vervuld was van smart en zorg, maar dat hij den moed niet had dit te erkennen. "Heere, leid ons niet in verzoeking". Nog erger fout beging hij echter, toen hij zich voegde bij de vijanden zijns Meesters: hij stond bij hen en warmde zich, dit was een armzalige verontschuldiging voor dit zich samen voegen. Iets zeer gerings zal die in slecht gezelschap lokken, die er door het behagen scheppen in een goed vuur toe worden aangetrokken. Indien de ijver van Petrus voor zijn Meester niet ijskoud was geworden, maar even warm was gebleven als hij enkele uren vroeger was, dan zou hij er gene behoefte aan hebben gehad om zich nu te warmen. Petrus was zeer te laken:
1. Omdat hij zich vergezelde met die bozen. Ongetwijfeld hebben zij zich vermaakt met hun nachtelijken tocht, smalende op Christus, op hetgeen Hij gezegd en gedaan had, juichende en roemende in hun overwinning over Hem, welk vermaak of genoegen kon Petrus daar nu in vinden? Indien hij sprak zoals zij spraken, of door stil te zwijgen instemming te kennen gaf, dan begaf hij zich in zonde, zo niet, dan begaf hij zich in gevaar. Indien Petrus den moed niet had om openlijk voor zijn Meester op te treden, dan zou hij toch zoveel liefde en eerbied voor Hem kunnen hebben om zich naar een hoek terug te trekken, om in stilte over zijns Meesters lijden te wenen, en over zijn eigen zonde van Hem verlaten te hebben. Indien hij geen goed kon doen, dan zou hij toch uit den weg hebben kunnen blijven van kwaad te doen. Het is beter zich te verbergen dan zich te vertonen zonder nut of doel, of wel met een kwaad oogmerk.
2. Omdat hij wenste voor een hunner door te gaan, ten einde er niet van verdacht te worden een discipel van Christus te wezen. Is dit Petrus? Welk ene tegenstelling met het gebed van ieder Godvruchtige: "Verzamel niet mijne ziel met de zondaren", Psalm 26:9 1). Saul onder de profeten is niet zo ongerijmd als David onder de Filistijnen. Zij, die het lot afbidden, dat de spotters hiernamaals wacht, moeten er voor vrezen om hier onder de spotters neer te zitten. Het is noodlottig voor ons om ons te warmen onder hen, met wie wij gevaar lopen van ons te branden, Psalm 141:4. IV. Petrus. de vriend van Christus, begonnen zijnde met Hem te verloochenen, begint de hogepriester, Zijn vijand, Hem te beschuldigen, of liever, hij dringt Hem om zich zelven te beschuldigen, vers 19-21. Het schijnt, dat men Hem in de eerste plaats wilde voorstellen als een verleider, een leraar van valse leerstellingen, hetgeen door dezen evangelist wordt meegedeeld, daarna beschuldigden zij Hem van Godslastering, hetgeen door de andere evangelisten wordt meegedeeld, en daarom hier weggelaten is. Merk op:
1. De punten, waarover Christus ondervraagd werd, vers 19:Van Zijne discipelen, en van Zijne leer. Let:
a. Op de onregelmatigheid van het proces, indruisende tegen alle wet en billijkheid. Zij grijpen Hem als een misdadiger, en nu Hij hun gevangene is, is er gene beschuldiging tegen Hem, geen procesverbaal, geen vervolger, de rechter zelf moet de vervolger, de aanklager zijn, en de gevangene zelf moet de getuige wezen, tegen alle recht en rede wordt Hij gesteld om zich zelven te beschuldigen.
b. De bedoeling. Omdat de hogepriester besloten had, dat Christus aan hun boosaardigheid opgeofferd moest worden onder den schijn van het algemene welzijn er mede te bevorderen, deed hij Hem vragen, waarmee Zijn leven gemoeid was. Hij ondervroeg Hem: a. Omtrent Zijne discipelen, ten einde Hem van oproerigheid te kunnen beschuldigen en Hem voor te stellen als gevaarlijk voor den Romeinsen staat, zowel als voor de Joodse kerk. Hij vroeg Hem wie Zijne discipelen waren-hoe groot hun aantal was-uit welke landstreek zij waren. Hij vroeg naar hun naam en hun karakter, te kennen gevende, dat Zijne leerlingen eigenlijk bestemd waren om soldaten te zijn, en mettertijd een geduchte bende zouden worden. Sommigen denken, dat zijne vraag aangaande de discipelen was: "Wat is er nu van die allen geworden? Waar zijn zij? Waarom verschijnen zij niet?" Hem aldus hun lafhartigheid van Hem te verlaten verwijtende, en dus aan de smart er van nog toevoegende. Er lag ene betekenis in, dat het eerste wat aan Christus ten laste werd gelegd, was, dat Hij discipelen gehad heeft, want het was om hunnentwil, dat Hij zich geheiligd heeft en dat Hij leed. b. Aangaande Zijne leer, om Hem van ketterij te kunnen beschuldigen, en Hem onder de strafwet tegen valse profeten te doen komen, Deuteronomium 13:9, 10. Dat was ene zaak, waarvan dit gerechtshof bevoegd was kennis te nemen, Deuteronomium 17:12, daarom kon een profeet niet anders gedood worden dan te Jeruzalem, waar dat hof zitting hield. Zij konden Hem van generlei valse leerstelling overtuigen, maar zij hoopten iets uit Hem te krijgen, dat zij ten Zijnen nadele konden verwringen, en Hem schuldig konden maken om een woord, Jesaja 29:21. Zij zeiden niets tot Hem van Zijne wonderen, waarmee Hij zoveel goed had gedaan en Zijne leer zo onweerlegbaar had bewezen, want zij wisten wel, dat zij die niet konden aantasten. Aldus hebben de tegenstanders van Christus moedwillig de ogen gesloten voor de waarheid, zij wilden haar niet zien.
2. Christus' antwoord op deze ondervraging.
a. Wat Zijne discipelen betreft, daarvan zei Hij niets, omdat de vraag ongepast was. Indien Zijne leer goed en gezond was, dan was Zijn mededelen er van aan discipelen niets meer dan hetgeen vergund werd aan, en beoefend werd door, hun eigen leraren. Indien Kajafas met zijn vragen omtrent Zijne discipelen de bedoeling had dezen te verstrikken en in moeilijkheden te brengen, dan was het uit vriendelijkheid voor hen, dat Christus niets van hen zei, want Hij had gezegd: Laat dezen heengaan. Indien hij bedoelde Hem hun lafhartigheid te verwijten, dan is het niet te verwonderen, dat Hij niets zei, Hij wilde niets zeggen om hen te veroordelen, en kon niets zeggen om hen te rechtvaardigen.
b. Wat Zijne leer betreft, daarvan zei Hij niets in het bijzonder, maar beriep zich op hen, die Hem gehoord hadden, vers 20, 21. a. Stilzwijgend legt Hij Zijnen rechters onwettige handelingen ten laste. Hij sprak geen kwaad van de oversten des volks, en heeft tot deze vorsten niet gezegd: gij zijt goddeloos, maar Hij beroept zich op de vaste regelen van hun eigen hof, waaruit blijkt dat zij niet naar recht of billijkheid met Hem handelden. Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid? Psalm 58:2. Zo ook hier: Wat ondervraagt gij Mij? Hetgeen tweeërlei ongerijmdheid aanduidt in het oordeel: Ten eerste. "Wat ondervraagt gij Mij thans van Mijne leer? Gij hebt haar immers reeds veroordeeld". Zij hadden reeds een besluit gemaakt, om allen in den ban te doen, die Hem zouden erkennen en belijden, Hoofdstuk 9:22, zij hadden een bevel uitgevaardigd om Hem te grijpen, en nu komen zij nog vragen naar Zijne leer! Aldus was Hij, zoals dit gewoonlijk met Zijne leer en Zijne zaak gaat, veroordeeld zonder gehoord te zijn.
Ten tweede. " Wat ondervraagt gij Mij? Moet Ik Mij zelven beschuldigen, als gij gene bewijzen tegen Mij hebt?" b. Hij wijst nadrukkelijk op Zijn rondborstige handelwijze tegenover hen in de verkondiging Zijner leer, en rechtvaardigt zich er mede. De misdaad, waarnaar het sanhedrin volgens de wet onderzoek moest doen, was de heimelijke verspreiding van gevaarlijke leerstellingen, het heimelijke aanporren of verleiden, Deuteronomium 13:6. Hieromtrent heeft Christus zich dus ten volle gezuiverd. Ten eerste. Ten opzichte van Zijne wijze van prediken. Hij sprak openlijk-met vrijmoedigheid, en in duidelijke bewoordingen. Hij heeft geen dubbelzinnige zegswijzen gebruikt, zoals Apollo in zijne orakelen. Zij, die de waarheid willen ondermijnen, verdorven denkbeelden willen verspreiden, trachten hun doel te bereiken door sluwe inblazingen, vragen te doen en moeilijkheden op te werpen, en niets met stelligheid te zeggen of te verzekeren. Maar Christus heeft zich duidelijk uitgedrukt en verklaard, met een Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u. Zijne bestraffingen waren vrijmoedig en stoutmoedig, en Zijn getuigen tegen het bederf der eeuw helder en nadrukkelijk. Ten tweede. Aangaande de personen, tot wie Hij predikte. Hij sprak tot de wereld, tot allen, die oren hadden om te horen, en gewillig waren om Hem te horen, hoog of laag, geleerden of ongeleerden, Joden of heidenen, vrienden of vijanden. Zijne leer vreesde de afkeuring niet van een gemengde schare, ook misgunde Hij er niemand de kennis van (zoals diegenen, welke de een of andere zeldzame uitvinding hebben gedaan, gewoonlijk niet willen, dat iemand er mede bekend zal worden) neen, Hij heeft haar even vrijelijk meegedeeld als de zon hare stralen mededeelt. Ten derde. Betreffende de plaatsen, waar Hij gepredikt heeft. Als Hij buiten Jeruzalem was, predikte Hij gewoonlijk in de synagogen-de plaatsen der openlijke Godsverering, en op den sabbatdag-den tijd der samenkomst. Hij predikte dezelfde leer in den tempel op de plechtige feestdagen, wanneer de Joden er van alle plaatsen bijeenkwamen, en hoewel Hij dikwijls in gewone huizen heeft gepredikt, en op bergen, en aan den oever der zee, om te tonen dat Zijn woord en Zijne aanbidding niet beperkt waren tot tempels en synagogen, was toch wat Hij in besloten kringen predikte, hetzelfde als wat Hij in het openbaar verkondigde. Der leer van Christus, zuiver en duidelijk gepredikt, behoeft men zich niet te schamen, om er in de talrijkste vergaderingen mede te komen, want zij draagt haar eigen kracht en schoonheid in zich. Christus' getrouwe dienstknechten wensen, dat de gehele wereld zal horen wat zij zeggen, De wijsheid roept in het voorste der woelingen, Spreuken 1:21, 8:3, 9:3. Ten vierde. Aangaande de leer zelf. Hij heeft niets in het verborgene gesproken, dat in tegenspraak was met hetgeen Hij in het openbaar had gezegd. Hij sprak dan slechts bij wijze van herhaling en nadere verklaring. In het verborgen heb Ik niets gesproken, alsof Hij aan de waarheid er van twijfelde, of zich van enigerlei boze bedoeling bewust was. Hij zocht geen hoeken, Hij zei niets, waarover Hij zich behoefde te schamen. Wat Hij in besloten kring aan Zijne discipelen zei, beval Hij hun op de daken te prediken, Mattheus 10:27. God zei van zich zelven, Jesaja 45:19, Ik heb niet in het verborgene gesproken, Zijn gebod is niet verborgen, Deuteronomium 30:11. En de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt evenzo, Romeinen 10:6. "De waarheid vreest niets dan verberging", zegt Tertullianus.
c. Hij beroept zich op hen, die Hem gehoord hadden, en wenst dat zij ondervraagd zullen worden omtrent de leer, die Hij had gepredikt, of zij de gevaarlijke strekking had, die men veronderstelde: Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb. Sommigen van hen kunnen hier aanwezig zijn, of men kan hen van hun legerstede hier doen komen. Hij bedoelt hiermede niet Zijne vrienden en volgelingen, van wie men kan onderstellen dat zij ten Zijnen gunste zouden spreken, maar, vraag ieder onpartijdig hoorder, vraag uw eigen dienaren. Sommigen denken, dat Hij op hen wees, toen Hij zei: Zie dezen weten, wat Ik gezegd heb, verwijzende naar hun verslag van Zijne prediking, Hoofdstuk 7:46:Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze mens. Ja meer, gij kunt sommigen van de rechters ondervragen, want het is waarschijnlijk, dat sommigen van hen Hem gehoord hadden, en door Hem tot zwijgen waren gebracht. De leer van Christus kan zich veilig beroepen op allen, die haar kennen, en zij heeft zoveel recht en rede aan hare zijde, dat wie onpartijdig oordeelt, niet anders kan dan er voor te getuigen.
V. Terwijl de rechters Hem ondervroegen, hebben de dienaren, die er bij stonden, Hem mishandeld, vers 22, 23.
1. Het was een laaghartige belediging, die een van de dienaren Hem aandeed. Hoewel Hij met zoveel kalmte en zo overtuigende bewijsvoering sprak, heeft deze onbeschofte mens Hem in het aangezicht geslagen, zeggende: Antwoordt gij alzo den hogepriester? Alsof Hij zich onbetamelijk jegens het hof had gedragen. Hij sloeg Hem-edooke rhapisma hij gaf Hem een slag. Sommigen denken, dat het betekent een slag met een roede of staf, van rhabdos, of met een staf, die het teken was van zijn ambt. Nu was de Schrift vervuld, Jesaja 50:6. "Ik geef Mijne wangen -eis rhapismata (zoals de lezing is in de Septuaginta) aan de slagen", het woord, dat hier gebruikt is, en Micha 4:14:Zij zullen den rechter Israël's met de roede op het kinnebakken slaan. En aan het type is beantwoord, Job 16:10:Zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken. Het was onrechtvaardig om iemand te slaan, die niets verkeerds zei of deed, het was onbeschoft, dat een gering dienaar iemand sloeg, die openlijk als een persoon van aanzien en gewicht beschouwd werd, het was lafhartig iemand te slaan, wiens handen gebonden waren, het was barbaars en wreed een gevangene te slaan, wie men een verhoor afneemt. Hier was een vredebreuk in tegenwoordigheid van het hof, en toch hebben de rechters dit aangemoedigd. Beschaamdheid des aangezichts was wat wij verdiend hebben, maar Christus heeft dit op zich genomen. "Op Mij zij de vloek, de schande". Hij bestrafte Hem op gebiedende, hoogmoedige wijze: Antwoordt gij alzo den hogepriester? Alsof de gezegende Jezus niet waardig was om tot zijn meester te spreken, of niet wijs genoeg om te weten hoe tot hem te spreken, maar als een onbeschaafde, onwetende gevangene onder toezicht van den gevangenbewaarder moest staan, en geleerd moest worden hoe zich te gedragen. Sommigen der ouden opperden het denkbeeld, dat deze dienaar Malchus was, die aan Christus de genezing van zijn oor had te danken, en de bewaring van zijn hoofd, maar Hem op die wijze Zijne weldaad vergold. Maar wie hij ook geweest moge zijn, hij deed het, om den hogepriester te behagen en in zijne gunst te komen, want hetgeen hij zei scheen ijver aan te duiden voor de eer en de waardigheid van den hogepriester. Slechte heersers zullen geen gebrek hebben aan slechte dienstknechten, die "ten kwade zullen helpen" tegen hen, die door hun meesters vervolgd worden. Er was een opvolger van dezen hogepriester, die gebood dat men Paulus op den mond zou slaan, Handelingen 23:2. Sommigen denken, dat deze dienaar zich voordeed, alsof hij persoonlijk beledigd was door het denkbeeld, dat hij als getuige voor Hem zou willen optreden, hij was misschien een der dienaren, die met lof van Hem gesproken hebben, Hoofdstuk 7:46, en om nu niet voor een verborgen vriend van Hem gehouden te worden, treedt hij als een bittere vijand van Hem op.
2. Christus heeft deze belediging met wondervolle zachtmoedigheid en geduld gedragen, vers 23. "Indien Ik kwalijk gesproken heb, in hetgeen Ik zo-even zei, betuig van het kwade. Zeg het aan het hof, en laat de rechters er over oordelen, die daartoe bevoegd zijn, maar indien wèl, en zoals het Mij betaamde, waarom slaat gij Mij?" Christus had hem met een wonder des toorns kunnen antwoorden, had hem met stomheid kunnen slaan, of hem dood neervellen, of Hij zou de hand hebben kunnen doen verdorren, die tegen Hem was opgeheven. Maar het was nu de dag van Zijne lankmoedigheid en Zijn lijden, en Hij antwoordde hem met zachtmoedige wijsheid, om ons te leren ons zelven niet te wreken, geen kwaad met kwaad te vergelden, of schelden voor schelden maar met de zachtmoedigheid der duif beledigingen te verdragen, ook wanneer wij, gelijk onze Heiland hier, met de voorzichtigheid der slang er de onrechtvaardigheid van aantonen, en er ons van beroepen op de overheid. Christus heeft hem niet de andere wang toegekeerd, waaruit blijkt dat deze regel, Mattheus 5:39, niet in letterlijken zin opgevat moet worden. Men zou wel de andere wang kunnen toekeren, terwijl toch het hart vol is van boosheid, maar, Christus' voorschrift vergelijkende met Zijn voorbeeld, leren wij hier:
a. Dat wij in zulk een geval onze eigen wrekers niet moeten zijn, noch rechters in onze eigen zaak. Wij moeten den tweeden slag veeleer ontvangen dan geven, waardoor de twist ontstaat. Het is ons geoorloofd ons zelven te verdedigen, maar niet ons zelven te wreken. Indien het nodig is ter bewaring van den openbaren vrede en ter beteugeling en verschrikking van boosdoeners, dan moet de overheid de wreekster zijn, Romeinen 13:4.
b. Onze toorn wegens ontvangen beledigingen moet altijd redelijk, maar nooit hartstochtelijk zijn, zo was hier de toorn van Christus, als Hij leed, redeneerde Hij, maar dreigde niet. Hij heeft hem, die Hem de belediging heeft aangedaan, in alle redelijkheid en zachtmoedigheid zijn onrecht onder het oog gebracht, en dat mogen ook wij.
c. Als wij geroepen worden tot lijden, dan moeten wij ons voegen naar het ongerief, het onbehaaglijke van den toestand van lijden, met geduld, en door de ene belediging, die ons is aangedaan, er op voorbereid zijn om er nog ene te ontvangen, en er ons in te schikken.
VI. Terwijl de dienaren Hem aldus mishandelden, ging Petrus voort met Hem te verloochenen, vers 25-27. Het is een treurige geschiedenis, en niet het minste van hetgeen Christus heeft doen lijden.
1. Hij heeft de zonde voor de tweede maal herhaald, vers 25. Terwijl hij bij de dienaren stond en zich warmde, alsof hij tot hen behoorde, vroegen zij hem: Zijt gij ook niet uit zijne discipelen? Wat doet gij hier onder ons? En hij, horende wellicht dat Christus ondervraagd werd van Zijne discipelen, en vrezende gegrepen, of tenminste, evenals zijn Meester, geslagen te worden, indien hij het erkende, heeft hij het zonder omwegen geloochend, zeggende: ik ben niet.
a. Het was zijn grote dwaasheid om zich in verzoeking te begeven door in het gezelschap te blijven van hen, die niet voor hem pasten, en met wie hij niets van doen had. Hij bleef om zich te warmen, maar zij, die zich met en onder kwaaddoeners warmen, worden koud voor goede mensen en goede dingen, en zij, die liefde hebben voor des duivels haard, zijn in gevaar van des duivels vuur. Petrus zou bij zijn Meester voor de balie hebben kunnen staan, en er zich beter hebben kunnen warmen dan hier, aan het vuur van zijns Meesters liefde, dat vele wateren niet kunnen uitblussen, Hooglied 8:6, 7. Hij zou zich dáár hebben kunnen verwarmen door ijver voor zijn Meester en gloeiende verontwaardiging jegens Zijne vervolgers, maar hij wilde zich liever met hen, dan tegen hen warmen. Maar hoe zou een alleen (een discipel alleen) warm worden? Prediker 4:11.
b. Het was zijn grote ongeluk, dat hij wederom door de verzoeking werd aangevallen, maar er was niets anders te verwachten, want dit was een plaats en een ure der verzoeking. Toen de rechter Christus vroeg van Zijne discipelen, was dit waarschijnlijk voor de dienaren de aanleiding om Petrus te beschuldigen dat hij een hunner was. Zie hier: a. De list van den verzoeker om iemand neer te vellen, dien hij reeds zag vallen, een sterker aanval nog op hem te doen, het is nu niet ene dienstmaagd slechts, maar al de dienaren. Het toegeven aan ene verzoeking lokt een andere uit, en wellicht een, die nog sterker is. Als wij voet geven, verdubbelt Satan zijn aanval. b. Het gevaar van slecht gezelschap. Gewoonlijk zullen wij ons best doen, om ons aangenaam te maken bij hen, wier omgang wij zoeken, wij laten ons voorstaan op hun lof, en trachten goed bij hen aangeschreven te staan. Zoals wij onze lieden kiezen, kiezen wij onzen lof, en gedragen ons daarnaar, daarom hangt er zoveel van af voor ons dat onze eerste keuze een goede keuze zij, en dat wij ons niet voegen bij, of vergezellen met, hen, die wij niet kunnen behagen zonder Gode te mishagen.
c. Het was zijn grote zwakheid, ja meer, het was zijn grote slechtheid om toe te geven aan de verzoeking, en te zeggen: ik ben niet een van Zijne discipelen, als iemand, die zich schaamt voor hetgeen zijne eer was, en bevreesd was om er voor te lijden, hetgeen hem nog meer tot eer zou verstrekt hebben. Zie hoe "de siddering des mensen" -de mensenvrees-een strik legt. Toen Christus bewonderd en geliefkoosd werd, en met eerbied werd behandeld, toen heeft Petrus er behagen in gevonden, ja er zich wellicht op beroemd, een discipel van Christus te zijn en dus te delen in de eer, die aan zijn Meester bewezen werd. Zo zijn er ook velen, die veel van den Godsdienst houden, als hij in de mode is, maar er zich de versmaadheid van schamen, maar wij moeten hem door goed gerucht en kwaad gerucht blijven aankleven.
2. Hij herhaalde de zonde voor de derde maal, vers 26, 27. Hij werd nu aangevallen door een der dienaren, die een bloedverwant was van Malchus, die, toen hij Petrus hoorde ontkennen, dat hij een discipel van Christus was, hem met grote stelligheid logenstrafte: "heb ik u niet gezien in den hof met hem? Getuige het oor van mijn bloedverwant." Hierop loochende Petrus het weer, alsof hij niets van Christus wist, niets van den hof, niets van de gehele zaak.
a. Deze derde aanval der verzoeking was sterker dan de vorige. Tevoren had men zijne betrekking tot Christus slechts vermoed, hier wordt zij bewezen door iemand, die hem bij Jezus gezien heeft, en ook gezien heeft dat hij zijn zwaard trok om Hem te verdedigen. Zij, die zich door zonde uit een moeilijkheid willen redden, worden er slechts hoe langer hoe meer in verward. Heb den moed om kloekmoedig te zijn, want de waarheid komt toch uit. Het gevogelte des hemels zou de zaak wellicht te kennen geven, die wij met onze leugen zoeken te verbergen. Er wordt nota van genomen, dat deze dienaar van de maagschap was van Malchus, omdat de zaak hierdoor nog schrikkelijker werd voor Petrus. "Nu", denkt hij, "is het met m ij gedaan, ik ben verloren, er is geen ander getuige of vervolger nodig." Wij moeten niemand tot onzen vijand maken, indien wij dit kunnen voorkomen, want er kan een tijd komen, wanneer hij, of iemand uit zijne maagschap, ons in zijne macht heeft. Wie een vriend nodig heeft, moet niemand tot zijn vijand maken. Merk echter op, dat Petrus, hoewel er bewijzen genoeg tegen hem zijn, en er door zijne ontkenningen genoeg aanleiding is om hem te vervolgen, toch ontkomt, er geschiedt hem geen leed, er wordt zelfs geen poging aangewend om hem leed te doen. Wij vallen dikwijls in zonde door ons ongegrond vrezen, waartoe gene aanleiding bestaat, en dat door een weinigje wijsheid en kloekmoedigheid tot zwijgen zou worden gebracht.
b. Zijn toegeven er aan was niet minder slecht dan tevoren: Hij loochende het wederom. Zie hier: a. Den aard der zonde in het algemeen: het hart wordt verhard door de verleiding der zonde, Hebreeën 3:13. Het was wel een vreemde mate van onbeschaamdheid, waartoe Petrus plotseling was gekomen, dat hij met zoveel zekerheid in ene leugen kon volharden tegenover een zo afdoende weerlegging er van, maar het begin der zonde is ene opening geven aan het water, is de omheining eens verbroken, dan zullen de mensen gemakkelijk van kwaad tot erger vervallen. b. Van de zonde van liegen in het bijzonder, het is een vruchtbare zonde en daarom ook uiterst zondig, de ene leugen moet door een andere ondersteund worden, en deze dan wederom door een derde. Het is een regel in de staatkunde des duivels, om "zonde met zonde te bedekken, ten einde aan ontdekking te ontkomen."
c. De wenk, hem gegeven, om zijn geweten te doen ontwaken was tijdig en gelukkig. Terstond kraaide de haan, en dit alles wat hier gezegd wordt van zijn berouw, daar dit reeds door de andere evangelisten is meegedeeld. Dit hanengekraai bracht hem tot zich zelven, door hem de woorden van Christus voor den geest te brengen. Zie hier: a. De zorg, die Christus heeft voor de Zijnen, niettegenstaande hun dwaasheden, als zij vallen, zo worden zij niet weggeworpen, en niet verworpen of verstoten. b. Het voorrecht van mensen of zaken in onze nabijheid te hebben, die ons doen gedenken, en, hoewel zij niets meer kunnen zeggen dan wij reeds weten, toch in onze herinnering terugroepen wat wij wel weten, maar vergeten hebben. Voor anderen was het kraaien van den haan iets gewoons of iets toevalligs, zonder enigerlei betekenis, maar voor Petrus was het de stem Gods, en had de gezegende strekking om zijn geweten te doen ontwaken, door hem het woord van Christus voor den geest te brengen.