Deuteronomium 30:11-14
Mozes spoort hen hier aan tot gehoorzaamheid uit overweging van het eenvoudige en gemakkelijke van het gebod,
I. Dit is waar van de wet van Mozes. Zij konden hun ongehoorzaamheid nooit verontschuldigen door te zeggen, dat hetgeen God hun geboden had of onbegrijpelijk of onuitvoerbaar was, onmogelijk om geweten of gedaan te worden, vers 11. Het is voor u niet verborgen. Dat is:
1. Het is niet te hoog voor u, gij behoeft geen boden naar de hemel te zenden, vers 12, om te vragen wat gij doen moet om God te behagen, en gij behoeft evenmin over de zee te gaan, vers 13, zoals de filosofen gedaan hebben, die door vele en ver verwijderde landstreken gereisd hebben om geleerdheid te verkrijgen, neen, die moeite en onkosten worden met van u gevergd, ook is het gebod niet onder het bereik alleen van de rijken, of van hen die van een zeer groot en fijn verstand zijn, maar het is zeer nabij u, vers 14. Het is geschreven in uw boeken, duidelijk voorgesteld op tafelen, zodat die voorbijgaat het kan lezen, de lippen van uw priester bewaren deze kennis, en als er een moeilijkheid voorkomt, dan kunt gij de wet uit hun mond zoeken, Maleachi 2:7. Het is niet meegedeeld in een vreemde taal, maar het is in uw mond, dat is: in de volkstaal die gemeenlijk door u wordt gesproken, waarin gij het kunt horen en lezen, en er gemeenzaam over kunt spreken met uw kinderen. Het is niet ingewikkeld in duistere gezegden en beeldspraak om u in spanning te houden, of in hiëroglyfen, maar het is in uw hart, het is u overgeleverd op zo'n wijze, als die geschikt is voor uw vatbaarheid, ja voor de vatbaarheid van de geringste.
2. "Het is niet te moeilijk of te zwaar voor u", is de lezing van de zin in de Septuaginta, vers 11. "Gij behoeft niet te zeggen: Men zou evengoed kunnen opklimmen naar de hemel, of heen vliegen op de vleugels van de dageraad naar het uiterste van de zee als te beproeven om al de woorden van deze wet te doen", neen zo staat de zaak niet, het is niet zo'n ondraaglijk juk, als sommige slechtgezinde lieden het voorstellen. Het was voorzeker een zwaar juk in vergelijking met dat van Christus, Handelingen 15:10, maar niet in vergelijking met de afgodische diensten van de naburige volken. God beroept zich op henzelf, dat Hij hen niet heeft doen dienen met spijsoffer noch hen vermoeid heeft met wierook, Jesaja 43:23-Micha 6:3. Maar Hij spreekt inzonderheid van de zedelijke wet en haar geboden. Deze is zeer nabij u, overeenkomstig de wet van de natuur, die gevonden zou zijn in het hart en in de mond van ieder mens, indien hij er slechts acht op had geslagen. Er is datgene in, dat de wet toestemt dat zij goed is, Romeinen 7:16. "Gij hebt dus geen reden om te klagen over enigerlei onoverkomelijke moeilijkheid in de waarneming er van."
II. Dit is waar van het Evangelie van Christus, waarop de apostel het toepast, en dat hij tot de taal maakt van de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, Romeinen 10:6-8. En velen denken dat dit hier voornamelijk door Mozes bedoeld is, want hij heeft van Christus geschreven, Johannes 5:46. Dit is Gods gebod thans onder het Evangelie, dat wij geloven in de naam van Zijn Zoon Jezus Christus, 1 Johannes 3:23. Indien wij vragen, zoals de blinde: Heere, wie is Hij? Of waar is Hij? opdat wij in Hem mogen geloven, Johannes 9:36 dan geeft deze schriftuurplaats het antwoord. Wij behoeven niet op te klimmen naar de hemel, om Hem van daar te halen, want Hij is van daar neergekomen in Zijn vleeswording, noch neer te dalen in de afgrond, om Hem van daar te halen, want van daar is Hij opgekomen in Zijn opstanding. Maar het woord is nabij ons, en in dat woord Christus, zodat, indien wij met het hart geloven dat de beloften van de vleeswording en opstanding van de Messias vervuld zijn in onze Heere Jezus, en Hem dienvolgens aannemen en Hem belijden met onze mond dan hebben wij Christus met ons, en dan zullen wij zalig worden. Hij is nabij, zeer nabij, die ons rechtvaardigt. De wet was duidelijk, en gemakkelijk te volbrengen, maar het Evangelie is dit nog veel meer.