Deuteronomium 17:8-13
Er was bevolen dat gerechthoven opgericht zouden worden in iedere stad, Hoofdstuk 16:18, en zij waren gemachtigd om zaken te onderzoeken en te beslissen overeenkomstig de wet zowel die welke wij een criminele zaak noemen, als die welke geschillen betroffen tussen man en man, en wij kunnen veronderstellen dat zij gewoonlijk de zaken, die voor hen gebracht werden, konden beslechten, en dat hun uitspraak dan beslissend was. Maar:
1. Er wordt hier aangenomen, dat soms een zaak voor hun hof gebracht kon worden, die voor deze mindere rechters te moeilijk was om er in te beslissen, want zij konden niet geacht worden zo geleerd te zijn in de wetten, als zij die in hogere gerechtshoven zaten. Zij moeten niet overhaast, maar slechts na grondig en nauwkeurig onderzoek en na raad ingewonnen te hebben een oordeel uitspreken, vers 8. Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, waarvan het voor de rechters geen schande zou zijn te erkennen dat zij te moeilijk voor hen is, gesteld dat het is tussen bloed en bloed, het bloed van iemand, dat riep, en het bloed van hem, die van de moord beschuldigd was, en dat geëist werd, als het bewijs twijfelachtig is of het moedwillige moord of onwillekeurige doodslag was, of tussen rechtshandel en rechtshandel, de rechtshandel, die de aanklacht, en de rechtshandel, die de verdediging bevat, tussen plaag en plaag, in een rechtsgeding over een aanslag of een vechtpartij in deze en dergelijke gevallen kan, hoewel hei bewijs duidelijk is, toch twijfel ontstaan over de zin en de betekenis van de wet en haar toepassing op het onderhavige geval.
2. Deze moeilijke zaken, die tot nu toe, volgens de raad van Jethro, tot Mozes gebracht werden, moesten na zijn dood tot het opperste gezag worden gebracht, wie dan ook met dit gezag bekleed was, hetzij een richter, als er zo'n buitengewoon persoon verwekt, en bevoegd was om zo zwaarwichtig een ambt te vervullen, zoals Othniël, Debora, Gideon en anderen, of de hogepriester als hij door de uitnemendheid van zijn gaven door God geroepen was om de publieke zaken te leiden, zoals Eli, of, (indien geen bijzonder persoon door de hemel voor die eer was aangewezen) de priesters en Levieten, (of de priesters, die natuurlijk Levieten waren) die niet slechts het heiligdom bedienden, maar in raadsvergadering bijeen kwamen, om het appel van de mindere hoven te ontvangen, en die redelijkerwijs verondersteld konden worden, niet slechts door hun geleerdheid en ervaring het meest bekwaam en bevoegd te zijn, maar ook de beste bijstand van Gods Geest te hebben om twijfelachtige gevallen tot klaarheid te brengen, vers 9, 11, 12. Hun wordt niet geboden de urim en tummim te raadplegen, want men veronderstelt dat die alleen geraadpleegd werden voor zaken, rakende de openbare aangelegenheden, hetzij van het gehele volk of van de vorst, maar in gewone gevallen moest men bebouwen op de wijsheid en rechtschapenheid van hen, die aan de regering waren. In hun uitspraak omtrent de betekenis van de wet moest berust worden, en dienovereenkomstig moest het vonnis worden uitgesproken. En hoewel hun oordeel het gezag niet had van een Godsspraak, had het toch behalve de zedelijke zekerheid als zijnde het oordeel van verstandige en ervaren mannen, nog het voordeel van een Goddelijke belofte, opgesloten in deze woorden van vers 9, zij zullen u de zaak des rechts aanzeggen. Het had ook de steun van de Goddelijke inzetting, waardoor zij tot de opperste rechters des lands waren aangesteld.
3. Het eindoordeel, uitgesproken door de rechter, priester, of de grote raad, moet door de betrokken partijen aangenomen en gehoorzaamd worden, en dat wel op straffe des doods. Gij zult doen naar het bevel des woords, dat zij u zullen aanzeggen gij zult waarnemen te doen naar alles wat zij u leren vers 10, gij zult niet afwijken van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, ter rechter-of ter linkerhand, vers 11. Het is voor de eer van God en het welzijn van een volk, dat het gezag van de hogere machten gesteund wordt, en de behoorlijke orders van de regering opgevolgd worden, dat zij, die aangesteld zijn om te regeren, gehoorzaamd worden, alle ziel hun onderworpen zij in al de dingen, die tot hun rechtsgebied behoren. Al zou iemand zich ook verongelijkt achten door het vonnis (daar iedereen allicht partijdig is voor zichzelf) moet hij zich toch onderwerpen, zich gedragen naar de uitspraak, al is die hem ook nog zo onaangenaam, en overeenkomstig die uitspraak dragen, of verliezen, of betalen niet alleen terwille van de straf, maar ook om des gewetens wil. Maar indien een mindere rechter het vonnis weerspreekt van het hogere hof en er de orders niet van wil uitvoeren, of indien een particulier persoon weigert zich naar deszelfs uitspraak te gedragen, dan moet die weerspannigheid met de dood worden gestraft, al zou ook de zaak, om welke die oppositie gevoerd wordt, nog zo onbeduidend zijn. Die man zal sterven, dat al het volk het hore en vreze, vers 12, 13. Zie hier:
1. Het kwaad van de ongehoorzaamheid: rebellie, weerspannigheid uit een geest van tegenspraak en opstand tegen God, of tegen hen, die onder Hem met gezag bekleed zijn, met een beginsel van minachting en eigenwilligheid, is als toverij en afgoderij. Uit zwakheid of onervarenheid in gevoelen te verschillen, kan verontschuldigd worden, en daarmee moet geduld worden geoefend, maar trotselijk, in hoogmoed en goddeloosheid (zoals oude vertalingen dit verklaren) dat is de wapens op te vatten tegen de regering, en een belediging van Hem, door wie de gestelde machten verordineerd zijn.
2. Het doel van de straf: opdat anderen zullen horen en vrezen, en niet desgelijks zullen doen. Sommigen zullen zo verstandig zijn om het snode van de misdaad af te leiden uit het ontzettende van de straf, en haar daarom verfoeien, en anderen zullen inzover met hun eigen, veiligheid te rade gaan, dat zij hun eigen zin en wil weerstaan en zich onderwerpen aan het vonnis, liever dan tegen zichzelf te zondigen en hun leven te verbeuren door er tegen in te gaan. Uit deze wet leidt de apostel het ontzettende af van de straf, welke diegenen waardig geacht zullen worden, die het gezag van de Zoon van God vertreden, Hebreeën 10:28, 29.