2 Samuël 19:31-39
David had de triomfen van zijn wederherstelling reeds opgeluisterd door vergiffenis te schenken voor de beledigingen, die hem waren aangedaan, en nu zien wij hier hoe hij ze nog verder opluisterde door de niet minder edelmoedige beloning voor de vriendelijkheid, die hem was bewezen. Barzillai, de Gileadiet, die een schone bezitting had te Rogelim, niet ver van Mahanaïm, was de man, die onder al de adel en de voorname lieden van die landstreek het vriendelijkst geweest is voor David in zijn nood. Indien Absalom de overhand had gehad, dan zou Barzillai wel voor zijn vriendelijkheid jegens David geboet hebben, maar nu zullen hij en de zijnen er niets door verloren hebben. Hier is:
I. Barzillai's grote eerbied voor David niet slechts als Godvruchtig man, maar als zijn wettige soeverein. Hij had de koning en zijn gezin onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had, vers 32. God had hem een grote bezitting gegeven, want hij was een zeer groot man, en hij schijnt een ruim hart gehad te hebben om er goed mee te doen, waar anders is een grote bezitting ook goed voor? Een edelmoedige gezindheid dringt ons om, zoveel in ons vermogen is, steun en hulp te verlenen aan gevallen grootheid, zoals Godsvrucht ons dringt steun en hulp te bieden aan verdrukte vromen. Barzillai heeft, om te tonen dat hij David niet moede was, hoewel hij zozeer tot zijn last is geweest, hem vergezeld tot aan de Jordaan, en ging de rivier met hem over, vers 31. Laat onderdanen hieruit leren schatting te geven aan wie zij de schatting, en eer aan wie zij de eer schuldig zijn, Romeinen 13:7.
II. De vriendelijke uitnodiging, die David hem gaf om aan het hof te komen, vers 33. Trek gij met mij over. Hij nodigde hem:
1. Ten einde het genoegen te hebben van zijn gezelschap en het voorrecht van zijn raad, want wij kunnen onderstellen dat hij zeer wijs en Godvruchtig was, zowel als zeer rijk, want anders zou hij hier niet een zeer groot man genoemd zijn, want het is niet zozeer wat iemand heeft als wat hij is, dat hem waarlijk groot maakt.
2. Om de gelegenheid te hebben van hem zijn vriendelijkheid te vergelden. "Ik zal u bij mij onderhouden, gij zult het zo goed hebben als ik het zelf heb, en dat wel te Jeruzalem de koninklijke en heilige stad." David heeft Barzillai's vriendelijkheid niet opgenomen als iets dat vanzelf sprak, iets dat hij hem schuldig was, (hij behoorde niet tot die willekeurige vorsten, die denken recht te hebben op hetgeen hun onderdanen bezitten) hij nam haar aan en beloonde haar als een gunst. Wij moeten er ons altijd op toeleggen dankbaar te zijn jegens onze vrienden, inzonderheid jegens hen, die ons in onze nood hulp en steun hebben verleend.
III. Barzillai's antwoord op deze uitnodiging, waarin hij:
1. Zijn bewondering te kennen geeft voor des konings edelmoedigheid, waarmee hij hem dit aanbiedt, hij verkleint zijn dienst en verhoogt des konings beloning er voor. Waarom toch zou mij de koning zo'n vergelding doen? vers 36. Zal de meester de dienaar dankzeggen, die slechts doet wat zijn plicht is? Hij dacht zichzelf genoeg eer aangedaan te hebben door de koning dienst te bewijzen. Zo zullen de heiligen, als zij geroepen worden om het koninkrijk te beërven uit aanmerking van hetgeen zij voor Christus in deze wereld gedaan hebben, verbaasd zijn over de onevenredigheid tussen hun dienst en de beloning er voor, Mattheus 25:33. "Here! wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijzigd?"
2. Hij neemt de uitnodiging niet aan, vraagt de koning om vergeving, dat hij zo'n edelmoedig aanbod weigert: hij zou zich zeer gelukkig achten bij de koning te zijn, maar:
a. Hij is oud en ongeschikt om zich te verplaatsen, inzonderheid naar het hof, oud en ongeschikt voor de zaken van het hof. "Waarom zou ik met de koning optrekken naar Jeruzalem? Ik kan hem daar van geen dienst zijn in de raad, het leger, voor de schatkist of in de gerechtshoven, want hoeveel zullen de dagen van de jaren mijns levens zijn? vers 34. Zal ik er aan denken mij tot zaken te begeven nu ik weldra de wereld zal verlaten?" Oud en ongeschikt voor de vermakelijkheden van het hof die slecht besteed zullen zijn aan iemand, die er zo weinig van genieten kan, vers 35. Gelijk het in Mozes tijd was, zo was het in Barzillai's tijd, en het is thans niet anders, dat, zo de mensen zeer sterk zijn, zij tot tachtig jaren komen, en het uitnemendste van die is moeite en verdriet, Psalm 90:10. Dat waren toen, en zij zijn het nog, jaren, waarvan de mensen zeggen: ik heb geen lust in dezelve, Prediker 12:1. Lekkernijen zijn smakeloos als de eetlust ontbreekt, en voor de ouden van dagen zijn liederen weinig beter dan die welke gezongen worden bij een treurig hart, namelijk zeer onaangenaam, hoe kan het anders, als al de zangeressen nedergebogen zullen worden? Laat de ouden van dagen van Barzillai leren om van de genietingen van de zinnen te zijn afgestorven, laat genade de natuur hiervoor te hulp komen en van de nood een deugd maken. Ja meer, Barzillai oud zijnde, denkt dat hij voor de koning een last zal zijn, veeleer dan hem dienst te bewijzen, en een Godvruchtig men zal niet gaan waar hij tot last is, of zo hij dit moet, dan zal het in zijn eigen huis zijn, veeleer dan in dat van een ander.
b. Hij is stervende en moet beginnen te denken aan een lange lange reis, namelijk zijn heengaan naar een andere wereld, vers 37. Het is goed voor ons allen, maar het voegt inzonderheid oude lieden om veel te denken aan en te spreken van sterven. "Spreek mij niet van naar het hof te gaan!" zegt Barzillai, "laat mij naar huis gaan, en sterven in mijn eigen stad, de plaats van mijns vaders graf, laat mij sterven bij het graf mijns vaders en mijner moeder, opdat mijn beenderen rustig heengebracht worden naar de plaats hunner rust. Het graf is voor mij bereid, laat mij heengaan en mij er voor bereiden."
3. Hij wenst dat de koning vriendelijkheid zal bewijzen aan zijn zoon Chimham. Laat die met mijn heer de koning overtrekken en bevordering hebben aan het hof. De gunst, die hem bewezen wordt, zal Barzillai achten aan hemzelf bewezen te zijn. De ouden moeten aan de jonge lieden de genietingen niet misgunnen of ontzeggen, welke voor henzelf voorbij zijn, hen niet verplichten om er zich evenals zijzelf, van terug te trekken. Barzillai zal zelf naar zijn plaats teruggaan, maar hij wil Chimham niet met hem terug doen gaan hoewel hij hem node kon missen zal hij hem denkende dat het hem genoegen zal doen en goed voor hem zal zijn, toch gaarne heen laten gaan.
IV. Davids afscheid van Barzillai.
1. Hij zendt hem terug naar zijn land met een kus en een zegen, vers 39, te kennen gevende dat hij in dankbaarheid voor zijn vriendelijkheid, hem zal liefhebben en voor hem zal bidden, en met de belofte dat, wat hij hem ook te eniger tijd mocht vragen, hij bereid zal zijn om hem van dienst te wezen, alles wat gij, als gij tehuis zult zijn, zult bedenken om van mij te begeren, zal ik u doen, vers 38. Waar anders is de grote uitnemendheid van macht in gelegen, dan hierin, dat zij de mens instaat stelt om zoveel te meer goed te doen?
2. Hij laat Chimham met zich optrekken, en laat het aan Barzillai over om zijn bevordering voor hem te kiezen, ik zal hem doen wat goed is in uw ogen, vers 38. En het schijnt dat Barzillai, die de onschuld en de veiligheid had ervaren van afzondering, een woning voor hem verzocht heeft in de nabijheid van Jeruzalem niet in Jeruzalem, want lang daarna lezen wij van een plaats bij Bethlehem, Davids stad die genoemd wordt Chimhams woning, Jeremia 41:17, hem toegewezen waarschijnlijk niet uit de kroonlanden, of uit verbeurdverklaarde bezittingen, maar uit Davids eigen vaderlijk erfdeel.