Job 22:15-20
Elifaz had gepoogd Job tot overtuiging te brengen door hem (naar hij dacht) zijn zonden ordelijk voor ogen te stellen, en nu tracht hij hem op te wekken tot de bewustheid van zijn ellende en zijn gevaar vanwege de zonde, en dat doet hij door zijn toestand te vergelijken met die van de zondaren van de oude wereld, alsof hij gezegd had:, Uw toestand is thans slecht, maar hij zal, tenzij gij u bekeert, nog slechter worden, zoals de toestand geweest is van hen, over wie een vloed is uitgestort, zoals over de oude wereld, vers 16, en van hen, wier overblijfselen het vuur verteerd heeft," vers 20, namelijk van de Sodomieten, die, in vergelijking met de oude wereld, slechts een overblijfsel waren. En deze twee voorbeelden van de toorn Gods tegen zonde en zondaren zijn meer dan eens samengevoegd tot waarschuwing van een zorgeloze wereld, zoals door onze Heiland Lukas 17:26 en verv. en door de apostel 2 Petrus 2:5, 6. Elifaz wilde dat Job het pad van de eeuw zou aannemen, dat ongerechtige lieden betreden hebben. De Godsdienst was nog pas binnengetreden en onmiddellijk werd hij gevolgd door de zonde, maar hoewel dit pad van de eeuw een oude weg is, een brede weg, een begane weg, is het toch een gevaarlijke weg, en hij leidt ten verderve, en het is goed voor ons hem waar te nemen, opdat wij hem niet zullen durven betreden.
Elifaz herinnert hier Job er aan, misschien in tegenstelling met hetgeen hij gezegd had van de voorspoed van de goddelozen, alsof hij zei: "Gij kunt hier en daar wel een enkel voorbeeld vinden van een goddeloze, die zijn dagen eindigt in vrede, maar wat betekent dit bij de twee grote voorbeelden van het eindelijke verderf over goddeloze mensen-het verderf van geheel de wereld door de watervloed en het verbranden van Sodom?" Verderf op grote schaal, waarin Job-denkt hij- zijn eigen gelaat als in een spiegel aanschouwen kan.
Merk op:
1. Het verderf van deze zondaren, vers 16. Die uitgeroeid zijn als het de tijd niet was, dat is: zij werden in het midden hunner dagen afgesneden toen, naar de leeftijd van de mens in die tijd was, velen van hen in de loop van de natuur nog enige honderden jaren langer hadden kunnen leven, waardoor hun ontijdige verdelging zoveel treffender en smartelijker was. Zij werden vóór de tijd afgesneden, om voortgejaagd te worden naar de eeuwigheid. En hun grond waarop zij gebouwd hadden, al hun hoop op hadden gevestigd, daar is "een vloed over uitgestort, de zondvloed, die over de wereld van de goddelozen is gebracht," 2 Petrus 2:5. Zij, die op het zand bouwen, kiezen een fondament, dat overstroomd zal worden "als de slagregen nedervalt en de waterstromen komen," Mattheus 7:27, en dan moet hun gebouw noodzakelijkerwijs vallen, en onder het puin ervan zullen zij omkomen, en van hun dwarsheid berouw hebben als het te laat is.
2. De zonde van deze zondaren die dit verderf over hen gebracht heeft, vers 17. Zij zeiden tot God: Wijk van ons. Job had gesproken van sommigen, die dit zeiden en toch voorspoedig waren, Hoofdst. 21:14. Maar deze waren niet voorspoedig, zegt Elifaz, zij hebben tot hun schade ondervonden wat het is God te trotseren. Zij, die besloten waren aan hun lusten en begeerlijkheden de vrije teugel te vieren, zijn hiermede begonnen, zij zeiden tot God: Wijk van ons, alle Godsdienst gaven zij op, haatten het om er aan te denken, en begeerden zonder God in de wereld te leven, zij vermeden Zijn woord, en hun geweten, Zijn plaatsvervanger of afgevaardigde brengen zij tot zwijgen. En wat kan de Almachtige voor hen doen? vers 17. Sommigen vatten dit op als een aanduiding van het juiste en rechtmatige hunner straf. Zij zeiden tot God: Wijk van ons, wat kon de Almachtige dan nu met hen doen? Wat anders dan hen uitroeien? Zij die zich niet willen onderwerpen aan de gouden scepter van God, moeten verwachten verpletterd te worden door Zijn ijzeren scepter. Anderen zien er de aanduiding in van het onrecht hunner zonde, en wat had de Almachtige hun gedaan? Wat voor onrecht hebben zij aan Hem gevonden? Waarmee heeft Hij hen vermoeid? Micha 6:3, Jeremia 2:5. Anderen zien er de aanduiding in van de reden van hun zonde, zij zeggen tot God: Wijk van ons, vragende, wat de Almachtige hen doen kan? "Wat heeft Hij gedaan om ons te verplichten? Wat kan Hij doen in een weg van toorn om ons ongelukkig te maken, of in een weg van gunst, om ons gelukkig te maken?" Zoals zij geredeneerd hebben, die zeiden: "de Heere doet geen goed, en Hij doet geen kwaad," Zefanja 1:12. Elifaz toont de ongerijmdheid hiervan aan in een woord en dat is: door God de Almachtige te noemen, want indien Hij dat is, wat kan Hij dan niet doen? Maar het is niet vreemd, dat diegenen breken met alle Godsdienst, die noch bevreesd zijn voor Gods toorn, noch verlangend zijn naar Zijn gunst.
3. De verzwaring van deze zonde. Hij had immers hun huizen met goed vervuld, vers 18. Zowel die van de oude wereld als die van Sodom hadden overvloed van zingenot, want zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, enz, Lukas 17:27, zodat zij geen reden hadden om te vragen wat de Almachtige voor hen doen kon? want zij leefden van Zijn milddadigheid, geen reden om Hem te zeggen van hen te wijken, die zo goed en vriendelijk voor hen is geweest. Velen hebben hun huizen vol van goed, maar hun hart is ledig van genade en daarmee zijn zij getekend voor het verderf.
4. Het protest van Elifaz tegen de beginselen en praktijken van deze goddelozen, daarom is de raad van de goddelozen verre van mij. Job had dit gezegd, Hoofdst. 21:16, en Elifaz wil niet bij hem achterblijven. Kunnen zij al niet overeenkomen in hun eigen beginselen betreffende God, zij stemmen toch wèl met elkaar in in het verwerpen van de beginselen van hen, die zonder God in de wereld leven. Zij, die van elkaar verschillen nopens sommige Godsdienstige zaken, en er twistgesprekken over voeren met elkaar, behoren toch eenstemmig en krachtig op te treden tegen godloochening en ongodsdienstigheid, en er zeer voor te zorgen dat hun twisten noch hun kracht noch hun eenstemmigheid verhinderen in de gemene zaak van God, die een rechtvaardige zaak is.
5. Het genot en de voldoening, die de rechtvaardigen hierin smaken zullen.
a. De rechtvaardigen zagen het en waren blijde. Zij zullen het zien, dat is het opmerken, er nota van nemen, Hosea 14:10, en blijde zijn, niet om hun medeschepselen rampzalig te zien of om het een of ander wereldlijk belang van henzelf bevorderd te zien of om hun doel te hebben bereikt, maar om God verheerlijkt te zien, het woord Gods te zien vervuld, de macht van de verdrukkers verbroken te zien, en daardoor de verdrukten te zien verlicht, de zonde beschaamd te zien, atheïsten en ongelovigen te schande gemaakt, en alle anderen gewaarschuwd te zien om zulke boze wegen te mijden. Ja meer, zij zullen hen bespotten, dat is: zij zouden dit rechtvaardiglijk kunnen, zij zullen het doen, zoals God het doet, op een heilige wijze Psalm 2:4, Spreuken 1:26. Zij zullen er aanleiding uit nemen om de dwaasheid van de zondaren tentoon te stellen en aantonen hoe bespottelijk hun beginselen zijn, hoewel zij zichzelf vernuftig noemen. "Zie de man, die God niet stelde tot zijn sterkte," en zie wat er van komt, Psalm 52:9. Sommigen verstaan dit van de rechtvaardige Noach en zijn gezin, die de verwoesting aanschouwde van de oude wereld en er zich in verblijdde zoals hij zich bedroefd had om hun goddeloosheid. Lot, die de verwoesting van Sodom had aanschouwd had dezelfde reden om zich te verblijden, 2 Petrus 2:7, 8. b. In zichzelf onderscheiden te zien, vers 20. "Dewijl ons vermogen niet verdelgd is zoals het hun verdelgd was en zoals het uwe verdelgd is, wij blijven voorspoedig, hetgeen een teken is dat wij de gunstgenoten des hemels zijn en het recht aan onze zijde hebben." Dezelfde regel, naar welke hij Job veroordeelde, diende hem om zichzelf en zijn metgezellen te verheerlijken. Zijn vermogen is verdelgd, dus is hij een goddeloos man, het onze is niet verdelgd, dus zijn wij rechtvaardig. Maar het is een bedrieglijke regel om naar te oordelen want ook liefde ook haat weet de mens niet uit al hetgeen, dat voor zijn aangezicht is. Indien anderen verteerd zijn, en wij zijn het niet, dan moeten wij, inplaats van hen te blameren en onszelf te verheffen, zoals Elifaz hier doet dankbaar zijn aan God, en het als een waarschuwing aan onszelf beschouwen, om ons voor dezelfde rampen te bereiden.