Numeri 35:9-34
Wij hebben hier de orders, gegeven betreffende de vrijsteden, welke orders zeer gepast volgen op hetgeen voorafgaat, omdat die vrijsteden allen Levieten-steden waren. In dit deel van de inrichting is een goede wet, en er is ook veel zuiver Evangelie in.
I. Een goede wet nopens moord en manslag, en dat is een zaak waarvan de wetten van alle natiën zorgvuldig kennis hebben genomen. Hetgeen hier vastgesteld wordt, komt overeen met de natuurlijke billijkheid.
1. Dat moedwillige moordenaars met de dood gestraft moeten worden. In zo'n geval mag geen toevlucht in een vrijstad worden toegestaan, geen losgeld worden aangenomen, geen verwisseling van straf worden toegestaan, de doodslager zal zeker gedood worden, vers 16. Er wordt verondersteld dat die doodslag door haat geschied is,. vers 20, of door vijandschap, vers 21, door plotselinge terging, (want onze Heiland verklaart onrechtmatige toorn evengoed moord te zijn, als een moord met kwaad opzet gepleegd, Mattheus 5:21, 22,) hetzij de persoon vermoord is met een instrument van ijzer, vers 16, of van hout, vers 18, of met een steen, die op hem geworpen is, vers 17, 20, ja, indien hij hem in vijandschap slaat met de hand, zodat er de dood op volgt, dan is het moord, vers 21, en het was een aloude wet, in overeenstemming met de wet van de natuur dat wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden, Genesis 9:6. Waar onrecht geschied is, moet vergoeding gedaan worden, en daar de moordenaar het leven niet kan wedergeven, dat hij ten onrechte weggenomen heeft, moet het zijne in de plaats er van geëist worden, niet (zoals sommigen zich ingebeeld hebben) om de schim van de verslagene te verzoenen, maar om aan de wet en de gerechtigheid van een volk voldoening te geven, en om voor alle anderen een waarschuwing te zijn om niet evenzo te doen. Hier wordt gezegd en dit is wel de aandacht waard van alle vorsten en staten dat bloed ontheiligt niet alleen het geweten van de moordenaar, die daarmee bewijst, dat hij het eeuwige leven niet in zich heeft blijvende, 1 Johannes 3:15, maar ook het land waarin het bloed gestort wordt, zo aanstotelijk is het voor God en alle goede mensen. En er wordt bijgevoegd, dat het land niet gereinigd kan worden van het bloed, dat er in vergoten is, dan door het bloed desgenen, die het vergoten heeft, vers 33. Als moordenaars aan de straf ontkomen van mensen, dan zullen zij, die hen hebben laten ontkomen, zeer veel te verantwoorden hebben, en God zal hen toch niet aan Zijn rechtvaardig oordeel laten ontkomen. Naar hetzelfde beginsel wordt ook bepaald, dat geen verzoening moet genomen worden voor de ziel, dat is: het leven des doodslagers, vers 31. Al gaf iemand al het goed van zijn huis aan de rechters, aan het land, of aan de bloedwreker ter verzoening van zijn misdaad, men zou hem ten enenmale verachten. De verlossing van het leven is zo kostelijk, dat zij door geen aardse schatten verkregen kan worden. Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen, en op de veelheid huns rijkdoms roemen, niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen, Psalm 49:7, 8 hetgeen misschien een toespeling is op deze wet. Er komt hier een rechtsregel voor (die ook een rechtsregel is in Engeland, doch alleen in geval van verraad) dat niemand ter dood gebracht zal worden op het getuigenis van één enkele getuige, maar dat hiervoor twee getuigen nodig zijn, vers 30. Deze wet is vastgesteld voor alle gevallen, waarop de doodstraf staat, Deuteronomium 17:6, 19. 15,. Eindelijk. Niet alleen de vervolging, maar ook de terdoodbrenging van de moordenaar, wordt overgelaten aan de naaste bloedverwant van de vermoorde. Gelijk deze de losser moest zijn van het land van zijn bloedverwant, indien dit verpand was, zo moest hij ook zijn bloedwreker zijn, indien hij vermoord werd, vers 19, indien hij overtuigd was door de bekendheid van het feit, en het niet nodig had om de zaak voor een gerechtshof te brengen. Maar indien het onzeker was, wie de doodslager is geweest, en de bewijzen twijfelachtig zijn, dan kunnen wij niet denken dat zijn bloot vermoeden hem zou machtigen om datgene te doen, wat zelfs de rechters niet anders dan op het getuigenis van twee getuigen doen konden. Alleen als het feit duidelijk, onomstotelijk bewezen is, dan mocht de naaste erfgenaam van de verslagene in rechtvaardige verontwaardiging de moordenaar doden, overal waar hij hem ontmoette. Sommigen denken dat dit verstaan moet worden na het wettig vonnis van de rechter, en zo zegt de Chaldeër: "Hij zal hem doden nadat hij door het gerecht zal veroordeeld zijn", maar volgens vers 24 schijnen de rechters alleen in twijfelachtige gevallen opgetreden te zijn, en dat zo de persoon op wie hij wraak oefende inderdaad de moordenaar was, en wel een moedwillige moordenaar de bloedwreker onschuldig was, vers 27. Slechts als de zaak anders bleek te zijn, dan was dit op zijn gevaar. Onze wet staat toe, dat door de weduwe of de naaste erfgenaam van de verslagene appèl aangetekend wordt tegen de moordenaar, zelfs als de moordenaar in eerste instantie werd vrijgesproken, en indien dan bij de behandeling van dat appèl blijkt dat de aangeklaagde schuldig is, dan zal het vonnis van executie verleend worden ten verzoeke van de appèllant, die eigenlijk de bloedwreker genoemd kan worden.
2. Maar als de doodslag niet moedwillig of met voorbedachten rade geschiedde, als er geen vijandschap of opzet was, vers 22, als de verslagene geen kwaad gezocht was, vers 23, hetgeen onze wet toevallige manslag of homicide, per infortunium manslag bij ongeluk noemt dan kon de doodslager naar een vrijstad vluchten. Naar de Engelse wet brengt dit voor hem, die de manslag gepleegd heeft, verbeurdverklaring van goederen mede, maar hij behoudt het leven.
Betreffende de vrijsteden luidde de wet:
A. Dat hij, die een ander gedood had, in deze vrijsteden veilig was en onder de bescherming van de wet, totdat zijn zaak onderzocht was door de vergadering, dat is: door de rechters in een openbare rechtszitting. Als hij verzuimde zich daaraan te onderwerpen, dan was dit op zijn gevaar, als de bloedwreker hem elders vond of hem achterhaalde terwijl hij talmde op weg naar de vrijstad en hem versloeg, dan was zijn bloed op zijn eigen hoofd, wijl hij geen gebruik heeft gemaakt van het middel tot veiligheid, dat God voor hem voorzien heeft.
B. Indien het, na onderzoek, blijkt moedwillige doodslag geweest te zijn, dan kon de vrijstad hem niet langer bescherming verlenen. Dat was reeds bepaald in Exodus 21:14. Gij zult hem van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.
C. Maar indien het, na onderzoek, bevonden werd door vergissing of bij ongeluk te zijn geschied, dat de slag werd toegebracht zonder bedoeling om het leven van de verslagene te benemen, dan kon de doodslager veilig in de vrijstad blijven, en de bloedwreker mocht zich niet met hem bemoeien, vers 25. Daar moest hij dan in ballingschap blijven van zijn eigen huis tot aan de dood van de hogepriester, en zo hij te eniger tijd uit die stad of haar voorstad ging, dan stelde hij zich buiten de bescherming van de wet, en zo de broedwreker hem vond, mocht hij hem doden, vers 26-28. Door nu het leven van de doodslager te bewaren wilde God:
a. Ons leren dat de mensen niet moeten lijden om hetgeen hun ongeluk is veeleer dan hun misdaad, de daad van Gods voorzienigheid veeleer dan hun eigen daad want God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, Exodus 21:13. b. Door de verbanning van de doodslager uit zijn eigen stad en zijn opsluiting in de vrijstad, waar hij in zeker opzicht een gevangene was, wilde God ons leren een afschuw te hebben van bloedschuld, zeer voorzichtig te zijn met het leven, en altijd bevreesd te wezen om door vergissing of verzuim iemands dood teweeg te brengen.
c. Door de beperking van de tijd van de ballingschap van de overtreder tot aan de dood van de hogepriester werd eer gelegd op dit heilig ambt. De hogepriester moest als zo groot een zegen geacht worden voor zijn land dat, als hij stierf de droefheid over zijn dood alle andere gevoelens als het ware moest verzwelgen. Daar al de vrijsteden Levietensteden waren, en de hogepriester het hoofd was van die stam, en bijgevolg een bijzondere heerschappij had over die steden, konden zij, die daarin opgesloten waren, eigenlijk als zijn gevangenen worden beschouwd, en zo was dan zijn dood hun vrijlating. Het was, als het ware, op zijn verzoek dat de overtreder opgesloten werd, weshalve dit met zijn dood verviel, Actio moritur cum persona Ainsworth heeft hier een andere opvatting van. Gelijk de hogepriesters, zegt hij, zolang zij leefden door hun dienst en het brengen van offeranden, verzoening deden voor de zonde, waarin zij Christus' genoegdoening voorstelden, zo werden bij hun dood diegenen vrijgelaten, die in ballingschap waren wegens toevallige doodslag, hetgeen een type was van de verlossing in Israël.
d. Door de gevangene aan de bloedwreker over te laten in geval hij buiten de grenzen van de vrijstad ging, werd hen geleerd vast te houden aan de methoden, die de oneindige wijsheid hun voorschreef voor hun veiligheid. Het was voor de eer van deze wet, dat zij zo strikt nagekomen moest worden. Hoe kunnen wij verwachten verlost te worden, als wij de verlossing veronachtzamen, hoe kunnen wij verwachten zalig te worden, als wij op zo grote zaligheid geen acht slaan?
II. Er is zeer veel kostelijk Evangelie verborgen onder het type van de vrijsteden, en daarnaar schijnt de apostel te verwijzen als hij spreekt van de toevlucht te nemen om de voorgestelde hoop vast te houden, Hebreeën 6:18, en in Christus gevonden te worden, Filippenzen 3:9. In de geschiedenis van het Oude Testament lezen wij nooit van iemand, die van deze vrijsteden gebruik heeft gemaakt, evenmin als van andere dergelijke inzettingen, waarvan ongetwijfeld toch wel bij de daartoe bestemde gelegenheden gebruik zal gemaakt zijn, wij lezen slechts van de zodanigen, die in gevaarlijke ogenblikken de hoornen van het altaar hebben gevat, 1 Koningen 1:50, 2:28, K. want het altaar waar dit ook stond was als het ware de hoofdvrijstad. Maar de wet betreffende deze steden. was bedoeld om de hoop op te wekken van hen, die de verlossing in Israël verwachtten, en dat zal voor hen, die overtuigd zijn van zonde en dieswege in angst en verschrikking zijn, wezen wat de vrijsteden voor de doodslager geweest zijn.
Merk op:
1. Dat er verscheidene vrijsteden waren, en zó gelegen in de verschillende delen des lands dat de doodslager, waar hij ook in het land Israëls woonde, de ene of de andere in een halven dag kon bereiken, evenzo, hoewel er slechts één Christus gesteld is om onze toevlucht te zijn, is Hij toch, waar wij ons ook bevinden, een nabijzijnde toevlucht, een hulp in benauwdheden, want het woord is nabij ons, en Christus in het Woord.
2. In elk dier steden was de doodslager veilig, en zo zijn gelovigen, die de toevlucht nemen tot Hem, en in Hem rusten, beschermd en beveiligd tegen de toorn Gods en de vloek van de wet. Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, Romeinen 8:1. Wie zal hen, die aldus beschut zijn, veroordelen?
3. Het waren allen Levietensteden. Het was een vriendelijkheid voor de armen gevangene, dat hij wel niet mocht opgaan naar de plaats waar de ark was, maar zich toch temidden van Levieten bevond, die hem de goede kennis des Heeren zullen leren, en hem zullen tonen hoe het best gebruik te maken van de toestand, waarin hij door de leiding van Gods voorzienigheid was gekomen. Het kon ook verwacht worden, dat de Levieten hem zullen vertroosten en bemoedigen, hem welkom zullen heten, en zo is het ook het werk van de dienaren van het Evangelie om arme zondaren welkom te heten bij Christus, en hen, die door genade in Hem zijn, te helpen en van raad te dienen.
4. Zelfs vreemdelingen en bijwoners, al waren zij geen geboren Israëlieten, konden van het voorrecht van deze vrijsteden gebruik maken, vers 15. Zo wordt in Christus Jezus geen verschil gemaakt tussen Griek en Jood, zelfs de vreemdelingen, die door het geloof de toevlucht nemen tot Christus, zullen in Hem veilig en behouden zijn.
5. Zelfs de voorsteden van de stad boden de overtreder genoegzame bescherming, vers 26-27. En zo is er kracht zelfs in de zoom van Christus' kleed tot genezing en behoudenis van arme zondaren. Indien wij niet tot volle verzekerdheid kunnen geraken, dan kunnen wij ons toch vertroosten in een goede hope door genade.
6. De bescherming, die de doodslager in de vrijstad vond, was niet gelegen in de sterkte van haar muren, of poorten, of grendels, maar zuiver en alleen in de Goddelijke bepaling, zo is het het woord van het Evangelie, dat aan de zielen behoudenis geeft in Christus, want Hem heeft God de Vader verzegeld.
7. Indien de overtreder ooit er op betrapt werd, dat hij buiten het gebied van zijn vrijstad omzwierf, of zich heimelijk naar zijn eigen huis begaf, dan verloor hij het voordeel van zijn bescherming, en stond bloot aan het zwaard van de bloedwreker. En zo moeten zij, die in Christus zijn, in Christus blijven, want het is op hun gevaar als zij Hem verlaten, en van Hem afdwalen. Zich onttrekken is ten verderve gaan.