Job 18:5-10
Het overige van Bildads rede wordt geheel ingenomen door een sierlijke beschrijving van de ellendige toestand van een goddeloze waarin zeer veel stellige waarheid is en dat van uitnemend nut zal zijn indien goed bedacht wordt, dat een zondige toestand een treurige toestand is, en dat ongerechtigheid de mens die er zich niet van bekeert, in het verderf zal storten. Maar,
1. Het is niet waar, dat alle goddelozen aldus zichtbaar en openlijk ellendig gemaakt worden in deze wereld, of:
2. Dat allen, die in grote benauwdheid en moeite gebracht zijn in deze wereld, daarom beschouwd en veroordeeld moeten worden als goddelozen, al kan er ook geen ander bewijs voor bijgebracht worden tegen hen, en daarom was de toepassing op Job, die Bildad zo gemakkelijk te maken dacht, noch zeker, noch juist. In deze verzen hebben wij:
A. Het verderf van de goddelozen voorzien en voorzegd onder het beeld van duisternis, vers 5, 6. Ja het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden. Zelfs zijn licht, het beste en glansrijkste van hem, zal uitgeblust worden, zelfs datgene, waarin hij zich verblijdde, zei hem falen. Of wel, dit kan verwijzen naar Jobs klachten over de grote ellende, waarin hij zich bevond, en de duisternis, waarin hij weldra zijn bed zal spreiden. "Ja," zegt Bildad "zo is het, gij zijt omfloerst, in verlegenheid en ellende en er kon niets beters verwacht worden, want het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en daarom ook het uwe."
Merk hier op:
a. De goddelozen kunnen voor een wijle licht hebben, enig inwendig genot, enige vreugde en hoop, zowel als rijkdom, eer en macht naar buiten. Maar hun licht is slechts een vonkje, vers 5, iets gerings, dat spoedig uit te blussen is. Het is slechts een kaars, vers 6, verterende en afbrandende, licht uit te blazen. Het is niet het licht des Heeren, -dat is zonlicht-maar de vlam van zijn eigen vuur en de spranken, die hij zelf ontstoken heeft, Jesaja 50:11.
b. Zijn licht zal ten laatste zeer zeker uitgeblust worden, geheel en al worden uitgeblust, zodat er niet het geringste vonkje van overblijft om er een ander vuur mee aan te steken. Zelfs terwijl hij in zijn tent, zijn tabernakel is, terwijl hij in het lichaam is, dat de tabernakel is van de ziel, 2 Corinthiers 5:1, zal het licht donker zijn, hij zal geen degelijke vertroosting genieten, geen blijdschap, die hem voldoening schenkt, geen hoop, die hem ondersteunt, zelfs het licht, dat in hem is is duisternis, hoe groot is dan niet die duisternis? Maar als hij uit zijn tabernakel wordt weggenomen door de dood, dan wordt zijn lamp over hem uitgeblust. Het einde van zijn leven zal het finale einde zijn van al zijn dagen en zal al zijn hoop in eindeloze wanhoop verkeren. Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting, Spreuken 11:7. In smart zal hij liggen.
B. De toebereidselen voor dat verderf voorgesteld onder de gelijkenis van een dier of een vogel, die in een strik is gevangen, of van een boosdoener, die gevangen is genomen om gestraft te worden, vers 7-10. a. Satan maakt toebereidselen voor zijn verderf. Hij is de struikrover, die hem overweldigt, vers 9, want gelijk hij een moordenaar was van den beginne, zo was hij ook een rover van den beginne. Als de verleider legt hij voor zondaren strikken in de weg, overal waar zij gaan, en hij zal hen overweldigen. Als hij hen zondig maakt gelijk hij zelf is, dan maakt hij hen ook ongelukkig gelijk hij zelf is. Hij jaagt de kostelijke ziel.
b. Hij zelf maakt toebereidselen voor zijn verderf door voort te gaan in de zonde en zich aldus toorn te vergaderen als een schat in de dag des toorns. God geeft hem, zoals hij verdient en begeert, over aan zijn eigen raadslagen en dan zal zijn raad hem nederwerpen, vers 7. Zijn zondige plannen en handelingen brengen onheil over hem. Door zijn eigen veten wordt hij in het net geworpen, vers 8, hij loopt zijn verderf tegemoet, "hij is verstrikt in het werk van zijn handen," Psalm 9:17, "Zijn tong zal hem doen aanstoten," Psalm 64:9. "In de overtreding eens bozen mans is een strik.
c. God maakt toebereidselen voor zijn verderf. Door zijn zonde bereidt de zondaar de brandstof en dan bereidt God door zijn toorn het vuur. Ziehier:
Ten eerste: Hoe de zondaar verdwaasd is om in de strik te lopen, die God wil verderven, verdwaast Hij.
Ten tweede. Hoe hij belemmerd is: De steden van zijn macht, zijn grote plannen, zijn machtig streven, zullen benauwd worden zodat hij zijn voornemen niet zal volvoeren, en hoe meer hij poogt zich uit de strik los te maken, hoe meer hij er in verward zal worden. Boze mensen worden al erger en erger.
Ten derde. Hoe het hem belet wordt om de oordelen Gods, die hem vervolgen, vooruit te lopen. De strik zal hem bij de verzenen vatten. Hij kan de toorn Gods, die hem vervolgt, niet meer ontkomen dan een man, die in een valstrik is gevangen, zijn vervolger kan ontvlieden. "God weet de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag des oordeels," 2 Petrus 2:9.