Job 12:1-5
De bestraffingen, die Job zijn vrienden hier, hetzij terecht of ten onrechte, toedient, zijn zeer scherp, en kunnen tot bestraffing dienen van allen, die hoogmoedig en minachtend zijn, en om hun dwaasheid in het licht te stellen.
I. Hij verwijt hun hun verwaandheid, hun ingenomenheid met zichzelf, en de hoge dunk, die zij koesteren van hun eigen wijsheid in vergelijking met hem, terwijl toch niets meer dwaas en onbetamelijk is, of meer verdient bespot te worden.
1. Hij stelt hen voor als voor zich het monopolie opeisende van wijsheid, vers 2. Hij spreekt ironisch. "Zeker, gijlieden zijt het volk! Gij acht u bevoegd en geschikt om aan geheel het mensdom de wet voor te schrijven, uw oordeel moet de maatstaf zijn voor ieders gevoelen en mening, alsof gij alleen, en niemand anders, tussen waarheid en leugen, goed en kwaad, kunt onderscheiden, weshalve iedereen zich voor u heeft te buigen, en wij allen, terecht of ten onrechte, moeten spreken zoals gij spreekt, gij met uw drieën zijt het volk, de meerderheid, aan u is de beslissende stem." Het is, van wie het ook zij, dwaas en zondig om zich wijzer te achten dan geheel het mensdom, of op zo stellige wijs, zo apodictisch te spreken, alsof men dit dacht. Ja, hij gaat nog verder. "Gij denkt niet slechts dat er niemand is, maar dat er ook niemand zijn zal, die zo wijs is als gij, en daarom moet de wijsheid met u sterven, en de gehele wereld moet dwaas zijn als gij zijt heengegaan, in het donker zitten als uw zon ondergegaan is." Het is dwaasheid voor ons om te denken dat door ons heengaan een groot, onherstelbaar verlies zal geleden worden, of dat wij node gemist kunnen worden, daar God toch des geestes overig heeft en anderen kan verwekken, meer geschikt dan wij om Zijn werk te doen. Als wijze en Godvruchtige mensen sterven, is het troostrijk te denken dat wijsheid en Godsvrucht niet met hen sterven. Sommigen zijn van mening dat Job er hier aanmerking op maakt, dat Zofar hem (naar hij dacht) en anderen had vergeleken bij het veulen eens woudezels, Hoofdst. 11:12. "Ja", zegt hij. "wij zijn ezels, gij alleen zijt mannen."
2. Hij laat zichzelf het recht wedervaren om aanspraak te kunnen maken op enige gaven van wijsheid, vers 3. "Ik heb ook verstand, een hart zowel als gijlieden, ik zwicht niet voor u, ik ben uw mindere niet. Ik ben even geschikt als gij om te oordelen over de methoden en bedoelingen van de Goddelijke voorzienigheid, en er de moeilijke hoofdstukken van te verklaren." Hij zegt dit niet in zelfverheerlijking, het was geen grote lof, die hij zich toezwaaide door te zeggen: ik heb verstand, zowel als gij, neen, en ook niet door te zeggen "ik begrijp deze zaak zo goed als gij." Immers welke reden had hij, of hadden zij, om er trots op te wezen datgene te verstaan, dat geheel blijkbaar was, voor de hand lag, onder het bereik was van ieder, die op een greintje gezond verstand aanspraak kon maken: "Ja wie weet zulke dingen niet? Wat er waar was in hetgeen gij gezegd hebt, weet iedereen, het zijn algemeen bekende waarheden, waarover velen even voortreffelijk kunnen spreken als gij of ik." Maar hij zegt het om hen te verootmoedigen en hen te beteugelen in de hoge dunk, die zij van hun eigen wijsheid koesterden. Het kan ons terecht weerhouden van trots te zijn op onze kennis, als wij bedenken hoevelen er zijn, die evenveel en misschien meer weten dan wij en er een beter gebruik van maken. Als wij in verzoeking zijn om hard te wezen in ons afkeuren en bestraffen van hen, met wie wij in gevoelen verschillen en met wie wij redetwisten, dan moeten wij bedenken dat ook zij hun verstand hebben zowel als wij, evengoed als wij tot oordelen instaat zijn, ja misschien niet onze minderen maar onze meerderen zijn in kennis en doorzicht, dat het mogelijk is dat zij gelijk en wij ongelijk hebben, en dat wij hen bijgevolg noch moeten veroordelen noch mogen verachten, Romeinen 14:3, niet moeten doen alsof wij meesters waren, Jakobus 3:1, daar wij toch allen broeders zijn, Mattheus 23:8. Het is billijk om te erkennen dat zij met wie wij omgaan of met wie wij een strijd hebben, redelijke schepselen zijn, zo goed als wij.
II. Hij klaagt over de grote minachting, waarmee zij hem behandeld hebben. Zij, die hooghartig zijn en een al te gunstige mening van zichzelf koesteren, zijn gewoonlijk trots en minachtend tegenover anderen, geheel bereid om allen te vertreden, die rondom hen zijn. Job bevond dit of hij dacht dit tenminste vers 4. Ik ben het, die zijn vriend een spot is. Ik kan niet zeggen dat deze beschuldiging gegrond was, wij willen niet denken dat het de bedoeling was van Jobs vrienden hem te mishandelen of te bespotten, of dat zij iets anders op het oog hadden dan hem te overtuigen, en hem aldus naar de rechte methode te vertroosten, maar hij roept: ik ben als iemand, die bespot is. Wij zijn licht geneigd bestraffing aan te zien voor smaad of spot, te denken dat men ons bespot als wij slechts vermaand en geraden worden, deze gemelijkheid is onze dwaasheid, en een groot onrecht aan onszelf en aan onze vrienden. Maar wel moeten wij erkennen, dat er een schijn van reden was voor die beschuldiging, zij kwamen om hem te vertroosten, maar zij kwelden hem, gaven hem raad en aanmoediging, maar zonder een sterke mening te koesteren dat zij iets bij hem zouden uitwerken, en daarom dacht hij dat zij met hem spotten, en dat vermeerderde grotelijks zijn leed. Voor hen, die van de hoogte des voorspoeds in de diepte van tegenspoed zijn gevallen, is niets smartelijker, dan om vertreden en bespot te worden, en uit dien hoofde zijn zij maar al te zeer tot achterdocht geneigd.
Merk op:
1. Wat deze grief voor hem verzwaarde. Het waren twee dingen.
a. Dat zij zijn naburen, zijn vrienden, waren, zijn metgezellen, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord, en de bespottingen van dezulken zijn dikwijls zeer boosaardig, en worden altijd met grote verontwaardiging ontvangen, Psalm 55:13,14. "het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen, maar gij zijt het, o mens, als van mijne waardigheid."
b. Dat zij belijders waren van de Godsdienst, mannen, die God aanriepen en zeiden dat Hij hun antwoordde, want sommigen verstaan dit van de spottende personen: Zij zijn de zodanigen, die acht slaan op de hemel, invloed hebben in de hemel, wier gebed ik gaarne gehad zou hebben, en er dankbaar voor geweest zou zijn, wier goede mening van mij ik op hoge prijs zou stellen, en wier afkeuringen en bestraffingen mij dus zeer smartelijk zijn! Het is treurig om te denken dat mensen, die God aanroepen, hun broederen kunnen bespotten, Jakobus 3:9, 10, en het moet een Godvruchtige wel zwaar vallen dat zij, van wie hij goed denkt, kwaad denken van hem, toch is dit volstrekt niets nieuws.
2. Wat er hem in ondersteunde.
a. Dat hij een God had, tot wie hij zich kon wenden, op wie hij zich kon beroepen, want sommigen verstaan die woorden van de persoon, die bespot wordt, dat hij tot God roept, die hem verhoort, en zo komt het overeen met Hoofdst. 16:20. Mijn vrienden zijn mijn bespotters, doch mijn oog druipt tot God, stort tranen uit tot God. Zijn onze vrienden doof voor onze klachten, God is het niet, als zij ons veroordelen, kent God toch onze oprechtheid, als zij het slechtste van ons denken, zal Hij het beste van ons doen uitkomen, als zij ons gemelijke antwoorden geven, zal Hij ons vriendelijk antwoorden.
b. Dat zijn geval niet enig was maar dat het gewoonlijk zo gaat: de rechtvaardige en oprechte is een spot. Door velen wordt hij bespot, zelfs om zijn rechtvaardigheid en oprechtheid, om zijn eerlijkheid tegenover de mensen en zijn vroomheid voor God, dit wordt belachen als iets dat dwaas is, waarmee onnozele lieden zich onnodig belemmeren en belasten, alsof de Godsdienst een grap was, waarmee men zich dus vrolijk ken maken. Door de meesten wordt hij bespot om de een of andere zwakheid, in weerwil van zijn rechtvaardigheid en oprechtheid zonder in het minst in aanmerking te nemen hetgeen zozeer tot zijn eer is. Het is vanouds her het lot geweest van goede en Godvruchtige mensen om veracht en bespot te worden, en daarom moeten wij niet denken dat dit iets vreemds is, 1 Petrus 4:12, en het ook niet hard vinden indien dit ons lot is, aldus hebben zij niet alleen de profeten vervolgd, maar ook de heiligen uit de tijd van de patriarchen, Mattheus 5:12. En kunnen wij verwachten dat het ons beter zal gaan dan hen?
3. Wat hij vermoedde er de ware oorzaak van te zijn en dat was dit: zij waren zelf rijk en welvarend, en daarom verachtten zij hem, die tot armoede was vervallen. Dat is het gewone doen van de wereld, wij zien er dagelijks voorbeelden van, die voorspoedig zijn worden geprezen, maar van hen, aan wie alles tegenloopt, zegt men: "Weg met hen!" Die gereed is om met de voet te struikelen en in moeilijkheid te komen, wordt, hoewel hij vroeger als een lamp heeft geschenen, licht van zich heeft gegeven, dan beschouwd als een lamp, die uitgaat, als het snuitsel van een kaars, dat wij wegwerpen en vertreden, en dat bijgevolg naar de mening desgenen, die gerust is een verachte fakkel is, vers 15. Zelfs de rechtvaardige en oprechte, die als een brandende en lichtende kaars is in zijn geslacht, zal, als hij in verzoeking komt, Psalm 73:2, of onder een wolk is, met minachting worden aangezien. Zie hier:
a. Wat het gewone gebrek is van hen, die in voorspoed leven, zelf zat en gerust en vrolijk zijnde, zien zij met minachting op hen, die gebrek lijden, pijn en smart hebben, zij zien hen voorbij, nemen geen notitie van hen en trachten hen te vergeten. Zie Psalm 123:4. De opperschenker drinkt wijn uit schalen, maar bekommert zich niet over de verbreking Jozefs. Rijkdom zonder genade zal de mensen dikwijls zo hoogmoedig maken, zo onverschillig voor hun arme naasten.
b. Wat het gewone lot is van hen, die tot tegenspoed komen. Armoede dient om al hun glans en luister te doen tanen, zij zijn lampen, maar als zij uit de gouden kandelaars worden weggenomen en evenals de fakkels van Gideon, in aarden kruiken worden gestoken, dan zal niemand hen meer zoals vroeger waarderen, die gerust leven zullen hen verachten.