Jeremia 6:18-30
Hier,
I. Beroept God zich op alle naburen, ja op de gehele wereld, dat Zijn behandeling van Juda en Jeruzalem rechtvaardig is, vers 18, 19. Hoort, gij heidenen, en in `t bijzonder, verneem o gij vergadering van de machtigen, van de grote mannen onder de volken, die acht geeft op staatszaken rondom u en daarover nadenkt. Merkt op hetgeen thans geschiedt met Juda en Jeruzalem, gij verneemt de verwoesting, die over hen komt, de aarde weerklinkt ervan, beeft er onder, gij allen verbaast u, dat Ik een kwaad breng over dit volk, dat met Mij in een verbond staat, dat Mijn eigendom is, dat Mij dient en grotelijks door Mij begenadigd is, gij wilt vragen: "Waarom heeft de Heere aan dit land alzo gedaan?" Deuteronomium 29:24. Weet dan,
1. Dat dit het natuurlijk gevolg is hunner listige handelingen. Het kwaad, over hen gebracht, is de vrucht hunner gedachten. Zij meenden zich te sterken door hun verbond met mensen, en hebben zich daardoor juist verzwakt en verminderd, zij hebben zich verraden en tentoongesteld.
2. Dat het de rechtmatige straf is voor hun ongehoorzaamheid en opstand. God brengt over hen niets dan de vloek van de wet, omdat zij de geboden van de wet hebben geschonden. Het is, omdat zij niet hebben gemerkt op Mijn woorden en Mijn wet verworpen, op geen enkel woord dat Ik tot hen gesproken heb, acht gegeven, maar alle verworpen. Zij zouden nimmer door de oordelen van Gods hand zijn getroffen indien zij niet hadden geweigerd, door de oordelen Zijns monds bestuurd te worden: daarom kunnen zij niet zeggen, dat Ik hun onrecht heb gedaan."
II. God verwerpt hun pleit, als zij zich op hun uitwendige dienst beroepen als voldoende om al hun zonden te bedekken. Helaas, het is een ijdel pleiten, vers 20. Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen en de beste kalmus uit verre landen, om gebrand te worden als een reukoffer op het gouden altaar, al is dat reukwerk het beste en van verre gehaald? "Wat geef Ik om uw brandoffers en uw slachtoffers?" Zij kunnen Gode geen voordeel brengen (wat geen enkel offer kan doen), Psalm 50:9 maar zij behagen Hem ook niet, want dat doet alleen het offer van de oprechten, dat van de goddelozen is Hem een gruwel. Slachtoffer en reukoffer moesten berouw bij hen wekken, en hen wijzen op de Middelaar en hun geloof in Hem sterken. Bij dit goed gebruik waren ze Hem welbehagelijk, God nam ze aan en tevens degenen, die ze brachten. Maar werden ze aangeboden met de bedoeling, dat God daardoor hun schuldenaar werd, en dat zij daardoor een vrijbrief kochten om te zondigen, dan waren die offers Hem niet welbehagelijk, veeleer een gruwel.
III. Hij voorspelt de verwoesting, die over hen zal komen.
1. God besluit tot hun verderf, omdat zij zich niet willen bekeren, vers 21 :Ik zal voor dit volk allerlei aanstoot stellen, niet om te zondigen, maar om in moeite te geraken. Degenen, die God getekend heeft door de verwoesting, verwart en verijdelt hij in hun raadslagen, en bemoeilijkt en verhindert alle middelen die zij voor hun eigen veiligheid uitdenken. De vijandelijke troepen, die zij ontmoeten waar zij ook gaan, zijn hun een struikelblok, in iedere hoek struikelen zij over hen en worden verbrijzeld: De vaders en de kinderen tezamen zullen omkomen. noch de vaders met hun wijsheid noch de zoons met hun kracht en moed zullen ontkomen of de vijand overmogen. De zonen, die met hun vaders hebben gezondigd, zullen met hen vallen. Zelfs de natuur en zijn metgezel zullen omkomen en niet in staat zijn, zichzelf of elkaar te helpen.
2. Hij zal de Chaldeën gebruiken als werktuigen, wat God ook doen wil, voor alles zal Hij de juiste instrumenten uitkiezen. Dit is een volk uit het land van het noorden, uit de zijden van de aarde. Babylon lag ver weg in het noorden, en enkele van de landen, die aan de koning van Babel onderworpen waren en hulptroepen moesten leveren, lagen nog veel verder weg. Deze moeten in Zijn dienst gebruikt worden vers 22, 23. Want:
a. Het is een zeer talrijk volk, een grote natie, hetgeen hun inval nog geduchter zal maken.
b. Het is een krijgshaftig volk. Boog en spies zullen zij voeren, en ze op die tijd wel weten te hanteren, want zij zijn erin bedreven. Zij rijden op paarden, trekken daardoor te sneller voorwaarts en zijn in de strijd te voortvarender. Geen volk had toen betere ruiterij in het veld gebracht dan de Chaldeën.
c. Het is een wreed volk. Zij zijn wreed en zullen niet barmhartig zijn, fel op buit en trots op hun zegepraal. Zij beroemen zich als ze alles rondom verschrikken, hun stem bruist als de zee. En
d. Zij hebben het bijzonder op Juda en Jeruzalem voorzien en hopen zich grotenlijks te verrijken met de buit van dat welbekende land. Zij zijn toegerust als een man ten oorlog tegen u, o dochter Zions! De zonden van het volk, dat God beweert te dienen, maken het een gemakkelijke prooi voor degenen, die zowel Gods als hun vijand is.
IV. Hij beschrijft de zeer grote ontsteltenis, die over Juda en Jeruzalem komen zal bij de nadering van die geduchte vijand, vers 24-26
1. Zij erkennen zelf hun vreze, op de eerste tijden, van het aanrukken des vijands: Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden, Wij hebben geen moed enige tegenstand te bieden, benauwdheid heeft ons aangegrepen, wij zijn terstond in een uiterste vrees geworpen, gelijk een barende vrouw. Zie, schuldbesef maakt een mens verslagen op de nadering van welk dringend onheil ook. Wat kunnen zij voor zichzelf hopen, die God tot hun vijand hebben gemaakt?
2. Zij blijven als bij afspraak in hun huizen en durven hun hoofd niet buiten steken, want ofschoon zij niet anders konden verwachten dan dat des vijands zwaard hen ten laatste zou vinden, toch zullen zij liever lafhartig sterven dan enig gevaar te lopen, door gevecht of vlucht. Aldus spreken zij tot elkaar: Ga niet uit in het veld, om daar enige lijftocht te halen, noch wandel op de weg, waag het niet naar kerk of markt te gaan, gij loopt gevaar als ge dat doet, want "het zwaard des vijands is er en schrik van rondom, de wegen houden op" als in Joëls dagen, Richteren 5:6. Laat dit ons opwekken, wanneer wij in veiligheid onze wegen gaan en niemand ons verschrikt, dat wij God danken voor ons aandeel aan de algemene gerustheid.
3. De profeet roept het volk op, de verwoesting, die over hen komt, droevig te betreuren: o dochter Mijns volks, hoor, hoe uw God u oproept om te wenen en te rouwen, en antwoord op Zijn roepstem: gord een zak aan, niet maar voor een dag, maar om die bestendig te dragen, strooi niet enkel as op uw hoofd, maar wentel u in de as, doe rouwklederen aan en maak bitter misbaar, niet gedwongen en slechts als uiterlijk vertoon, maar met de grootste oprechtheid, zoals ouders rouwen om een enige zoon en troosteloos zijn omdat zij kinderloos zijn geworden. Weeklaag zo, omdat de verstoorder u snellijk overkomt al is hij nog niet gekomen. Hij komt, het besluit is genomen, laat ons dus de uitvoering met gepaste droefheid tegemoet gaan. Gelijk heiligen zich verblijden mogen in de hoop op Gods barmhartigheden, of schoon die hun alleen maar beloofd is, zo moeten zondaars treuren over Gods oordelen, al zijn die nog slechts bedreigd.
V. Hij stelt de profeet tot een rechter over Zijn volk, dat nu verhoord wordt, Hoofdstuk 1:10. Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken. Zo stelt God hem nu tot een wachttoren, een schildwacht, een wachter op een toren, onder Zijn volk, als een rechter over hun daden, opdat hij hun weg zou weten en keuren, vers 27. Niet dat God iemand nodig heeft om Hem bericht te geven, integendeel wist de profeet vergelijkenderwijs weinig van hen dan door de geest van de profetie. Maar God roept dus de profeet op, dat hij zelf hun gedrag moge gadeslaan en volkomen voldaan zijn over Gods rechtvaardigheid in Zijn oordelen over hen, en met te vaster overtuiging hen daartegen te waarschuwen. God zet hem tot een wachttoren, voor allen zichtbaar en door menigeen tegengesproken, maakt hem zelfs een vesting en sterke toren, geeft hem moed om tegen de volksgeest in te gaan en deszelfs ongenoegen te dragen. Zij, die getrouwe vermaners zullen zijn, moeten sterk wezen als een vesting. Wanneer hij nu hun weg beproeft, zal hij twee dingen vinden:
1. Dat zij onzettend diep gezonken zijn, vers 28. Zij zijn allen de afvalligsten van de afvalligen, de ergste afvalligen, gelijk een knecht van de knechten de diepste dienstbaarheid beduidt. Zij hebben een afvallig hart, zijn ver afgevallen en vallen immers verder af. Ze schijnen vooruit te gaan, maar zij vallen af en gaan achteruit. Zij wandelen in achterklap, beliegen en belasteren elkaar schaamteloos, ja stellen er hun vermaak in, het is hun dagelijks bedrijf, zij geloven zelf hun laster en haten de belasterden, hoe onschuldig die ook zijn. Zij zijn koper en ijzer, onedele metalen, en niets in hen heeft enige waarde. Zij waren zilver en goud, maar zijn ontaard. Ja, zoals zij allen afvalligen zijn, zo verderven zij het ook allen, leven niet alleen zelf in ontuchtigheid, maar verleiden er ook anderen toe, ze maken ze kinderen van de hel, zeven maal erger dan zij zelf zijn. Het gaat vaak zo: zondaars worden spoedig verleiders.
2. Zij wilden van geen vermaan of bekering weten, het was een ijdele verwachting, van hen vernieuwing te hopen, want allerlei was aan hen beproefd, maar zonder baat, vers 29, 30. Hij vergelijkt hen met erts, waarin goed metaal ondersteld werd en dat daarom door de louteraar in de smeltkroes wordt geworpen, die al zijn kunst en moeite gebruikt om dat metaal te voorschijn te brengen, maar het blijkt al schuim te zijn waarin niets goeds te vinden is. God had in Zijn profeten en in Zijn voorzorgen de beste middelen gebruikt om dit volk te louteren en te zuiveren van hun goddeloosheid, maar het was alles tevergeefs. Door de onophoudelijke prediking van het woord, en een reeks van beproevingen waren zij voortdurend in het vuur gehouden, maar zonder enig resultaat. De blaasbalg is gestadig zo dicht bij het vuur gehouden, om het aan te blazen, dat hij door de hitte geschroeid is, of hij is geheel versleten door `t langdurig gebruik en in `t vuur geworpen, als waardeloos. De profeten hebben hun keel schor gepreekt door luide te getuigen tegen de zonden van Israël, en toch zijn zij niet overtuigd en vernederd. Het lood dat toen gebruikt werd om het zilver te louteren, zoals nu het kwikzilver, is door het vuur verteerd, en heeft zijn werk niet gedaan. Tevergeefs heeft de smelter gesmolten, zijn moeite is ijdel, dewijl de bozen niet afgescheiden zijn, er wordt geen zorg besteed, om het kostbare van het waardeloze te scheiden, om het oude zuurdeeg uit te zuiveren, om uit de gemeenschap uit te werpen hen, die, zelf verdorven, een gevaar van besmetting zijn voor anderen. Of, hun goddeloosheid is niet weggedaan (zoals sommigen lezen), zij zijn nog slecht als altijd, en niets helpt om hen te scheiden van hun zonden. Zij willen zich niet laten afbrengen van hun afgoderijen en ontuchtigheden door al wat ze gehoord en gevoeld hebben, want Gods toorn is tegen hen ontstoken, en daarom wordt dat vonnis aan hen voltrokken, vers 20. Men noemt ze een verworpen zilver, onbruikbaar en waardeloos, zij blinken, alsof ze nog enigszins van zilver waren, maar er is geen wezenlijke deugd of goedheid onder hen te vinden en om deze reden heeft de Heere hen verworpen. Hij wil hen niet meer als Zijn volk erkennen, noch ook iets goeds van hen verwachten. "Hij zal ze wegdoen als schuim," Psalm 119:119, en een verterend vuur bereiden voor hen, die niet gezuiverd wilden worden door een louterend vuur. Hieruit blijkt:
a. Dat God geen behagen heeft in de dood en het verderf van zondaren, want Hij beproeft hen op alle wegen en manieren om hun ondergang te beletten en hen tot behoudenis bekwaam te maken. Beide, Zijn ordinantiën en Zijn voorzorgen hebben deze strekking hen te scheiden van hun zonden, en toch is het bij velen verspilde moeite. "Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst, wij hebben klaagliederen voor u gezongen, en gij hebt niet geweend." Daarom,
b. God heeft geen schuld aan de dood van zondaren en al de blaam valt terug op hen zelf. Hij verwierp hen niet voordat Hij alle geschikte middelen om hen te verbeteren had uitgeput, Hij keerde Zich niet van hen af zolang er nog enige hoop voor hen was, ook deed Hij ze niet weg als schuim voordat gebleken was, dat ze verworpen zilver waren.