Jeremia 49:28-33
Deze verzen voorspellen de verwoesting, die Nebukadnezar en zijn heirscharen zouden aanrichten onder het volk van Kedar (dat afstamde van Kedar, de zoon van Ismaël, en een gedeelte van Steenachtig Arabië bewoonden), en onder de koninkrijken, de kleine rijkjes van Hazor, die zich ermede verbonden hadden. Misschien waren zij oorspronkelijk Kanaänieten uit het koninkrijk Hazor, in het noorden van Kanaän, die Jabin tot koning hadden, maar, verdreven, zich hadden neergezet in de woestijn van Arabië en met de Kedarenen een verbond gesloten. Aangaande dit volk kunnen wij opmerken:
I. Wat was hun tegenwoordige staat en toestand? Zij woonden in tenten en hadden geen muren, vers 29, geen versterkte steden, zij hadden deuren noch grendel, vers 31. Zij waren herders en bezaten geen schatten maar land geen geld maar kudden en kamelen. Zij hadden geen krijgslieden, want zij vreesden geen inval, geen kooplieden, want zij woonden alleen, vers 31. Van andere volken kwam niemand hen bezoeken of handel met hen drijven. Zij leefden onderling, tevreden met de voortbrengselen en genoegens van hun eigen land. Dit was hun levenswijze, zeer verschillend van die van de omwonende volken. En,
1. Zij waren zeer rijk, al hadden zij geen handel, geen schatten, toch werden zij een welvarend volk genoemd, vers 31, omdat zij overvloed hadden van wat voor hun stoffelijk leven nodig was, en zij zich daarmee tevreden stelden. Zie, die zijn waarlijk rijk, die genoeg hebben om in hun behoefte te voorzien, en weten wanneer zij genoeg hebben. Wij behoeven geen schatten van koningen en vorsten, geen rijkdom van kooplieden, om welvarende mensen te zijn. Zulken worden ook gevonden onder herders, die in tenten wonen.
2. Zij hadden het zeer gemakkelijk: "zij woonden in zekerheid." Hun rijkdom werd hun door niemand benijd, en indien al, men kon komen en hetzelfde genieten. En daarom vreesden zij niemand. Zie, wie onschuldig en eerlijk leven, kunnen zeker wonen, "al hebben zij geen deuren noch grendel."
II. Het voornemen van die koning van Babel en zijn inval in hun land. Hij heeft een raadslag tegen ulieden beraadslaagd, vers 30. De trotsaard besluit, dat men nimmer moet kunnen zeggen, dat hij, die zoveel sterke steden heeft bemachtigd, die tentbewoners niet heeft kunnen bedwingen. Het was vreemd, dat de adelaar neerstreek om enkele vliegen te vangen, dat zo'n machtig vorst zulk kinderachtig spel speelde, maar het zijn alle vissen, die in het net van de eer- en hebzuchtige zwemmen. Zie, het bewaart niet iedereen voor onrecht, dat men zelf geen onrecht heeft gedaan, niemand gehinderd te hebben, is geen beschutting tegen vorsten als Nebukadnezar. Ja, hoe onrechtvaardig deze was in zijn aanval, God was rechtvaardig, toen Hij die beschikte. Deze mensen hadden zonder aanstoot te midden van hun naburen gewoond, gelijk nog veren doen, die toch voor God schuldig staan als zij. En het was om hen voor hun kwaad te straffen, dat God zei, vers 28 :Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten. Zij zullen het doen om eigen begeerlijkheid en eerzucht te bevredigen, maar God bedoelt er mee de kastijding van een ondankbaar volk, en ter waarschuwing voor een zorgeloze wereld, moeite te verwachten, wanneer ze zo veilig meent te zijn. God zegt tot de Chaldeën, vers 31 :Maakt u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, gaat en verontrust het, opdat niemand meent dat zijn berg zo vast staat, dat die kan bewogen worden. III. De grote verbazing, die zich nu van hen meester maakt, en de grote verwoesting onder hen: "zij zullen tegen hen uitroepen, " die aan de grenzen wonen zullen de tijding naar het binnenland zenden en overal schrik en ontsteltenis verspreiden. Zij zullen roepen: "Schrik van rondom," de vijand omringt ons. Die schrik zal ze voor de voeten van de vijanden neerwerpen en geen moed doen overblijven om zich te verweren. De vijand zal schrik onder hen en tegen hen verspreiden, aan alle zijden. Hij behoeft geen slag te slaan, zijn krijgsgeschrei zal ze uit hun tenten halen, vers 29. Op het eerste alarm zullen zij vlieden, vlug weggaan, zwerven en in diepe plaatsen wonen, vers 30, gelijk de Edomieten. Men zal bevinden, dat die schrik van rondom niet ongegrond is, want Ik zal hun verderf van alle zijden aanbrengen, vers 32. Geen wonder, dat er schrik is van rondom, als er vijanden zijn aan alle zijden. De afloop zal zijn,
1. Wat zij bezitten wordt de buit van de Chaldeen, die zullen hun gordijnen en al hun gereedschap nemen, al is dat alles ruw en eenvoudig en al hebben zij het thuis beter, want zij roven om te roven. Zij zullen ook hun tenten en hun kudden nemen, vers 29. Hun kamelen zullen een welkome prooi zijn voor hen, die om niets anders kwamen, vers 32.
2. Er wordt niet gezegd, dat iemand van hen zal gedood worden, want zij doen generlei poging om weerstand te bieden, en hun tenten en kudden worden als een losprijs voor hun leven genomen, maar zij worden verjaagd en verstrooid. "Al zijn zij nu aan de hoeken afgekort, of aan de uithoeken, afgelegen en daarom naar hun mening, uit de weg" (daardoor onderscheidden deze lieden zich) Hoofdstuk 9, 26, 25-2, toch "zullen zij in alle winden verstrooid worden," naar alle delen van de wereld. Zie, eenzaamheid en afgelegenheid zijn niet altijd een waarborg voor bescherming en veiligheid. Velen, die voor de wereld vreemdelingen menen te zijn, worden soms door ongedachte omstandigheden in de wereld gedreven, en wie het meest verborgen plekje bewonen, delen wel eens het zelfde lot met hen, die vooraan staan, aan alles blootgesteld.
3. Hun land zal onbewoond liggen, want, daar het afgelegen is en aan geen heirweg te vinden, en geen steden noch andere aantrekkelijkheden heeft, zal niemand er zich heen begeven, zodat Hazor een verwoesting zal worden tot in eeuwigheid, vers 33. Als bedrijvige lieden verplaatst worden, willen velen hen vervangen, omdat zij groot leefden, maar hier worden stille mensen verstrooid, en niemand begeert in hun plaats te wonen, omdat er niets bekoorlijke is.