10. Indien gijlieden in ootmoedige en berouwvolle erkentenis uwer zonde, in gehoorzame onderwerping aan Mijne gerichten, Mij alleen zult vrezen en alle mensenvrees zult wegwerpen; indien gij in dit land zult blijven wonen, zo zal Ik Mijne genade weer aan u bewijzen. Ik zalu a) bouwen en niet afbreken, en u planten als een edel zaad, waaruit nog een nieuw volk opstaat, en niet uitrukken; want ik heb berouw 1) over het kwaad, dat Ik u aangedaan heb. Ik heb geen lust in des zondaars dood, maar daarin, dat hij zich bekere en leve.
a) Jeremia 24:6; 31:4; 33:7.
1) God is geen mensenkind, dat Hem iets zou kunnen berouwen (Numeri 23:19. 1 Samuël 15:29), en toch staat in de Heilige schrift tienmalen (1 Samuël 15:4 2:13), dat Gode iets berouwd heeft. Deze is ene van die tegenstrijdigheden in de Heilige Schrift die even als alle bij nader inzien volkomene harmonische oplossing vindt. Menselijk berouw, het gevolg van zondigheid en dwaling, is Gode geheel vreemd, want Hij is in Zijne raadsbesluiten onveranderlijk, heilig, rechtvaardig, alwetend en alwijs. Maar de menselijke zonde wekt in Hem goddelijk berouw op, of tot uitdrukking van Zijnen toorn en afschuw van de zonde of tot uitdrukking van Zijne eeuwige ontferming, die des zondaars dood niet wil. De wetenschappelijke theologie spreekt vooral bij het berouw Gods van anthropopathismen (aanwijzingen van gemoedsbewegingen in God, die aan de toestanden van het menselijk hart zijn ontleend), en verklaart toch inderdaad met dat woord zo weinig, dat men bijna aan het woord van Göthe wordt herinnerd: "Waar het aan begrippen ontbreekt, daar komt ter rechter tijd een woord. " Vooral is het bedenkelijk om bij toorn, gramschap, ijver, enz. in God van anthropopathismen te spreken. Zeker kunnen wij mensen steeds alleen ene kennis van Gods wezen en van Zijne eigenschappen verkrijgen, die met ons wezen overeenkomt, nooit ene, die uit de diepte van het goddelijk Wezen is geput. Maar men moet vooral hieraan vasthouden, dat God Zich alzo aan ons heeft geopenbaard, omdat Hij den mens naar Zijn beeld heeft geschapen. Zijn deze uitdrukkingen van Goddelijke gewaarwordingen werkelijke openbaring, dan zijn wij meer gerechtigd, om berouw, toorn, grimmigheid, als oorspronkelijk in God, maar in den mens als afbeeldsel en als zondig op te vatten, en in de beschouwing der eigenschappen Gods in `t algemeen van God als het oorspronkelijk beeld af te dalen tot den mens als het evenbeeld, dan omgekeerd. Op deze wijze behouden de uitdrukkingen van Gods eigenschappen hare realiteit, en worden zij niet tot beelden en eindelijk tot holle klanken verwaterd. Evenzo moet men ook, wanneer van Gods gedaante, aangezicht, ogen, oren, reuk, harden, vingers, voeten, enz. gesproken wordt, denken, dat de mens het evenbeeld Gods is, en men moest zich ook hierbij niet tevreden stellen met het woord anthropomorphismen (overbrenging van de menselijke gedaante op God), noch met het aannemen van beelden.
Hij drukt een zeer tedere genegenheid voor hen uit, in deze rampspoedige omstandigheden. Hoewel zij weinig blijk hadden gegeven van hun berouw over hun zonden, zo begeert God nochthans als iemand die smart heeft over de ellende van Israël berouw te hebben over de oordelen, welke Hij om hun zonden over hen gebracht had. Niet dat Hij van gevoelen veranderd was, maar Hij was zeer geneigd om van weg te veranderen en in barmhartigheid tot hen weer te keren. Gods tijd, dat het Hem berouwt over Zijne knechten, is, wanneer Hij ziet, gelijk hier, dat hun sterkte geweken is, en dat er niemand besloten en overgelaten is (Deuteronomium 32:36).