Jeremia 40:1-6
De titel van dat deel van het boek, waarmee dit Hoofdstuk begint, schijnt misplaatst. (Het woord, dat tot Jeremia geschiedde), want in dit hoofdstuk is niets wat op profetie gelijkt, maar wel in Hoofdstuk 42:7, waar wij een boodschap vinden, die God door Jeremia zond aan de oversten en aan het volk, dat overgebleven was. De geschiedenis daartussen dient alleen om de profetie in te leiden en de omstandigheden aan te geven, opdat zij beter verstaan worden en daar Jeremia zelf in de geschiedenis betrokken is, was hij te beter in staat het verhaal er van te doen.
In deze verzen voegt Jeremia zich, op raad van Nebuzaradan, bij Gedalja. Het schijnt, dat Jeremia op eervolle wijze uit het voorhof van de bewaring gehaald was door de vorsten van de koning van Babel, Hoofdstuk 39:14, maar, dat hij later, onder het volk in de stad gevonden toen bevel gegeven werd aan ondergeschikte dienaren om iedereen, die zij vonden, en die van enig aanzien was, te binden, om hen gemakkelijk naar Babel te voeren, door onwetendheid en bij vergissing, met de anderen gebonden en weggedreven werd. Arme man! hij schijnt geboren te zijn voor hardheid en mishandelingen, werkelijk "een man van smarten!" Maar, toen de gevangenen geboeid naar Rama waren gebracht, nog niet ver weg, waar een krijgsraad gehouden werd, om bevelen aangaande hen te geven, werd Jeremia spoedig tussen de anderen uitgehaald, en op bijzondere last van het hof, in vrijheid gesteld.
1. De overste van de trawanten verklaart plechtig, dat hij waarlijk een profeet is, vers 2, 3:"De Heere, uw God, Wiens boodschapper gij geweest zijt en in Wiens naam gij gesproken heeft, heeft door u dit kwaad over deze plaats gesproken, zij waren ruimschoots gewaarschuwd maar zij wilden het niet ter harte nemen, en nu heeft de Heere het doen komen en, zoals Hij het door uw mond gezegd heeft, zo heeft Hij door mijn hand gedaan, gelijk als Hij gesproken had. Hij schijnt aldus te rechtvaardigen, wat hij gedaan had, en erin te roemen, dat hij Gods werktuig geweest was, om te volbrengen, wat Jeremia als Zijn boodschapper voorspeld had, en in dat opzicht was het inderdaad de roemrijkste daad, die hij ooit verricht had. Hij voegt al het volk, dat nu in boeien voor hem staat, toe: "Gijlieden hebt gezondigd tegen de Heere, daarom is ulieden deze zaak geschied" De vorsten van Israël konden er nooit toe gebracht worden dit te erkennen, hoewel het zo duidelijk was, alsof het met een zonnestraal geschreven ware, maar deze heidense vorst ziet het klaar, dat zij begunstigd door de goddelijke goedheid, als zij geweest waren, nooit aldus verlaten zouden zijn geworden, als zij Hem niet meer getergd hadden. Dit was het volk van Israël vaak gezegd door hun profeten, maar zij wilden er geen acht op slaan, nu wordt het hun gezegd door hun overwinnaar, die zij niet durven tegenspreken en die hun wel leren zal er acht op te slaan. Iedereen zal vroeger of later moeten voelen dat de zonde de oorzaak is van al zijn ellende.
2. Hij geeft hem verlof, om over zichzelf te beschikken, zoals hij wil. Ten tweeden male werd hij ontslagen, vers 4, en uitgenodigd met hem mee te gaan naar Babel, niet als gevangene, maar als vriend, als makker, en "ik zal mijn oog op u stellen, ik zal u eer bewijzen, u steunen en zorgen, dat gij veilig en welverzorgd zijt." Als hij niet geneigd was naar Babel te gaan dan kon hij in zijn eigen land wonen, waar hij wilde, want het was nu geheel ter beschikking van de overwinnaars. Hij kan naar Anathoth gaan, als het hem bevalt, en genieten van de akker, die hij daar gekocht heeft. Een grote verandering voor deze goede man! Hij, die nog pas van de ene gevangenis naar de andere zwierf, kan nu vrijelijk van zijn ene bezitting naar de andere lopen. 3. Hij raadt hem aan naar Gedalja te gaan, en zich bij hem te vestigen. Deze Gedalja die "de koning van Babel over het land gesteld had," was een eerlijke Jood, die (zoals waarschijnlijk is) bijtijds met zijn vrienden tot de Chaldeën overliep, en zo goed in de smaak viel, dat deze belangrijke zaak hem toevertrouwd werd, vers 5. Terwijl Jeremia nog niet weggegaan was, maar stond te overwegen, wat hij doen zou, bracht Nebuzaradan, bemerkende, dat hij niet geneigd was om naar Babel te gaan en ook niet besloten waarheen dan wel, hem tot een besluit, en ried hem aan in ieder gevel tot Gedalja te gaan. Plotselinge gedachten blijken soms wijze gedachten te zijn. Maar toen hij hem deze raad gaf, bedoelde hij niet hem er aan te binden, en ook zal hij het niet kwalijk nemen als hij die niet volgt. "Waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, daar ga." Het is vriendelijk in zulke gevallen raad te geven, maar onvriendelijk voor te schrijven, en boos te worden, als onze raad niet gevolgd wordt. Jeremia kan zijn koers richten, waarheen hij wil. Nebuzaradan vindt het goed, en zal geloven, dat hij het om bestwil deed. Ook geeft hij hem niet alleen zijn vrijheid, en zijn goedkeuring op de maatregelen, die hij nemen zal, maar hij voorziet ook in zijn onderhoud, "Hij gaf hem reiskost en een geschenk, t zij in klederen of geld, en liet hem gaan." Zie hoe zorgzaam "de overste van de trawanten" was in zijn vriendelijkheid voor Jeremia. Hij stelde hem in vrijheid, maar het was in een verwoest land, en waarin hij, zoals de toestand nu was, had kunnen omkomen, hoewel het zijn eigen land was, als men niet zo vriendelijk in zijn nooddruft had voorzien. Jeremia nam zijn vriendelijk geschenk niet alleen aan, maar hij volgde ook zijn raad, en ging naar Gedalja te Mizpa, en hij woonde bij hem vers 6. Ik weet niet, of wij hierin zijn wijsheid kunnen prijzen, de uitkomst heeft het niet bewezen, want het bleek in `t geheel niet in zijn voordeel te zijn. Evenwel kunnen wij zijn vrome genegenheid voor het land van Israël loven dat hij het niet wilde verlaten, tenzij hij er uit verdreven werd, zoals Ezechiël en Daniël, en andere goede mannen, maar wilde liever met de armen in het Heilige Land wonen dan met vorsten in een onheilig land.