Jeremia 35:1-11
Dit hoofdstuk is van vroegere datum dan vele, die er aan voorafgaan, want wat er in vervat is, werd gezegd en gedaan in de dagen van Jojakim, vers 1, maar dan moet het in het laatste gedeelte van zijn regering zijn want het is geschied, als Nebukadnezar naar dit land optoog, vers 11, wat betrekking schijnt te hebben op de inval, vermeld in 2 Koningen 24:2, die plaats vond ter gelegenheid van Jojakims rebellie tegen Nebukadnezar. Nadat de oordelen van God tegen dit oproerige volk uitgegaan waren, ging Hij voort, met hen te handelen door Zijn profeten, om hen van de zonde af te trekken, opdat Zijn toorn van hen mocht afgewend worden. Met dit doel stelt Jeremia hun het voorbeeld van de Rechabieten voor ogen, een geslacht, dat zich op zichzelf hield en evenmin met de geslachten van Israël gerekend werd, als die met de volken. Het waren oorspronkelijk Kenieten zoals blijkt uit 1 Kronieken 2:55. "Deze zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hamath, de vader van het huis Rechab." De Kenieten, ten minste die van hen, welker vestiging in het land van Israël toegelaten werd, waren van de nakomelingschap van Hobab, Mozes' schoonvader, Richteren 1:16, Wij vinden ze gescheiden van de Amalekieten, 1 Samuël 15:6. Zie ook Richteren 4:11. Eén van de geslachten van de Kenieten werd naar Rechab genoemd. Zijn zoon, of een afstammeling van hem in de rechte lijn, was Jonadab, een man, die in zijn tijd beroemd was om zijn wijsheid en zijn vroomheid. Hij bloeide in de dagen van Jehu, koning van Israël, bijna drie honderd jaar voor deze gebeurtenissen, want daar vinden wij hem gevleid door die opkomende vorst, toen deze de schijn aannam van ijver voor God 2 Koningen 10:15, 16, want hij meende het volk hiervan niet beter te kunnen overtuigen dan door een goed man als Jonadab in zijn wagen mee te nemen. Hier wordt ons gezegd,
I. Wat de leefregels waren, die Jonadab, waarschijnlijk door zijn uiterste wil en testament, geschreven, en uitgevoerd naar de wet, zijn kinderen opdroeg, en zijn nakomelingschap na hem, door alle geslachten, waar te nemen als een godsdienstige handeling, en wij hebben reden te geloven, dat hij zelf ze al zijn dagen waargenomen had.
1. Zij waren samengevat in twee opmerkelijke voorschriften:
a. Hij verbood hun wijn te drinken, naar de wet van de Nazireërs. De wijn is inderdaad gegeven om het hart van de mensen vrolijk te maken, en het is ons geoorloofd er een sober en matig gebruik van te maken, maar wij zijn zo geneigd hem te misbruiken en er ons schade door te doen, en een goed man, wiens hart voortdurend vrolijk gemarkt wordt door "het licht Uws aanschijns," heeft er zo weinig behoefte aan voor dat doel, Psalm 4:67, dat het een aanbevelenswaardige zelfverloochening is, om die of in het geheel niet te gebruiken, of zeer matig, als geneesmiddel zoals Timotheus deed, 1 Timotheus 5:23.
b. Hij beval hun, in tenten te wonen, en geen huizen te bouwen en geen land te kopen, noch te huren, noch in bezit te nemen, vers 7. Dit was een voorbeeld van strengheid en zelfkastijding, dat ver overtrof hetgeen, waartoe de Nazireërs verplicht waren. Tenten waren lege woningen zodat dit hun leren zou nederig te zijn, het waren koude woningen, wat hun leren zou gehard te zijn en niet toegeeflijk te zijn voor het lichaam, het waren bewegelijke woningen, hetgeen hun leren zou er niet aan te denken, zich ergens ter wereld te vestigen of wortel te schieten. Zij moesten in tenten wonen, al hun dagen, niet enkele dagen, zoals Israël bij het Loofhuttenfeest, niet alleen in de zomer, als soldaten en herders, maar al hun dagen. Zij moeten er zich van `t begin af aan gewennen, alles te verdragen, en dan zou het hun niet moeilijk vallen in het verval des ouderdoms. 2. Waarom schreef Jonadab deze leefregels voor aan zijn nakomelingschap? Het was niet alleen om bewijs te geven van zijn gezag, en heerschappij over hen uit te oefenen, door hun op te leggen, wat hij wilde, maar het was om een blijk te geven van zijn wijsheid, en van het wezenlijk belang, dat hij in hun welzijn stelde, door hun op `t hart te drukken, wat hij wist dat hun tot voordeel zou zijn, toch bond hij hen niet door een eed of een belofte, of door bedreiging van straf, om naar deze regels te leven, maar ried hun alleen aan zich aan deze tucht te onderwerpen, in zover zij er zich wel bij bevonden, terwijl ze er van konden afwijken in een noodzakelijk geval, zoals hier, vers 11. Hij schreef hun deze regels voor,
a. Opdat zij het aloud karakter van hun familie mochten bewaren, `t geen hij, hoezeer sommigen er ook met verachting op neerzagen, als haar wezenlijke roem beschouwde. Zijn voorouders hadden zich aan het herdersleven gewijd, Exodus 2:16, en hij wilde, dat zijn nakomelingschap zich daaraan houden zou, en er niet van ontaarden zoals Israël gedaan had, dat oorspronkelijk uit herders bestaan en in tenten gewoond had, Genesis 46:34. Wij moeten ons niet schamen voor de eerlijke bezigheden van onze voorouders, al waren die maar nederig.
b. Opdat zij zich mochten gedragen naar hun lot en hun geest In overeenstemming brengen met hun stand. Mozes had de hoop bij hen opgewekt, dat zij genaturaliseerd zouden worden, Numeri 10:32, maar het schijnt, dat dit niet gebeurd is, zij waren als vreemdelingen in het land, vers 7, zij hadden er geen erfenis in en moesten daarom leven van hun arbeid, wat een goede reden was, waarom zij zich moesten gewennen aan soberen kost en een primitieve woning, want vreemdelingen, als zij waren, moeten niet verwachten te kunnen leven als landbezitters, in weelde en overvloed. Het is wijs van ons en onze plicht, ons te voegen naar onze rang en stand, en er niet boven uit te willen. Waarom zouden wij niet tevreden zijn met het lot, dat het lot van onze vaders is geweest, en dienovereenkomstig leven? Tracht niet naar de hoge dingen,
c. Opdat zij niet benijd en verstoord mochten worden door hun naburen onder wie zij leefden. Indien zij, die vreemdelingen waren, groot leefden, gebouwen oprichtten, en weelderig aten, zouden de ingezetenen hun hun overvloed benijden, en met een afgunstig oog naar hen zien, zoals de Filistijnen naar Izak, Genesis 26:14, en een aanleiding zoeken om met hen te twisten en hun kwaad te doen, daarom zou het wijs van hen zijn, laag bij de grond te blijven, want dat zou de weg zijn, om het lang vol te houden, nederig te leven, opdat zij vele dagen mochten wonen in het land, waar zij vreemdelingen waren. Nederigheid en tevredenheid in onbekendheid zijn dikwijls de beste politiek en de beste bescherming van de mens.
d. Opdat zij gewapend mochten zijn tegen verzoekingen tot weelde en zinnelijkheid, de grote zonde van die tijd en de plaats waar zij woonden. Jonadab zag een algemeen zedenbederf, Ephraim was vol dronkaards, en hij was bevreesd, dat zijn kinderen door hen verleid en bedorven zouden worden, en daarom legde hij hun de plicht op, met elkaar te leven, in afzondering op het land, en opdat zij zich niet tot ongeoorloofde genoegens zouden begeven, zich ook het genot van geoorloofde te ontzeggen. Zij moesten zeer sober, matig en gehard zijn, wat hun gezondheid naar lichaam en geest zou bevorderen, hun vele en rustige levensdagen zou geven, dagen van troostrijke overdenkingen in het land hunner vreemdelingschap. De overweging, dat wij vreemdelingen en pelgrims zijn, moet voor ons een reden zijn, ons te onthouden van alle vleselijke lusten, om ons te verheffen boven het zinnelijke leven, en er op neer te zien met een edelaardige verachting, waartoe wij door genade bekwaamd worden. Opdat zij voorbereid mochten zijn op tijden van ramp en onheil. Jonadab, kon, zonder de geest van de profetie, de vernietiging van een volk voorzien, dat zo treurig ontaard was, en hij wilde, dat zijn geslacht zou zorgen, dat zij vrede hadden, zo al niet door de vrede van Israël dan toch te midden van zijn ellende. Daarom moeten zij weinig te verliezen hebben, dan zouden de tijden, waarin alles verloren ging, te minder vreselijk zijn, zij moesten zich niet hechten aan wat zij hadden, dan zou het hun minder pijn doen er van beroofd te worden. In de beste conditie om te lijden zijn zij, die van de wereld afgestorven zijn, en een leven van zelfverloochening leven.
e. Opdat zij in `t algemeen mochten leren te leven naar vaste regels en onderworpen aan tucht. Het is voor ons allen goed om dat te doen, en onze kinderen te leren dat ook te doen. Zij, die lang leven zoals Jonadab waarschijnlijk gedaan had, toen hij deze last aan zijn nakomelingschap achterliet, kunnen uit ervaring spreken van de ijdelheid van de wereld en van de gevaarlijke strikken, die zij spant in overvloed van rijkdom en genoegens, en daarom moet men met eerbied naar hen luisteren, als zij waarschuwen, die na hen komen, om op hun hoede te zijn.
II. Hoe strikt zijn nakomelingschap deze regels in acht nam, vers 8-10. Allen hadden zij, ieder in zijn geslacht, het gebod van hun vaders bevestigd en gedaan naar alles, wat hij hun geboden heeft. Zij dronken geen wijn hoewel zij in een land woonden, waar overvloedig wijn was, hun vrouwen en kinderen dronken geen wijn, want, die zelf matig zijn, moeten zorgen, dat allen, onder hun toezicht, het ook zijn. Zij bouwden geen huizen, bebouwden geen grond, maar leefden van de voortbrengselen van hun vee. Dit deden zij, deels uit gehoorzaamheid aan hun voorvader, en om de verering, die zij voor zijn naam en gezag hadden, en deels om de ervaring die zij zelf hadden van het voordeel van zo'n leven van zelfverloochening. Zie de kracht van de overlevering, en de invloed, die hoge ouderdom, een goed voorbeeld, en grote namen op de mensen hebben, en hoe hetgeen zeer moeilijk schijnt door langdurige gewoonte en toepassing gemakkelijk en tot een tweede natuur wordt.
1. Betreffende een van de bijzondere regels, die hij hun gegeven had, wordt ons hier gezegd, hoe zij, door de omstandigheden gedwongen, zich veroorloofden er van af te wijken, vers 11. Als de koning van Babel naar dit land optoog met zijn leger, verlieten zij hun tenten, hoewel zij er tot nu toe in gewoond hadden, en kwamen naar Jeruzalem om daar te wonen, in de huizen, die zij krijgen konden. De regels van een strikte tucht moeten niet te strikt gemaakt worden, maar zo, dat zij geschorst kunnen worden, als de noodzakelijkheid dat eist, waarin het wijsheid is, uitdrukkelijk te voorzien bij het afleggen van zo'n gelofte, opdat de weg te duidelijker moge zijn, en wij niet later gedwongen worden te zeggen: "Het was een dwaling," Prediker 5:6 Geboden van die aard moeten met zulke beperkingen verstaan worden. Deze Rechabieten zouden God verzocht en Hem niet vertrouwd hebben, als zij niet de juiste middelen hadden aangewend voor hun eigen veiligheid in een tijd van algemenen rampspoed, ondanks de wet en gewoonte van hun geslacht.
2. Aangaande de andere bijzondere regel, wordt ons hier verhaald, dat zij, ondanks de grootste aandrang, vromelijk er aan vasthielden. Jeremia bracht hen in de tempel, in de kamer van een profeet, met opzet niet in de kamer van de oversten, die er naast was, omdat hij een boodschap van God had, die beter als zodanig zou begrepen worden, als zij overgebracht werd in de kamer van een "man Gods." Daar vroeg hij de Rechabieten niet alleen, of zij wijn wilden drinken, maar hij zette hun "koppen vol wijn en bekers voor," om uit te drinken, hij maakte de verzoeking zo sterk mogelijk, en zei: "Drinkt wijn," het zal u niets kosten. Gij hebt een van de regels van uw wet verbroken, door te Jeruzalem te komen wonen, waarom kant gij deze ook niet verbreken, en zolang gij in de stad zijt, doen, zoals iedereen daar doet? Maar zij weigerden beslist. Zij weigerden eenstemmig. Neen, wij "zullen geen wijn drinken, " want dat is tegen onze wet. De profeet wist zeer goed, dat zij het zouden weigeren, en toen zij het deden, drong hij niet verder aan, want hij zag, dat zij vast stonden in hun besluit. Verzoekingen, die dagelijks te sterk blijken voor hen, die, ondanks hun overtuiging, niet vast staan op het pad van de deugd, zijn krachteloos tegenover mensen van beproefde matigheid.