Richteren 4:10-16
I. Hier roept Barak vrijwilligers op, en had zijn contingent spoedig bijeen, vers 10. Debora had hem bevolen een leger van tien duizend man op de been te brengen, vers 6, en terstond had hij dit aantal krijgers aan zijn voeten, die hem volgden en onder zijn bevelen stonden. Van God wordt gezegd, dat Hij ons roept aan Zijn voeten, Jesaja 41:2, dat is: tot Zijn gehoorzaamheid. Sommigen denken dat het betekent, dat zij allen voetknechten waren, eh over het algemeen bestonden de legers van de Joden ook alleen uit voetvolk, waardoor de onevenredigheid in sterkte tussen hen en hun vijanden (die paarden en wagens hadden) zeer groot was, en de overwinning des te meer luisterrijk. Maar de tegenwoordigheid van God en Zijn profetes was meer dan voldoende om tegen die onevenredigheid op te wegen. Barak had zijn mannen aan zijn voeten, hetgeen te kennen geeft, dat zij goedsmoeds waren en hem gaarne volgden, waar hij ook heenging, Openbaring 14:4. Hoewel op de stammen van Nafthali en Zebulon voornamelijk gerekend was, blijkt toch uit Debora's lied, dat ook uit andere stammen sommigen tot hem gekomen waren, van Manasse en Issaschar, en dat er meer verwacht werden, die niet kwamen, van Ruben, Dan en Aser, Hoofdstuk 5:14-17. Maar deze worden hier voorbijgezien, en er wordt ons alleen gezegd dat om zijn tienduizend man waarlijk tot krachtdadige mannen te maken, Debora met hem optrok. Het elfde vers betreffende het vertrek van Heber, het hoofd van een van de huisgezinnen van de Kenieten, uit de woestijn van Juda, in het zuiden, waar deze geslachten zich hadden gevestigd, Hoofdstuk 1:16 naar de noordelijke provincie moet tot inleiding dienen van hetgeen volgt betreffende de daad van Jael, een vrouw uit dat gezin.
II. Sisera, bericht hebbende ontvangen van Baraks bewegingen, trekt te velde met een zeer talrijk en machtig leger, vers 12, 13. Zij boodschapten Sisera. Sommigen denken, dat dit ziet op de Kenieten, van wie onmiddellijk tevoren melding gemaakt is, vers 11. Zij gaven Sisera kennis van Baraks plaats van bijeenkomst, daar er toen vrede was tussen Jabin en dat geslacht, vers 17. Of zij dit nu al of niet als een vriendelijkheid voor hem bedoeld hebben het diende om in vervulling te brengen wat God door Debora gezegd had, vers 7 :Ik zal Sisera tot u trekken. Sisera's vertrouwen berustte voornamelijk op zijn wagens, daarom wordt er bijzonder nota van genomen, negen honderd ijzeren wagens, met zeisen aan de assen bevestigd, die, als zij in een leger van voetvolk reden, een schrikkelijke slachting aanrichtten. Zo vernuftig zijn de mensen geweest in het uitdenken van middelen om elkaar te verdelgen, ten einde toe te geven aan de wellusten, waarvan krijgen en vechterijen komen.
III. Debora geeft bevel om de vijand aan te vallen, vers 14. Josephus zegt dat toen Barak Sisera's leger opgesteld zag, pogingen doende om de berg te omsingelen, op welks top hij met zijn krijgsmacht gelegerd was, de moed hem ontzonk en dat hij besloot zich naar een veiliger plaats terug te trekken, maar Debora moedigde hem aan om een aanval op Sisera te doen, hem verzekerende dat dit de dag was, in Gods raad bepaald voor zijn nederlaag. Nu zij het verschrikkelijkst en dreigendst schijnen, zijn zij rijp voor het verderf. Het is zó zeker, dat de zaak zal geschieden dat zij alreeds geschied schijnt te zijn de Heere heeft Sisera in uw hand gegeven. Zie hoe het werk en de eer van deze grote krijgsverrichting verdeeld zijn tussen Debora en Barak: zij, als het hoofd, geeft het woord van bevel hij, als de hand, doet het werk. Zo heeft God Zijn gaven onderscheidenlijk uitgedeeld, 1 Corinthiers 12:4 en verv. Maar hoewel gewoonlijk de man hoofd van de vrouw is, 1 Corinthiers 11:3, heeft het Hem, die van de Geest overig heeft, behaagd, de handen te kruisen, het hoofd te plaatsen op schouders van de vrouw, het zwakke van de wereld verkiezende, ten einde het sterke te beschamen, opdat geen vlees zou roemen voor Zijn aangezicht. Het was goed voor Barak om Debora bij zich te hebben, want zij vulde aan wat er in hem ontbrak:
1. In hem te leiden, door tot hem te zeggen: Dit is de dag.
2. Om hem te bemoedigen, door hem de verzekering te geven van Gods tegenwoordigheid: "Is de Heere niet voor uw aangezicht heen uitgetogen? Durft gij niet volgen, als gij God zelf tot uw aanvoerder hebt? Bij iedere onderneming is het goed de overtuiging te hebben, dat God voor ons heengaat, dat wij in de weg van onze plicht en onder Zijn leiding zijn. Indien wij reden hebben te hopen dat God voor ons heen gaat, dan behoren wij goedsmoeds en blijmoedig voorwaarts te gaan. Wees niet verbaasd en verschrikt bij de moeilijkheden, die gij ontmoet in het weerstaan van Satan, in het dienen van God, of in het lijden voor Hem, want: Is de Heere niet voor uw aangezicht heen uitgetogen? Volhard dan Hem te volgen."
IV. God Zelf verslaat het leger van de vijand vers 15. In gehoorzaamheid aan Debora's bevelen trok Barak van de berg af, hoewel daar in die open vlakte de ijzeren wagens zoveel te meer voordeel op hem zullen hebben, steunende en bouwende op de Goddelijke macht zijn sterkte op de berg verlatende, want "tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte van de bergen, waarlijk in de Heere onze God alleen is Israëls heil," Jeremia 3:23. En hij werd niet teleurgesteld in zijn verwachting: de Heere versloeg Sisera. Het was niet zozeer het plotselinge en stoutmoedige strijdrumoer, waarmee Barak hun legerkamp verschrikte dat hen ontmoedigde en verstrooide, maar Gods verschrikking kwam over hun geest, en bracht een onverklaarbare ontsteltenis en verwarring onder hen teweeg. De sterren schenen tegen hen gestreden te hebben, Hoofdst 5:20. Josephus zegt dat een geweldige hagelstorm, die hen in het gezicht sloeg, hun deze nederlaag heeft toegebracht, hen buiten gevecht stellende en terugdrijvende, zodat zij een gemakkelijke prooi werden voor het leger Israëls en Debora's woorden waar werden gemaakt "De Heere heeft hen in uw hand gegeven, gij zijt nu instaat om met hen te doen wat gij wilt."
V. Kloekmoedig maakt Barak gebruik van zijn voordeel, volgt de slag op met onversaagde vastberadenheid en onvermoeide inspanning, volgt de overwinning op, en jaagt de verstrooide bende van de vijand na tot zelfs aan het hoofdkwartier van hun generaal te Haroseth, vers 16 en spaart niemand van hen, die God in zijn hand had overgegeven om verdelgd te worden, dat er niet één overbleef. Als God voor ons heengaat in onze geestelijke strijd, dan moeten wij ons benaarstigen, en als Hij ons door Zijn genade enige voorspoed geeft tegen de vijanden van onze ziel, dan moeten wij er gebruik van maken door waakzaamheid en vastberadenheid, en de heiligen oorlog met kracht voortzetten.