Jeremia 31:35-40
Heerlijke dingen zijn in de voorgaande verzen behandeld aangaande de dagen van het Evangelie, waarin de periode van de Joodse kerk, welke met de terugkeer uit de ballingschap begon, zou uitlopen, want alsdan zouden al die beloften haar volle vervulling krijgen. Maar kunnen wij op die beloften staat maken?) Ja, wij vinden hier haar bevestiging, en de uiterst denkbare verzekering, dat die zegeningen duurzaam zouden zijn. Het grote, dat ons hier verzekerd wordt, is dat, zolang de wereld bestaat, God er ook Zijn kerk zal hebben, al ziet het daarmee soms minder rooskleurig uit, ze zal weer opleven "ze is op een rots gebouwd, en de poorten van de hel zullen ze niet overweldigen." Twee dingen worden hier aangevoerd ter bevestiging van ons geloof in dit opzicht: de bouw van de wereld, en: de herbouw van Jeruzalem.
I. De bouw van de wereld, en de stevigheid en duurzaamheid van dit gebouw, zijn bewijzen van Gods macht en trouw, die de vestiging van Zijn kerk heeft gewrocht. Let,
a. op de onophoudelijke en regelmatige beweging van de hemellichamen, die God heeft geschapen en nog bestuurt: Hij geeft de zon ten licht des daags vers 35. Dat was zo bij de schepping en is nog zo want licht en warmte met al wat de zon verder uitwerkt? hangt voortdurend van de Schepper af. "Hij geeft de ordeningen van de maan en van de sterren, haar bewegingen worden ordeningen genoemd, omdat ze regelmatig en bepaald zijn". Zie Job 38:31-33.
b. Let op de heerschappij van de zee en de beteugeling harer trotse golven. "De Heere van de heirscharen klieft de zee (of, gelijk sommigen vertalen, bedwingt de zee), dat haar golven bruisen (divide et impera, verdeel en heers)". Al bruisen die nog zo woest, de Heere beteugelt ze, Jeremia 5:22, Hij maakt ze weer rustig en kalm. Wij moeten de macht Gods verheerlijken, die zich zowel in de loop van de hemellichamen als in het stillen van de golven van de zee toont.
c. Let op de uitgestrektheid des hemels en de onmetelijkheid van het firmament, wie zo'n grote wereld bestuurt, moet noodzakelijk een groot God zijn. De hemelen daarboven kunnen niet gemeten worden, vers 27, en toch vervult God ze.
d. Let op de ondoorgrondelijkheid zelfs van dat gedeelte van het heelal, hetwelk wij bewonen en dat we dus het best kennen. "De fundamenten van de aarde beneden kunnen niet doorgrond worden, want de Schepper hangt de aarde aan een niet, Job. 26:7, en wij weten niet, waarop haar grondvesten zijn neergezonken," Job 38:6.
e. Let op de onveranderlijkheid van deze ordeningen, vers 36. Deze ordeningen zullen van voor Mijn aangezicht niet wijken. Het gehele heir des hemels en van de aarde heeft Hij voortdurend in het oog. Hij heeft ze gevestigd, en zij blijven, "naar Zijn ordinantiën blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Zijn knechten" Psalm 119:90, 91. De hemel is vaak bewolkt en zon en maan menigmaal verduisterd, de aarde moge beven en de zee bruisen, maar alle bewaren zij haar plaats, zij worden bewogen, maar niet uit haar baan gerukt. Hierin moeten wij de macht, de goedheid, de trouw van de Schepper erkennen.
De vastheid van het rijk van de genade wordt hier aangetoond. Wij kunnen vertrouwen, dat "het zaad Israëls niet ophouden zal, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht alle de dagen". Het geestelijke Israël, de kerk des Nieuwen Verbonds, zal zijn "een heilig volk, een verkregen volk," 1 Petrus 2:9. Wanneer Israël naar het vlees niet langer een volk zal zijn, "worden de kinderen van de beloftenis voor het zaad gerekend", Romeinen 9:8, en de Heere zal het gehele zaad Israëls niet verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, vers 27, al hebben zij ook zeer goddelooslijk gehandeld. Hij kon ze naar recht allen verwerpen, maar dat wil Hij niet. Hoewel Hij ze uit hun land gebannen en voor een tijd terneergeworpen had, toch zal Hij ze niet verwerpen. Sommigen uit hen verwerpt Hij, maar niet allen, hierop schijnt de apostel te zinspelen, Romeinen 11:1. Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre. Want, vers 5, er is dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, voldoende om de belofte gestand te doen, dat God niet het gehele zaad Israëls verwerpt, of schoon Hij velen heeft verworpen om hun ongeloof. Dit geloof kan bij ons gesterkt worden door de overweging,
a. Dat die God die het behoud van de kerk heeft besloten, een almachtig God is, "die alle dingen draagt door het Woord van Zijn macht. Onze hulpe is in de naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft en dus alles vermag."
b. Dat God al deze zorg voor de wereld draagt, omdat Hij zich daardoor heerlijkheid bereidt, hoe kan dat, zo Hij niet Zijn kerk in stand houdt, een volk, "dat Hem zal zijn tot een naam en lof?"
c. Dat indien de ordinantiën van de schepping zo wel bevestigd zijn, dat alles tot op de huidige dag voortbestaat en geen wijziging ondergaan, wijl ze geen wijziging behoeven, ook het rijk van de genade onveranderlijk zal blijven bestaan, gelijk Hij het heeft ingesteld.
d. Dat Hij, die beloofd heeft, Zich een kerk te bewaren, Zijn woord is getrouw gebleven, dat Hij gesproken heeft aangaande de duurzaamheid van de wereld. Hij, die het verbond met Noach en zijn zonen heeft gehouden, omdat het "een verbond was tot eeuwige geslachten," Genesis 9:11, 12, zal Die ontrouw worden van Zijn verbond met Abraham en zijn zaad, zijn geestelijk zaad, want ook dit verbond is "een eeuwig verbond." Zelfs hun zonden, al zijn ze vele en groot, zullen Zijn genadevolle bedoelingen met Zijn verbond niet vernietigen, zie Psalm 89:30 enz.
II. De wederopbouw van Jeruzalem, dat nu in puin lag, en de herstelling en bevestiging van de stad zou een teken zijn van de grote dingen, die God aan de kerk des Nieuwen Verbonds, het hemelse Jeruzalem, vers 38-40 doen zou. De dagen komen, al blijven zij nog lang uit, dat,
1. Jeruzalem geheel herbouwd zal worden, zo groot als het ooit is geweest. De afmetingen worden hier nauwkeurig aangegeven, die de grens vormden. Ongetwijfeld besloot de muur, die Nehemia bouwde, en, om de profetie stipt te vervullen, bij de toren Hananeël begon, Nehemia 3:1, zoveel ruimte als hier staat aangewezen, hoewel wij niet in staat zijn, te zeggen, waar al die gebouwen, "de Hoekpoort, de heuvel Garob" enz. gestaan hebben.
2. Wanneer het gebouwd was, zou het aan God en Zijn dienst toegewijd worden. Deze stad zal de Heere herbouwd worden, vers 38, zelfs de voorsteden en aangrenzende velden, zullen de Heere een heiligheid zijn. Het zal niet meer, als vroeger, door afgoden verontreinigd worden, maar God zal er geprezen en geëerd worden. De gehele stad zal als het ware een tempel, een heilige plaats zijn, gelijk het nieuwe Jeruzalem, dat daarom geen tempel heeft, omdat het geheel en al tempel is. 3. Krachtens Gods belofte gebouwd en aan Zijn dienst gewijd, "zal niets weer uitgerukt noch afgebroken worden in eeuwigheid", dat is: het zal zeer lang blijven bestaan. De tijd vau de herbouw van de stad tot haar eindelijke verwoesting zal niet korter wezen dan die van David tot aan de ballingschap. Maar deze belofte zou haar volle vervulling verlangen in de kerk des nieuwen verbonds. Die is, als het geestelijk Israël, dat God nimmermeer zal verwerpen, de heilige stad, en daarom "zal daar niets weer uitgerekt noch afgebroken worden in eeuwigheid." Ze moge, gelijk het aardse Jeruzalem, een tijd lang woest liggen, maar ze zal weer opgebouwd worden, zal alle stormen en onweders trotseren, en "de poorten van de hel zelfs zullen ze niet overweldigen."