Jeremia 2:29-37
De profeet gaat op dezelfde wijze voort en tracht het zondige volk tot berouw te brengen, opdat zijn verwoesting moge voorkomen worden.
I. Hij bevestigt de waarheid van de beschuldiging. Zij was blijkbaar ontegensprekelijk, het zou de grootst denkbare ongerijmdheid van hen zijn om dat te willen ontkennen, vers 29. Waarom twist gij tegen Mij? en stelt mij op de proef, of waarom wilt gij er toe overgaan om op enige verontschuldiging te pleiten van de misdaad of enige verzachting van het vonnis? Uw pleidooi zal zeker mislukken en het vonnis tegen u uitgesproken worden. Gij weet dat gij allen tegen Mij hebt overtreden, de een zowel als de ander, waarom wilt gij dan met Mij twisten?
II. Hij bezwaart haar door de beschouwing beide van hun onverbeterlijkheid en hun ondankbaarheid.
1. Zij zijn onder de oordelen Gods, die over hen kwamen, niet verbeterd, vers 30. Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen, dat is: de kinderen of het volk van Juda. Zij zijn onder verscheidene kastijdingen van Godswege geweest. God bedoelde daarmee hen tot berouw te brengen, maar het was tevergeefs. Zij beantwoordden niet aan het doel, waarmee God hen bedroefde, hun geweten was niet ontwaakt, hun harten werden niet vertederd of verzacht, zij waren er niet toe gedreven om God te zoeken, zij hebben de tucht niet aangenomen, waren er niet beter door geworden, en het is een groot verlies als op die wijze een beproeving verloren gaat. Zij ontvingen de kastijding niet, zij onderwierpen er zich niet aan, stemden er mee overeen, maar hun harten morden tegen de Heere, en zo waren zij tevergeefs geslagen. Zelfs hun kinderen, het jonge volk onder hen (zo moet men dit lezen) waren vergeefs geslagen, ook die waren zo afkerig van berouw dat ze even onhandelbaar als de volwassenen waren, die reeds lang gewend waren kwaad te doen.
2. Zij waren niet getroffen door het woord van God, dat Hij tot hen gezonden had door de mond van Zijn knechten de profeten, neen, maar zij hadden ter wille van de boodschap de boodschappers gedood. Uw eigen zwaard heeft uw profeten verteerd als een verscheurende leeuw, gij hebt hen tot loon voor hun getrouwheid ter dood gebracht met evenveel woede en hartstocht, met evenveel gretigheid en vermaak, als een leeuw zijn prooi verscheurt. Hun profeten, die hun grootste zegeningen waren, werden door hen behandeld alsof zij de voornaamste plagen van hun geslacht waren, en dit was hun zonde die de maat deed overlopen, 2 Kronieken 36:16. "Zij doodden hun eigen profeten," 1 Thessalonicenzen 2:15.
3. Zij waren niet ontroerd door de weldaden welke God hun bewezen had, vers 31. 0 geslacht! (hij spreekt hen niet aan, zoals hij rechtmatig had kunnen doen: O ongelovig en verdraaid geslacht! Of: o geslacht van adderengebroedsels! maar Hij spreekt vriendelijk: O mensen van deze tijd!) aanmerkt toch des Heeren woord, hoor het niet slechts, maar let er op, neem het ter harte. Evenals ons gezegd wordt "de roede te horen," Micha 6:9, omdat de roede een stem heeft, zo wordt ons bevolen het woord aan te merken of te zien, want het woord heeft zijn visioenen. Er wordt mee te kennen gegeven dat hetgeen hier gezegd wordt duidelijk en onweerlegbaar is, gij kunt zien dat het in `t oog springt, het is geschreven als met een zonnestraal, al wie er even naar ziet kan er in lezen: Ben Ik Israël een woestijn geweest of een land van de uiterste donkerheid? Niemand die ooit met God enigszins gemeenschap gehad heeft, kreeg reden om zich te beklagen dat Hij voor hem een woestijn of een land van uiterste donkerheid was. Hij heeft ons gezegend met de vruchten van het aardrijk, en wij kunnen dus niet zeggen dat Hij een wildernis voor ons was, een droog en dor land, dat Hij ons (zoals Dr. Gataker het uitdrukt) ons gevoed heeft met hard gras als het rundvee op de heigrond. Neen, Hij heeft Zijn schapen in grazige weiden geleid. Hij heeft ons gezegend met het licht des hemels en ons dat niet onthouden, zodat wij niet kunnen zeggen dat Hij voor ons een land van duisternis was. Hij heeft Zijn zon laten schijnen en Zijn regen doen nederdalen over bozen en goeden. Of de bedoeling is in het algemeen, dat de dienst van God nooit voor iemand een onaangename of onvoordelige dienst is geweest. Soms heeft God Zijn volk door een woestijn en een land van donkerheid geleid, maar dan was Hij zelf voor hen al wat zij behoefden, Hij spijsde hen zo met manna en leidde hen zo met Zijn vuurkolom, dat het voor hen een land van vruchtbaarheid en licht werd. De wereld is voor hen, die haar tot hun deel en tehuis maken, een woestijn en een land van donkerheid, ijdelheid en vermoeiing des geestes, maar voor hen, die in God zijn, vallen de snoeren in lieflijke plaatsen.
4. In plaats van door die zegeningen ontroerd te zijn, werden zij onuitstaanbaar beledigend en aanmatigend. Zij zeiden: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot u komen. Nu zij een machtig koninkrijk geworden waren of zich ten minste verbeeldden dat te zijn, gingen zij op eigen benen staan en schudden de afhankelijkheid van God af. Het is de taal van verharde zondaars, en zij is niet alleen zeer goddeloos en schandelijk, maar ook hoogst onredelijk en dwaas.
a. Het is ongerijmd voor ons, die onderdanen zijn, om te zeggen: Wij zijn heren, dat is, regeerders, wij willen niet meer tot God komen om van Hem geboden te ontvangen, want gelijk Hij van eeuwigheid Koning is, zo zal Hij ook eeuwig Koning blijven en wij kunnen nooit voorwenden dat wij niet langer onder Zijn gezag staan.
b. Het is ongerijmd voor ons, die bedelaars zijn, om te zeggen: Wij zijn heren, dat is: wij zijn rijk en willen niet langer tot God komen om van Hem gunsten te ontvangen, alsof wij zonder Hem konden leven en niet onophoudelijk Zijn voorzienigheid nodig hebben. God wordt terecht zeer vertoornd, indien zij, voor wie Hij altijd een milde weldoener is geweest, niet meer van Hem willen spreken of horen.
III. Hij geeft de schuld van al hun goddeloosheid aan hun vergeten van God, vers 32. Mijn volk heeft Mij vergeten. Zij hebben kunstmatig alle gedachte aan God uit hun ziel verbannen, zij hebben hun hersens gevuld met gedachten aan hun ijdele afgoden, en alles vermeden wat hen aan God zou kunnen herinneren.
1. Ofschoon zij zijn eigen volk waren, in verbond met Hem en belijdende tot Hem in betrekking te staan en of schoon zij de tekenen van Zijn tegenwoordigheid en van Zijn gunst in hun midden hadden, nochtans vergaten zij Hem.
2. Zij hadden Hem verwaarloosd dagen zonder getal, wij zouden zeggen, men kan zich niet herinneren hoe lang. Zij hadden sedert vele jaren niet meer ernstig aan Hem gedacht, zodat zij Hem nu geheel schenen vergeten te hebben en besloten waren zich Zijner niet meer te herinneren. Hoevele dagen van ons leven zijn voorbijgegaan zonder dat wij aan God gedacht hebben? Wie kan het getal van deze ledige dagen uitspreken?
3. Zij hadden niet zoveel aandacht en genegenheid voor God als een jong meisje gewoonlijk voor haar sierlijke klederen heeft. Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Neen, die stellen er het hart op, zij waarderen die zo en zijn er zo aan gehecht dat zij er voortdurend aan denken en er over spreken. Wanneer zij in het openbaar moeten verschijnen, vergeten zij haar versierselen niet, maar tooien er zich geheel mede, zoals ons beschreven is in Jesaja 3:18 v.v. Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten. Het is recht treurig dat iemand meer liefde kan hebben voor mooie klederen dan voor God, en eer afstand doen van zijn godsdienst dan van zijn sieraden. Is God niet ons sieraad? Is Hij niet een kroon van heerlijkheid en een diadeem van schoonheid voor Zijn volk? Indien wij Hem als zodanig beschouwden, en onze godsdienst hielden voor "een aangenaam toevoegsel voor ons hoofd en ketenen aan onze hals," Spreuken 1:9, dan zouden wij er zoveel zorg voor dragen als een jonkvrouw voor haar versiersel en een bruid voor haar bruidstooi, wij zouden even begerig zijn om hem nauwkeurig te bewaren als om er in het openbaar mee te verschijnen.
IV. Hij doet hen zien welk een slechte invloed hun zonden hebben op anderen. De zonden van Gods uitverkoren volk verharden hen, die op boze wegen wandelen en moedigen hen aan, voornamelijk wanneer Gods kinderen in de zonde optreden als voorgangers, vers 33. Wat maakt gij uw weg goed daar gij boelering zoekt? Dat is een zinspeling op lichtzinnige vrouwen, die er naar trachten zich aan te bevelen door haar wellustige blikken en opzichtige kleding, gelijk Isebel, die haar aangezicht blankette en haar hoofd kapte. Zo verlokken zij haar omgeving tot zondige gemeenschap met haar en met haar afgoderijen en leren de slechten haar wegen, de wegen om Godsinstellingen te vermengen met haar afgodische zeden en gebruiken, hetgeen een grote belediging is van hetgeen heilig is en haar afgodische wegen erger maakt dan die van anderen. Deze hebben zeer zware verantwoording die anderen doen deelhebber aan de onvruchtbare werken van de duisternis en hen daardoor nog slechter maken dan zij zelf zijn.
V. Hij beschuldigt hen van moord gevoegd bij hun afgoderij, vers 34. Ja in uw zomen is gevonden het bloed van de zielen, het levensbloed van de onschuldige nooddruftigen, dat ten hemel schreit, en waarnaar God nu onderzoek instelt. Dit ziet op de kinderkens, die aan de Moloch geofferd waren, of meer algemeen op al het onschuldige bloed, dat Manasse vergoten had, en waarmee hij Jeruzalem vervuld had, 2 Koningen 21:16, het rechtvaardige bloed, voornamelijk dat van de profeten en anderen getuigen tegen hun ongerechtigheden. Dit bloed was niet gevonden bij nauwkeurig onderzoek, niet door opgraven, het was aan die alle, het lag boven op de bodem. Dit duidt aan dat deze schuld zeker en bewezen was, niet twijfelachtig noch betwistbaar. Het was toegestemd en voor ieder te zien, zij hadden niet eens schaamte of vrees genoeg gehad om pogingen aan te wenden om het te verbergen, en dat was een grote verzwaring van hun schuld.
VI. Hij gaat nog eens hun pleitrede: "Niet schuldig!" na. Of schoon de zaak zo duidelijk is, toch zegt gij: Zeker, ik ben onschuldig, Zijn toorn is immers van mij afgekeerd, en wederom: Gij zegt: Ik heb niet gezondigd, vers 35. Daarom, zie, Ik zal met u rechten, en u van uw vergissing overtuigen. Omdat zij de beschuldiging ontkennen en hun eigen rechtvaardigheid staande houden, daarom zal God met hen pleiten en hen overtuigen, beide door Zijn Woord en door Zijn roede. Die zullen hen bekendmaken hoezeer zij zich bedriegen.
a. Die verwachten dat God met hen verzoend zal worden ofschoon zij geen berouw hebben en zich niet bekeren.
b. Die zeggen dat zij onschuldig zijn en God niet beledigd hebben, ofschoon zij aan de grootste zonden schuldig staan. De eersten erkennen dat zij onder de tekenen van Gods ongenoegen zijn geweest, maar zij menen dat dit zonder oorzaak was, en dat zij onschuldig zijn omdat zij het betuigen te zijn, en daaruit besluiten zij dat God Zijn toorn tegen hen onmiddellijk zal inbinden en dat Zijn wraak van hen zal afgekeerd worden. Dat is zeer uitdagend, en God zal met hen rechten en hen overtuigen dat Zijn toorn rechtvaardig is, want zij hebben gezondigd en Hij zal nooit ophouden hun tegenstander te zijn, totdat zij, inplaats van aldoor zichzelf op die wijze te rechtvaardigen, nederig zichzelf oordelen en veroordelen.
VII. Hij verwijt hun de schandelijke teleurstellingen die zij ontmoet hebben, toen zij schepselen tot hun vertrouwen stelden en God tot hun vijand maakten, vers 36, 37. Dat was een soort van geestelijke afgoderij, waaraan zij zich dikwijls schuldig gemaakt hadden dat zij vlees tot hun arm stelden en daardoor hun harten van de Heere vervreemdden. Hier laat hij zien hoe dwaas dat was.
1. Zij waren rusteloos en onvoldaan door de keus van hun vertrouwen. Wat rust gij veel uit, veranderende uw weg? Zonder twijfel doet gij dat omdat gij in hen, op wie gij vertrouwd hebt, niet dat hebt gevonden wat gij uzelf beloofd hadt. Zij die God tot hun hoop maken en wandelen in gestadige afhankelijkheid van Hem, hebben geen behoefte om gedurig hun weg te veranderen, want hun zielen mogen tot Hem gaan en in Hem blijven als in hun rust. Maar zij, die op het schepsel vertrouwen, zijn voortdurend onrustig gelijk de duif van Noach, die geen rust vond voor de holte van haar voet. Elk ding, waarop zij betrouwen, begeeft hen, en zij denken telkens het uit te ruilen voor iets beters, maar zij worden gedurig teleurgesteld. Eerst vertrouwden zij op Assyrië, maar dat bleek een gebroken rietstaf te zijn, daarna steunden zij op Egypte, maar dat was niet beter. Aangezien schepselen ijdelheid zijn, zullen zij de uitputting des geestes zijn voor allen die hun vertrouwen op hen stellen, deze moeten veel reizen, zoekende rust zonder die te vinden.
2. Zij waren meermalen teleurgesteld in degenen in wie zij hun vertrouwen gesteld hadden, en de profeet zegt hun dat dit weer het geval zou zijn: "Gij zult ook van Egypte beschaamd worden waarop gij nu vertrouwt, gelijk gij van Assur beschaamd zijt, dat u benauwde maar niet hielp," 2 Kronieken 28:20. De Joden waren een bijzonder volk, door de godsdienst die zij beleden, en daarom stelde geen van de naburige volken belang in hen of kon hen hartelijk liefhebben, en toch waren de Joden steeds bezig hen te behagen en op hen te vertrouwen, en lieten zich gedurig door hen bedriegen. Zie hier wat daarvan komt: Gij zult ook van hier uitgaan, uw gezanten en deputaten zullen van Egypte terugkeren teleurgesteld en daarom met de handen op het hoofd, ten teken van hun rouw over de jammerlijke toestand van hun volk. Of: Gij zult van hier gaan, dat is: in gevangenschap gaan in een vreemd land, met uw handen op uw hoofd, het vast houdende omdat het pijn doet (waar de pijn is wordt de vinger gelegd). Of omdat het volk beschaamd was, gelijk Thamar, door haar leed overstelpt, "haar hand op haar hoofd legde", 2 Samuël 13:19. En Egypte, waarop gij u verliet, zal niet in staat zijn te voorkomen dat gij in ballingschap gaat of u er uit kunnen verlossen. Zij, die niet in godvruchtig leedgevoel hun hand op hun hart willen leggen, waardoor het leven gewekt wordt, zullen genoodzaakt worden hun hand op hun hoofd te leggen in droefheid naar de wereld, die de dood werkt. En het is geen wonder dat Egypte hen niet kan helpen indien God hen niet helpen wil. Zo de Heere niet helpt, wie zal het dan doen? De Egyptenaren zijn gebroken rietstaven, want de Heere heeft al uw vertrouwen verworpen, Hij zal hen niet van enig nut doen zijn tot uw gunste, Hij zal hen niet eens zoveel eren of zoveel uw vertrouwen op hen wettigen, dat zij enigszins zijn werktuigen u ten goede zullen zijn. En daarom zult gij daarmee niet gedijen, zij zullen u in geen enkel opzicht enige voldoening geven. Indien er geen raad of wijsheid tegen de Heere bestaan kan, dan is er ook geen die zonder Hem iets kan uitwerken. Sommigen lezen hier: De Heere heeft u om uw vertrouwen verworpen, omdat gij Hem zo ontrouw behandeld hebt door uw vertrouwen op schepselen te stellen, ja zelfs op zijn vijanden, terwijl gij op Hem alleen hadt moeten vertrouwen, zo heeft Hij u overgelaten aan die verwoesting, waartegen gij meende u te beveiligen, en daarom kunt gij niet voorspoedig zijn, want nooit heeft iemand zich tegen God verhard of is van Hem afgeweken, en is voorspoedig geweest.