Jeremia 29:1-7
Hier wordt ons meegedeeld:
I. Dat Jeremia, in de naam des Heeren, naar de ballingen in Babel schreef. Jechonia had zich gevangen gegeven met de koningen en kamerlingen, "de vorsten van Juda en Jeruzalem, die toen tot de bedrijvigste lieden behoorden, de timmerlieden en smeden, naar de koning van Babel geëist had, opdat de overblijvenden geen macht zouden behouden om de stad te versterken en zich van wapentuig te voorzien". Door deze gedeeltelijke onderwerping hoopte Nebukadnezar het volk gedwee te maken. "Satis est prostrasse leoni. Het is de leeuw voldoende zijn tegenpartij neergelegd te hebben." Maar de oorlogszuchtige veroveraar wordt door dit toegeven begerig, gelijk Benhadad tegenover Achab, 1 Koningen 20:5-6. Hiermede niet tevreden komt hij, na die uittocht uit Jeruzalem, terug en haalt meer oudsten, priesters, profeten en volk weg, vers 1. Zulke namelijk als hij geschikt achtte en zijn soldaten konden machtig worden. De toestand van deze gevangenen was diep treurig, te meer, omdat ze, in onderscheiding van hun broeders, die noch achterbleven, groter zondaars schenen dan die nog te Jeruzalem woonden. Jeremia schrijft hun daarom een brief om hen te troosten, en verzekert hen, dat zij geen reden hadden, te wanhopen aan verlossing, of hun broederen die niet in ballingschap gezonden waren, te benijden. Zie,
1. Het geschreven woord Gods is even gewis "door ingeving Gods geopenbaard als het gesproken, en op deze wijze verbreidde de profeet de kennis van Gods wil aan de kinderen in de verstrooiing."
2. Wij kunnen God dienen door onze vrienden, die ver weg zijn, godzalige brieven met gepaste troost en goede raad te schrijven. Zij, tot wie wij niet kunnen spreken, kunnen wij met schrijven bereiken, wat geschreven is blijft staan. De brief van Jeremia werd de gevangenen in Babel toegezonden door de hand van de gezanten, die koning Zedekia naar Nebukadnezar zond, waarschijnlijk om cijns te betalen en zijn onderwerping te vernieuwen of over vrede met hem te onderhandelen, in welks vredesverdrag de bannelingen konden hopen begrepen te zijn, vers 3. Jeremia verkoos zijn brief door zulke gezanten te sturen om zijn schrijven belangrijker te maken, omdat het een boodschap van God was, of misschien omdat er geen geregelde manier bestond om brieven naar Babel te krijgen, dan bijzondere gelegenheden als deze. Dan was de toestand de, gevangenen nog treuriger, zo zij slechts zelden iets konden horen van hun achtergelaten vrienden en betrekkingen, waardoor anders de smart van de scheiding voor beide partijen zeer verlicht wordt.
II. Ons wordt meegedeeld, dat hij schreef. Een afschrift van zijn brief volgt hier tot vers 24. In deze verzen
1. Verzekert hij hen dat hij schreef in de naam des Heeren van de heirscharen, de God van Israël, die de brief dicteerde, Jeremia was slechts secretaris of amanuensis. Het zou hun in hun ballingschap een troost zijn, te vernemen, dat God is de God van de heirscharen, en daarom in staat hen te helpen, en dat Hij nog is de God Israëls, die Zijn verbond met Zijn volk houdt, al heeft Hij een twist met hen, en al heersen hun vijanden voor het tegenwoordige over hen. Dat zou ook een vermaning voor hen zijn om op hun hoede te zijn tegen alle verleiding van de afgoderij van Babel, omdat "de God Israëls, die zij dienden, de God van de heirscharen is." Gods boodschap aan hen kan hun in hun gevangenschap een aanmoediging zijn, omdat ze blijk gaf, dat God hen nog niet had afgesneden, verlaten of onterfd, hoewel Hij een mishagen aan hen had en hen kastijdde. Indien de Heere hen had willen doden, had Hij hun geen brief doen schrijven.
2. Door die brief wijst God er op, dat Hij het is, die hen in ballingschap heeft gezonden. Ik heb u gevankelijk doen wegvoeren, vers 4, 7. Al de macht des konings van Babel was daartoe onmachtig geweest, zo God het hem niet geboden had, ook kon Babel geen macht tegen Juda hebben, zo die niet van Boven gegeven ware. Indien God hen gevankelijk had doen wegvoeren, dan konden zij er zeker van zijn, dat Hij hun geen onrecht deed noch hen verderven wilde. Zie, het zal ons helpen, ons met onze rampen te verzoenen en geduldig te maken, als wij bedenken, dat het God is, die ze ons toezendt. "Ik heb mijn mond niet geopend, want &ij hebt het gedaan."
3. Hij gebiedt hun, aan niets anders te denken dan te Babel zich te vestigen en er zich zo goed mogelijk thuis te gevoelen, vers 5,6. Bouwt huizen en woont daarin, enz. Daardoor wordt hun te kennen gegeven,
a. Dat zij geen hoop moesten koesteren op een spoedige terugkeer uit hun ballingschap, want dat zou hen onrustig en een kalm leven onmogelijk maken. Zij zouden zich dan aan geen bezigheid met alle macht overgeven, geen gemak hebben, maar zich immer vermoeien en hun onderdrukkers prikkelen door verwachtingen van bevrijding. Hun teleurstelling zou hen eindelijk wanhopig en hun toestand veel ellendiger maken dan die anders nog zijn kon. Laat ze derhalve er op rekenen, nog jaren lang in Babel te blijven en zich in de omstandigheden zo goed zij kunnen schikken. Laat hen bouwen, en planten, en trouwen, en hun kinderen uithuwelijken, als waren zij in hun eigen land. Laat hen genoegen scheppen in de welvaart en de vermenigvuldiging hunner gezinnen, want al kunnen zij zelf niet beter verwachten dan in ballingschap te sterven, wellicht zullen hun kinderen betere dagen beleven. Indien zij God vreesden, wat zou hen verhinderen, in Babel rustig en vreedzaam te leven? "Zij kunnen soms alleen wenen als zij gedenken aan Zion". Maar laat dat wenen hen niet verhinderen te zaaien, "laat ze niet treuren als die geen hope hebben," want hoop en blijdschap hebben ze beide. Zie, in alle levensomstandigheden is het wijs en onze plicht, zo wij ons daarin schikken en de troost niet wegwerpen, die wij genieten kunnen, om hetgeen wij moeten ontberen. Wij hebben een ingeschapen voorliefde voor ons vaderland, ze beheerst ons op onweerstaanbare wijze, maar het is met een "nescio qua dulcedine, wij kunnen van die zoete aantrekking geen rekenschap geven." Daarom, wanneer de Voorzienigheid ons naar een ander land overbrengt, moeten wij besluiten daar rustig te wonen, ons aan de omstandigheden te gewennen, al zijn die niet in ieder opzicht naar onze smaak. "Zo de aarde des Heeren is, dan verlaat een kind Gods nooit zijns Vaders bezitting, waarheen het ook gaat. Patria est ubicunque bene est, ons vaderland is overal waar het goed is." Al zijn vele dingen niet wat zij plachten, wij moeten, in plaats van daarover ontevreden te zijn, in de hoop leven, dat ze beter zullen worden dan ze nu zijn. "Non si male nunc, et olim sic erit, al lijden wij nu, wij zullen niet immer lijden."
b. Dat ze zich niet ongerust mochten maken met vrees voor onduldbare verdrukking in hun gevangenschap. Zij konden gemakkelijk onderstellen (gelijk mensen, die in moeilijkheden verkeren, altijd het ergste vrezen), dat het vergeefs zou zijn, huizen te bouwen, want hun heren en meesters zouden hen daarin niet laten wonen, noch de vrucht van de wijngaarden eten, die zij zouden geplant hebben. "Vreest niet", zegt God, "indien gij vreedzaam in hun midden verkeert, zullen zij u welwillend behandelen." Zachtmoedige en bedaarde lieden, die hun eigen werk doen en zich daarbij bepalen, ontmoeten vaak betere behandeling, zelfs onder vreemdelingen en vijanden, dan ze verwachten, en "God gaf hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden," Psalm 106:46. Te bejammeren zou het zijn, huizen te bouwen en daarin niet te mogen wonen. Ja,
4. Hij vermaant ze zelfs, het goede te zoeken voor het land, waarin ze als ballingen verkeerden, vers 7, daarvoor te bidden en deszelfs belangen te behartigen. Daardoor werd hun verboden, iets te ondernemen tegen het welvaren van Babel, zolang zij onderdanen van Babels koning waren. Ofschoon deze een heiden, een afgodendienaar, een onderdrukker, een vijand Gods en van Zijn kerk was, toch moesten zij hem zolang hij hun bescherming verleende, gehoorzaamheid bewijzen, gerust en vreedzaam onder Zijn oppermacht verkeren, "in alle godzaligheid en eerbaarheid," geen plannen smeden om zijn juk af te werpen, maar het geduldig aan God overlaten, wanneer Hij op zijn tijd verlossing zenden zou. Ja, zij moesten God bidden om de vrede voor de plaatsen, waar zij woonden, opdat de vriendelijkheid van de Babyloniërs bestendigd werde, en de kwade naam weggenomen, als waren ze "de koningen en landschappen schade aanbrengende en afval stichtende," Ezra 4:15. Beide, de voorzichtigheid van de slang en de oprechtheid van de duiven werden vereist om de heerschappij, waaronder zij leefden, getrouw te zijn, Want in haar vrede zult gij vrede hebben, vers 7. Mocht het land hunner ballingschap in oorlog gewikkeld worden, de zouden ze in de ellende van die krijg in de eerste plaats begrepen zijn. Zo hebben de eerste Christenen, naar het voorschrift van hun heiligen godsdienst, gebeden voor de gestelde machten, al waren dat ook vervolgende machten. En, zo zij bidden moesten en het goede zoeken voor de landen, waarhenen zij gebannen waren, des te meer reden hebben wij hetzelfde voor ons vaderland te doen, nu wij onder een goed bestuur staan, in welks vrede wij vrede hebben. Ieder passagier heeft belang bij de veiligheid van het vaartuig.