Jeremia 29:15-23
Nadat Jeremia grote bemoediging had gegeven aan hen onder de gevangenen, die hij kende als ernstig en welgezind, hen verzekerende, dat God jegens hen vriendelijke en gunstige bedoelingen had, wendt zich nu tot diegenen, die de raad en de troost van Jeremia versmaadden en vertrouwden op hetgeen, waarmee de valse profeten hen gevleid hadden. Als deze brief van Jeremia kwam, zouden zij aanstonds zeggen: "Waarom zou hij zoveel drukte maken, om ons raad te geven? De Heere heeft ons profeten naar Babel verwekt, vers 15. Wij zijn met deze profeten tevreden en verlaten ons op hen, wij hebben geen behoefte aan profeten in Jeruzalem." Welk een onbeschaamde goddeloosheid tonen deze lieden! Zoals de profeten, wanneer ze leugenen profeteerden, zeiden dat ze die van God hadden, zo zei het volk, als het die profeten aanhing om door hen gevleid te worden, eveneens, dat de Heere hun die profeten had verwekt. Wij kunnen integendeel zeker zijn, dat zij, die het volk in zijn zonden stijven, en hen met ongegronde hoop op Gods barmhartigheid misleiden, geen profeten zijn, door God gezonden. Deze eigenmachtige profeten verkondigden, dat niemand meer gevankelijk zou weggevoerd worden, en dat de reeds weggevoerden welhaast zouden terugkeren. In antwoord hierop,
1. Voorspelt de profeet thans de algehele ondergang dergenen, die te Jeruzalem waren gebleven, ondanks hetgeen die valse profeten anders verkondigden. "Wat de koning aangaat en het volk, dat in de stad woont, die, naar gij meent gereed staan om u bij uw terugkomst te verwelkomen, gij zult bedrogen uitkomen". Het een oordeel na het andere zal over hen komen, zwaard, honger en pestilentie die menigten zullen afsnijden, en de arme en ellendige overblijvenden, zullen alle koninkrijken van de aarde overgegeven worden, vers 16, 18. God zal ze maken tot, of liever: behandelen als slechte vijgen. Zo hebben zij zichzelf gemaakt door hun goddeloosheid, en als zodanig zal God ze behandelen, daar het zout smakeloos geworden is, en nergens toe deugend, buitengeworpen wordt gelijk verrotte vijgen. Dit ziet op het visioen en de profetie van Hoofdstuk 24. En de reden van deze bezoeking over hen is dezelfde, als die reeds vaak genoemd is, en die God rechtvaardigen zal in het eeuwig verderf van onboetvaardige zondaars, vers 19. Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben. Ik heb geroepen, maar zij hebben geweigerd.
2. Hij voorspelt het oordeel Gods over de valse profeten in Babel, die Gods volk aldaar bedrogen. Hij richt zich tot alle kinderen van de gevangenschap, die zich over hen beroemden als profeten, door God verwekt, vers 20 :Staat stil en hoort de vloek over de profeten, waarop gij zo gesteld zijt, Achab en Zedekia, vers 21.
Merk op:
a. De misdaden, waarvan zij beschuldigd worden, goddeloosheid en zedeloosheid: Zij profeteren u valselijk in mijn naam, vers 21. En wederom, vers 23 :Zij hebben het woord valselijk in mijn naam gesproken Liegen was slecht, het volk Gods beliegen om het met een valse hoop in slaap te sussen, erger, maar hun leugens als Gods Woord aan de man te brengen het ergst van alles. Geen wonder, dat zij zulks durfden doen, die zich lieten meeslepen door die lage lusten, waaraan God ze, in Zijn rechtvaardig oordeel, had overgegeven. "Zij hadden een dwaasheid in Israël gedaan en overspel bedreven met de vrouwen van hun naasten." Overspel is dwaasheid, zoveel erger, wanneer ze in Israël begaan wordt, nog erger, wanneer diegenen er zich aan schuldig maken, die profeten heten, en door zulke goddeloosheid hun eigen beweringen logenstraffen. Nooit zendt God zulke losbandige ellendelingen om Zijn boodschappers te zijn. "Hij is de Heere God van Zijn heilige profeten, en niet van zulke zedeloze lieden". Het blijkt nu duidelijk, waarom zij anderen in hun zonden vleiden, namelijk omdat hen te bestraffen hun eigen veroordeling zou zijn. Hun ontuchtig gedrag wisten ze behendig voor het oog van de wereld te verbergen, op hun goeden naam te bewaren, maar "Ik ben degene, die het weet, en een getuige daarvan spreekt de Heere." De geheimste zonden zijn Gode bekend, Hij ziet de ontucht, ook al wordt zij met de dichtste mantel van huichelarij bedekt. De dag komt, dat God aan het licht zal brengen al de verborgen werken van de duisternis, en ieder mens met al zijn doen en denken openbaar worden.
b. De oordelen waarmee zij bedreigd worden: Nebukadnezar de koning van Babel, zal ze voor uw ogen slaan, ja, hij zal ze een ellendige dood doen sterven, namelijk aan het vuur braden, vers 22. Wij kunnen veronderstellen, dat Nebukadnezar ze niet om hun goddeloosheid en ontuchtigheid zo streng strafte, maar om opstand en de pogingen van enige woelgeesten om zich tegen de koning te verzetten. Zoveel van hun goddeloosheid zal dan openbaar worden, en op zo'n ellendige wijze zullen zij hun leven verliezen, dat hun naam ten vloek zal zijn onder de ballingen in Babel, vers 22. Wanneer men iemand, die men haatte, het grootst mogelijke kwaad wilde toewensen, dan kon men geen groter vloek in minder woorden uiten dan: "De Heere stelle u als Zedekia en als Achab." Zo werden zij beschaamd over de profeten, waarop zij zo trots waren geweest, en ten laatste overtuigd van de dwaasheid, naar hen geluisterd te hebben. Gods getrouwe profeten werden soms beschuldigd, het land te beroeren, en daarom gepijnigd en gedood, maar hun naam was een zegen, wanneer zij heengegaan waren en hun gedachtenis een verkwikking. Niet alzo de valse profeten. Gelijk misdadigers schande en verachting oogsten, zo ontvangen martelaren eer en eerlijkheid.