Jeremia 26:7-15
Men kon gehoopt hebben, dat een prediking als die in de voorgaande verzen, zo klaar en zo toepasselijk, zo redelijk en zo vol gevoel en gehouden in Gods naam, zelfs op dit volk uitwerking zou hebben, in `t bijzonder daar zij samenviel met hun godsdienstige verrichtingen, en hen zou brengen tot berouwen verbetering, maar, in plaats van hun betere gevoelens op te wekken, verbitterde zij hun verdorvenheid, als blijkt uit het verhaal van haar uitwerking.
I. Het wordt Jeremia als een misdaad aangerekend, dat hij zulk een prediking had gehouden, en hij wordt daarom als een misdadiger gegrepen. De priesters, en de valse profeten, en al het volk, hoorden Jeremia deze woorden spreken, vers 7. Het schijnt, dat zij geduld hadden, om hem ten einde toe te horen, hem niet stoorden onder de prediking, en hem niet in de rede vielen, totdat hij geëindigd had te spreken alles, wat de Heere geboden had te spreken, vers 8. Tot zover behandelden zij hem nobeler dan sommige vervolgers van Gods dienaren gedaan hebben: zij lieten hem zeggen, al wat hij te zeggen had, en toch misschien met een slecht oogmerk, in de hoop nog iets ergers te horen om hem ten laste te leggen, maar niets ergers hebbende zal dit volstaan om een aanklacht op te gronden: Hij heeft gezegd: Dit huis zal worden als Silo, vers 9. Zie hoe onjuist zij zijn woorden weergeven. Hij had gezegd in Gods naam: Zo gijlieden naar Mij niet zult horen, zo zal Ik dit huis stellen als Silo, maar zij laten Gods hand in de verwoesting (Ik zal dat doen) achterwege en hun eigen hand, daarin, dat zij niet geluisterd hebben naar de stem van God, en leggen hem ten laste dat hij de heilige plaats lasterde, hetzelfde wat onze Heere Jezus en Stefanus tot misdaad gerekend werd. Hij zei: "Dit huis zal worden als Silo". Wel mocht hij klagen, met David, Psalm 56:6 :"De gehele dag verdraaien zij mijn woorden, " wij moeten het niet vreemd vinden als wij, en wat wij zeggen en doen, zo verkeerd verstaan worden. Waar de beschuldiging zo'n zwakke grond had, is het geen wonder, dat het gevelde vonnis onrechtvaardig was: "Gij zult de dood sterven." Wat hij gezegd had stemde overeen met wat God gezegd had, toen Hij bezit nam van de tempel, 1 Koningen 9:6, 8:"Zo gijlieden u ten enenmale afkeren zult, van Mij na te volgen, zo zal Ik dit huis van Mijn aangezicht wegwerpen," en toch wordt hij veroordeeld te sterven, omdat hij het zegt. Het is niet uit overweging van de eer van de tempel, dat zij zich zo warm maken, maar omdat zij besloten zijn geen afstand te doen van hun zonden, waarin zij zichzelf vleien en zichzelf bedriegen, dat de tempel des Heeren hen beschermen zal, daarom, of het recht of onrecht is, "gij zult de dood sterven." Deze uitroep van de priesters en profeten beroerden het gepeupel, en "het gehele volk werd vergaderd tegen Jeremia, in een volksbeweging, gereed om hem in stukken te scheuren, waren om hem heen vergaderd" (lezen sommigen), liepen te hoop, roepende, de een dit, de ander dat. Degenen, die eerst tegenwoordig waren, waren verwoed tegen hem, vers 8, maar hun kreten deden er meer toelopen, alleen om te zien, wat er aan de hand was.
II. Hij werd gedaagd en beschuldigd voor het hoogste gerechtshof, dat zij kenden.
1. De vorsten van Juda waren zijn rechters, vers 10. Zij, die de zetels van de rechtspraak innamen, de stoelen van het huis Davids, de oudsten van Israël, van dit tumult in de tempel horende, gingen op uit het huis des konings, waar zij gewoonlijk zaten bij het hof, naar het huis des Heeren, om deze zaak te onderzoeken, en toe te zien, dat niets wanordelijks plaats had. Zij zetten zich bij de deur van de nieuwe poort des Heeren, en spraken recht als op speciaal bevel van het hoogste gerechtshof. 2. De priesters en profeten waren zijn vervolgers en aanklagers, en waren hevig tegen hem ingenomen. Zij beriepen zich op de vorsten en al het volk, op het hof en op de jury, of deze man niet waardig was te sterven, vers 11. De verdorven priesters en de valse profeten zijn altijd de bitterste vijanden geweest van de profeten des Heeren, zij hadden hun eigen bedoelingen na te streven, waarvoor een prediking als deze, naar hun mening een belemmering was. Toen Jeremia in het huis des konings profeteerde aangaande de val van de koninklijke familie, Hoofdstuk 22:1 enz, verdroeg het hof, hoewel zeer verdorven, dat toch geduldig, en wij vinden niet, dat zij hem er om vervolgden, maar als hij in het huis des Heeren komt, en het heilig huisje van de priesters aanraakt, en de leugens en vleierijen van de valse profeten tegenspreekt, dan wordt hij waardig geoordeeld om te sterven. "Want de profeten profeteren valselijk en de priesters heersen door hun handen," Hoofdstuk 5:31. Als Jeremia wordt beschuldigd voor de vorsten, wordt de nadruk van de beschuldiging gelegd op wat hij zei ten opzichte van de stad, omdat zij meenden, dat de vorsten zich dat het meest zouden aantrekken. Maar voor de woorden, die gesproken zijn, beroepen zij zich op het volk: "Gelijk als gij met uw oren gehoord hebt, men legge er getuigenis van af."
III. Jeremia houdt zijn pleidooi voor de vorsten en het volk. Hij gaat niet te rade om zijn woorden te verloochenen, noch om er iets af te doen, wat hij gezegd heeft, daar wil hij voor staan, al kost het hem het leven, hij erkent, dat hij geprofeteerd had "tegen dit huis en tegen deze stad," maar,
1. Hij beweert, dat hij dit deed op goedgezag, niet uit boosheid, of om oproer te maken, niet uit enige haat tegen zijn land, noch uit vijandschap tegen de regering in kerk of staat, maar: De Heere heeft mij gezonden om aldus te profeteren: zo begint hij zijn verdediging, vers 12, en zo besluit hij ze, want hier is hij besloten bij te blijven als voldoende om zich te rechtvaardigen, vers 15 :In van de waarheid, de Heere heeft mij tot u gezonden om al deze woorden te spreken. Zolang dienaren zich nauwkeurig houden aan de last, die zij van de hemel hebben, behoeven zij de tegenstand niet te vrezen, die zij van de hel of van de aarde mogen ontmoeten. Hij zegt tot zijn verdediging, dat hij slechts een boodschapper is, en dat hem geen blaam mag treffen, als hij zijn boodschap getrouwelijk overbrengt, maar hij is een bode van de Heere, aan Wien zij, zowel als hij, verantwoording schuldig waren, en daarom kan hij achting van hen eisen. Als hij slechts spreekt, wat God hem beval te spreken is hij onder de goddelijke bescherming, en elke belediging, die zij de gezant aandoen, zal door de Vorst, die hem zond, als een belediging degens Hem zelf opgenomen worden.
2. Hij toont hun, dat hij het met een goede bedoeling deed, en dat het hun schuld was, als zij er geen goed gebruik van maakten. En het werd gezegd, niet als onherroepelijk vonnis, maar opnieuw als waarschuwing, wanneer zij de waarschuwing ter harte wilden nemen, konden zij de uitvoering van het vonnis voorkomen, vers 13. Zal ik het iemand kwalijk nemen, dat hij van mijn gevaar spreekt? Terwijl ik nog gelegenheid heb het te vermijden, zal ik hem er niet veeleer mijn dank voor betuigen als voor de grootste vriendelijkheid, die hij mij bewijzen kan? "Ik heb inderdaad (zegt Jeremia) tegen deze stad geprofeteerd, maar, "maakt uw wegen en handelingen goed, dan zal het gedreigde verderf voorkomen worden, en dat was het, wat ik bedoelde met u deze waarschuwing te geven." Zeer onbillijk zijn die klagen over predikanten, omdat zij hel en verdoemenis prediken, terwijl het toch alleen is om hen buiten die plaats van foltering te houden en hen in de hemel en tot zaligheid te brengen.
3. Daarom waarschuwt hij hen voor het gevaar, dat zij lopen, als zij de handen aan hem slaan, vers 14. "Wat mij betreft, wat er mij gebeurt, doet er niet veel toe, ziet, ik ben in uw handen, gij weet, dat ik het ben, ik heb geen macht, en geen invloed, om u tegen te staan, ook is het niet zozeer van belang voor mij, om mijn leven te redden: doet mij als het recht is in uw ogen, als ik ter slachtbank geleid word, zal het zijn als een lam". Het past Gods dienaren, die vurig zijn in hun prediking, kalm te lijden en zich onderdanig te gedragen jegens de over hen gestelde wachten, al vervolgen zij hen. Maar, wat hen betreft, zegt hij hun, dat zij zelf gevaar lopen, als zij hem ter dood brengen: gij zult gewis onschuldig bloed brengen op u, vers 15. Zij konden denken, dat het doden van de profeet zou helpen om de profetie teniet te doen, maar het zou een ellendig bedrog blijken te zijn, het zou slechts hun schuld verzwaren en hun ondergang verhaasten. Hun eigen geweten moest hun wel voorhouden, dat, als Jeremia door God gezonden was (wat zeker het geval was) om hun deze boodschap over te brengen, zij het grootste gevaar liepen, wanneer zij hem als een boosdoener behandelden. Die Gods dienaren vervolgen, benadelen niet zozeer hen, als zichzelf.