Jeremia 19:10-15
De boodschap van vergelding, in de vorige verzen aangekondigd, wordt hier versterkt, om ingang te doen vinden, op dubbele wijze:
I. Door een zichtbaar teken. De profeet moet een aarden kruik, vers 1, nemen, en toen hij zijn boodschap had overgebracht, moest hij de kruik in stukken breken, vers 10, en dezelfden die de rede hadden gehoord, moesten nu ook het teken zien. Hij had, in het vorige hoofdstuk, het volk met pottenbakkersklei vergeleken, die gemakkelijk gekneed kon worden. Maar sommigen konden zeggen: Het is met ons gedaan, wij hebben te lang ons verhard. En al zij dat zo, zegt de profeet, de pottenbakkerskruik wordt in de hand van een man even spoedig gebroken als de kruik misvormd, wanneer ze in de hand des bakkers is. Alleen is het veel erger, dat de gedroogde en geharde kruik, wanneer die gebroken is, niet weer kan geheeld worden, terwijl de kruik in des bakkers hand, hoewel verkeerd gekneed, nog kan goedgemaakt worden. Misschien zal wat ze zien, meer indruk maken dan wat zij alleen horen bespreken, dat is de bedoeling van de sacramenten en het symbolisch onderwijs van de oude dag. In de verklaring van dit teken meest hij de tevoren uitgesproken beschuldiging herhalen, met een herinnering aan de plaats, waar ze was genoemd, namelijk het dal van Tofeth.
1. Gelijk de kruik gemakkelijk, onweerstaanbaar en onherstelbaar gebroken werd, zo zei Juda en Jeruzalem door de Chaldeeuwse heirscharen gebroken worden, vers 11. Zij steunden zeer op de kracht van hun gestel en de onwankelbaarheid van hun moed, die zij zo gehard achtten als een koperen vat, maar de profeet toont hun aan, dat door dat alles een hardheid was ontstaan als die van een harde kruik, die bros en spoediger gebroken wordt dan een minder harde. Al waren zij vaten ter ere, toch waren zij vaten van klei, en zo moesten zij beseffen, dat zij God en zichzelf onteerd hebben en niet aan het doel beantwoord, waartoe zij geschapen waren. God zelf is het die hen had gemaakt en hen nu aan het verderf overlevert. "Ik zal dit volk en deze stad verbreken in stukken breken als een pottenbakkerskruik, het vonnis van de heidenen", Psalm 2:9, Openbaring 2:27 maar nu Jeruzalems vonnis, Jesaja 30:14. "Een pottenbakkerskruik, eens gebroken, kan niet weer geheeld worden." De verwoesting van Jeruzalem zal een algehele verwoesting zijn, geen hand kan ze herstellen dan die ze gebroken heeft.
2. Dit werd in Tofeth gedaan, om tweeërlei te beduiden:
a. Dat Tofeth de verslagenen zou ontvangen: "Zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven". Als er een andere plaats geweest ware, zouden zij ze daar begraven, en niet op een plaats, waar het vuil van de stad heengevoerd werd. Ook werd wel gelezen: "Zij zullen ze in Tofeth begraven, totdat er geen plaats meer zal zijn om te begraven. Men zal als twisten om een plek voor de doden, slechts een enge plaats zal gelaten worden voor degenen, die bij hun leven huis aan huis, en akker aan akker trokken." "Degenen, die wensten alleen geplaatst te worden in het midden van de aarde, toeft zij boven de grond verkeerden, en anderen op een afstand hielden, zullen met een grote menigte samenliggen, nu ze onder de grond komen, want hun aantal zal ontelbaar zijn".
b. Dat Tofeth zou zijn een beeld van de gehele stad, vers 12. Ik zal de stad stellen als een Tofeth. Gelijk zij het dal van Tofeth hadden vervuld met de verslagenen, die zij de afgoden hadden geofferd, zo zal God de gehele stad vervullen met verslagenen, die zouden vallen als slachtoffers van Gods rechtvaardigheid. Wij lezen, 2 Koningen 23:10, van Josia, die Tofeth ontwijdde omdat het tot afgoderij misbruikt was, door het namelijk met mensenbeenderen te vervullen, vers 14. Wat het tevoren ook geweest zij voortaan was het een verfoeilijke plaats. Dode lichamen en andere afval uit de stad werd daar heen gevoerd, en een vuur werd brandende gehouden om alles te verteren. Zulk een dal was het, waarheen Jeremia gezonden werd om te profeteren, en voor zo'n afschuwelijke plaats werd het aangezien, dat het in de taal van Jezus' dagen werd genoemd, "Gehenna, het dal van Hinnom". "Nu", zegt God, "wijl die gezegende reformatie, toen Tofeth ontheiligd werd, geen behoorlijker voortgang gehad heeft noch doorgedrongen is, maar de afgoden van Tofeth, die afgeschaft en tot verfoeiing gemaakt waren, toch te Jeruzalem gebleven zijn, daarom zal Ik met de stad doen wat Josia met Tofeth heeft gedaan, namelijk ze met dode lichamen vervullen en tot een hoop vuilnis maken". Zelfs de huizen van Jeruzalem en die van de koningen, de koninklijke paleizen niet uitgezonderd, zullen, gelijk de plaatsen van Tofeth, onrein worden, vers 13, en dat om dezelfde reden, namelijk de daar bedreven afgoderij. Wijl zij de afgoden niet door reformatie willen ontwijden, zal God hen door verwoesting verderven "omdat zij op de daken van de huizen gerookt hebben voor al het heir des hemels." De platte daken hunner huizen werden door vrome lieden soms gebruikt als geschikte plaatsen voor het gebed, Handelingen 10:9, en door afgodendienaars om vreemde goden te offeren, vooral "het heir des hemels: zon, maan en sterren, opdat zij er daar zo veel dichter bij waren en ruimer, helderder gezicht op hadden. Wij lezen van hen, die zich nederbuigen op de daken voor het heir des hemels, Zefanja 1:5, en van altaren op het dak van de opperzaal van Achaz", 2 Koningen 23:12. Die zonde op de daken van de huizen bracht de vloek in de huizen, die er door verteerd en tot een mesthoop gemaakt werden gelijk Tofeth.
II. Door een plechtige herhaling en bevestiging van hetgeen hij in het voorhof van des Heeren huis had gesproken, vers 14, 15. De profeet keerde van Tofeth naar de tempel terug, die op de heuvel boven dat dal stond en bevestigde daar, wat hij in het dal van Tofeth had gezegd, ten diepste dergenen, die het daar niet gehoord hadden, wat hij had gezegd, had hij in volle ernst gesproken. Gelijk menigmaal tevoren, verzekert hij hun het oordeel, dat over hen komt en wijst op de oorzaak: hun zonde. Beide worden hier in weinige woorden samengevat, met verwijzing naar wat was voorafgegaan.
1. De vervulling van de profetie is het gedreigde oordeel. Het volk vleide zich met de illusie dat God beter zou zijn dan Zijn woord, dat Zijn bedreiging bedoeld was om hen bang te maken en in bedwang te houden. De profeet zegt hun evenwel, dat wie zo denken zich misleiden. "Want, zo zegt de Heere van de heirscharen, die Zijn woord gestand kan doen, Ik zal over deze stad en over al haar steden, alle kleinere steden die bij Jeruzalem als de hoofdstad behoren, al het kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb." Zie, wat men ook in tegenovergestelde zin moge denken, de oordelen van Gods voorzienigheid zullen aan de bedreigingen van Zijn woord beantwoorden, en God zal tegen de zonde en de zondaren even geducht optreden als de Schrift voorzegt. Het ongeloof van de mensen zal noch Zijn beloften noch Zijn dreigementen van kracht beroven of enigszins doen verslappen.
2. De verachting voor de profetie is hier de zonde, waarvan zij worden beschuldigd, als de naaste oorzaak van dit oordeel. Het is, "omdat zij hun nek verhard hebben, en niet wilden buigen en bukken onder het juk van Gods wet, om Zijn woorden niet te horen, dat is: er geen acht op wilden slaan noch gehoorzaamheid betonen". Zie, de hardnekkigheid des zondaars in hun zondige wegen is geheel hun eigen schuld, als hun nek verhard is, is dat hun eigen doen, zij hebben die verhard, als zij doof zijn voor het woord van God, is het omdat zij hun oren toegestopt hebben. Wij moeten derhalve God bidden, dat Hij, door Zijn genade, ons verlosse van de hardheid onzes harten en van de verachting voor Zijn woord en ordinantiën.