Jeremia 16:1-9
De profeet is hier tot een teken voor het volk. Zij wilden geen acht geven op wat hij zei, dan beproefd of zij willen acht geven op wat hij doet. In `t algemeen moest hij zich in alles zo gedragen als paste aan iemand, die binnen zeer korte tijd zijn land verwoest meende te zullen zien. Dat voorspelde hij, maar weinigen gaven acht op de voorspelling, daarom moet hij tonen, dat hij zelf van de waarheid er van ten volle verzekerd is. Anderen gaan voort met hun gewone zaken, maar in `t vooruitzicht van deze droeve tijden, is hem het huwelijk, rouw om de doden en alle vrolijkheid verboden, en daarom laat hij dat alles na. Die anderen willen overtuigen en treffen door het woord van God, moeten, ook al eist dat van hen de grootste zelfverloochening, tonen, dat zij het zelf geloven en er door getroffen zijn. Als wij anderen tot zekerheid willen brengen, en hen overhalen om los te worden van de wereld, dan moeten wij zelf van de tijdelijke dingen afgestorven zijn en tonen dat wij de ontbinding ervan verwachten.
I. Jeremia mag niet huwen, en er niet aan denken een huisgezin te hebben en huisvader te zijn, vers 2. Gij zult u geen vrouw nemen, en geen zonen noch dochteren hebben in deze plaats, noch in het land van Juda, noch te Jeruzalem, noch te Anathoth. De Joden waren, meer dan enig ander volk, trots op hun vroege huwelijken en hun talrijke nakomelingschap. Maar Jeremia moet leven als vrijgezel, niet zo zeer ter ere van de ongehuwde staat als ter vermindering ervan. Hieruit blijkt, dat het alleen raadzaam en gepast was in rampspoedige tijden en tijden van aanstaande nood, 1 Corinthiers 7:26. Dat het dat is, is een deel van de ramp. Er kan een tijd komen, dat er gezegd wordt: "Zalig zijn de buiken, die niet gebaard hebben," Lukas 23:29. Als wij zulke tijden zien komen, is het voor iedereen, maar vooral voor profeten, van belang, dat men zo weinig mogelijk ingewikkeld is in de zaken van dit leven en bezwaard met dingen, die hoe dierbaarder ze hun zijn, des te meer zorg geven, en vrees, en smart. De reden, die hier gegeven wordt is, dat de vaders en de moeders, de zonen en de dochteren, pijnlijke doden zullen sterven, vers 3, 4. Zij, die vrouwen en kinderen hebben,
1. Zullen daardoor zozeer belemmerd worden, dat zij die doden niet ontvlieden kunnen. Een man alleen kan ontsnappen en weet zich te redden, terwijl hij, die vrouw en kinderen heeft, de middelen niet kan vinden om ze met zich te voeren en het ook niet over zijn hart kan krijgen ze achter te laten.
2. Zij zullen onophoudelijk in verschrikking zijn, uit vrees voor die doden, en hoe meer zij er door te verliezen hebben, zoveel groter zal hun schrik en ontsteltenis zijn, als de dood overal verschijnt, in triomfantelijke praal en macht.
3. De dood van ieder kind en de verzwarende omstandigheden daarvan, zal voor de vader weer een nieuwe dood zijn. Het is beter geen kinderen te hebben, dan ze groot te brengen voor en ze uit te leveren aan "de doodslager" Hosea 9:13, 14, dan ze in ellende te zien leven en sterven. De dood is smartelijk, maar de ene dood is smartelijker dan de andere, zowel voor hen, die sterven, als voor de betrekkingen, die hen overleven, daarvandaan lezen wij van "zulk een groots doodsgevaar," 2 Corinthiers 1:10. Twee dingen dienen gewoonlijk om de schrik des doods op deze wereld een weinig te verminderen en te verlichten, en de bittere pil te verzoeten-namelijk het bewenen en het begraven van de doden, maar om het recht smartelijk te maken, zullen beide ontbreken: "Men zal ze niet beklagen, maar zij zullen weggenomen worden, alsof iedereen ze moede was, ja, zij zullen niet eens begraven worden, maar blijven liggen, alsof zij bestemd waren gedenktekenen van de rechtvaardigheid te zijn". "Zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, niet alleen verachtelijk, maar walgelijk, alsof zij nergens toe dienden de om de grond te bemesten, en als zij verteerd zijn, sommigen door het zwaard en anderen door de honger, "zullen hun dode lichamen het gevogelte des hemels en het gedierte van de aarde tot spijze zijn". Zou men dan niet zeggen: Het is beter zonder kinderen te zijn, dan te leven om ze zo te zien omkomen? Hoeveel reden hebben wij niet te zeggen: Het is al ijdelheid en kwelling des geestes, als die schepselen, waarvan wij onze grootste troost verwachtten, niet alleen onze grootste zorg, maar ook ons zwaarste kruis zullen blijken!
II. Jeremia mag niet in het klaaghuis gaan bij gelegenheid van de dood van een van zijn buren of betrekkingen, vers 5 : Ga niet in het huis desgenen, die een rouwmaaltijd houdt. Het was gewoonte rouw te bedrijven met hen wier verwanten dood waren, ze te bewenen zichzelf te snijden en kaal te maken, wat gewoonlijk gedaan werd als een uiting van rouw, hoewel verboden door de wet, Deuteronomium 14:1. Ja, het gebeurde, dat men de verwanten van de dode geschenken gaf, deels ter ere van de overledene, waarmee zij te kennen gaven, dat men veel aan hem verloren had, deels uit medelijden met de achterblijvende verwanten, wie op die wijze het verlies enigszins vergoed werd. Zij waren gewoon met hen te rouwen en hen "te troosten over een dode," zoals Jobs vrienden met hem deden en de Joden met Martha en Maria, en het was een vriendelijkheid hun "te drinken te geven uit de troostbeker," een versterkende drank voor hen klaar te maken en hen met ernst te dringen ervan te drinken, om zich staande te houden, wijn te geven aan hen, die bezwaard van harte zijn over hun vader of over hun moeder, opdat zij getroost mogen worden, als zij zien dat, al hebben zij hun ouders verloren, zij toch nog vrienden hebben, die om hen denken. Dat was het gebruik en het was een prijzenswaardig gebruik. Het is een goede dienst jegens anderen en nuttig voor onszelf, om naar het klaaghuis te gaan. Het schijnt, dat de profeet Jeremia overvloedig was geweest in zulk soort diensten en het paste bij zijn karakter van vroom man en van profeet, men zou denken, dat het hem meer bemind had moeten maken dan hij schijnt geweest te zijn. Maar nu zegt God hem de dood van zijn vrienden niet te bewenen als gewoonlijk, want,
1. Zijn smart om de verwoesting van zijn land in `t algemeen moet geen plaats overlaten voor de smart over enkele doden in `t bijzonder. Zijn tranen moeten nu in een ander kanaal stromen, en daar is reden genoeg toe.
2. Hij had niet veel reden om hen te beklagen, die juist stierven, voordat de oordelen die hij voor de deur zag, hun intrede deden maar wel om hen gelukkig te achten, die bijtijds werden weggenomen voor de komst van het kwaad.
3. Dit was een teken van wat in aantocht was, als er zo'n algemene verwarring zou zijn, dat alle vriendschapsbewijzen jegens buren zouden achterwege blijven. Men zal zo dikwijls in doodsgevaar zijn en dagelijks zullen er zo veel sterven, dat zij geen tijd, geen plaats, geen moed zullen hebben voor de plechtigheden, die de dood plachten te vergezellen. De smarten zullen zo groot zijn, dat zij geen verlichting toelaten, en iedereen zo vol van zijn eigen ellende, dat hij geen gedachte zal hebben voor zijn buren. Dan zullen allen treuren en niemand troosten, iedereen zal genoeg te doen hebben met zijn eigen last te dragen: Want Ik heb van dit volk weggenomen Mijn vrede, vers 5, een volkomen einde gemaakt aan hun voorspoed, hen beroofd van gezondheid, rijkdom, rust en vrienden, en alles waarmee zij zichzelf en anderen konden troosten. Alle vrede, die wij genieten, is Gods vrede, het is Zijn gave, en als Hij rust geeft, wie zal ze verstoren? Maar, als wij geen goed gebruik van Zijn vrede maken, kan en zal Hij allen wegnemen, en waar blijven wij dan? Ik zal Mijnen vrede wegnemen, zelfs "Mijn goedertierenheid en barmhartigheden, " welke de levende stromen zijn, waaruit al hun levende stromen voortkomen, en dan is het gedaan. Die zichzelf buiten Gods gunst plaatsen, snijden zich af van alle ware vrede. Als God Zijn goedertierenheid en barmhartigheid van ons wegneemt, dan is alles weg. Dan volgt er: Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, vers 6, het land, dat eens het land van de levenden genoemd werd. Gods gunst is ons leven: neem die weg, en wij geven de geest, wij vergaan, wij allen vergaan.
III. Jeremia moet niet gaan in een huis des maaltijds, zo min als in een klaaghuis, vers 8. Het was zijn gewoonte geweest, en het was een onschuldige gewoonte, als een van zijn vrienden een partij gaf aan zijn huis en hem er op uitnodigde, "om bij hen te zitten, niet alleen om te drinken, maar om te eten en te drinken, matig en vrolijk". Maar nu mag hij die vrijheid niet nemen.
1. Omdat de tijd er niet naar was, en het niet overeen kwam met Gods beschikkingen ten aanzien van dat land en volk. God riep met luide stem om te wenen, te weeklagen en te vasten, Hij kwam tot hen met Zijn oordelen, en het was tijd voor hen om zich te vernederen, en wel paste het de profeet, die hun de aanzegging overbracht, hun het voorbeeld te geven, hoe zij die moesten opnemen, en er zich naar gedragen, om aldus te tonen, dat hij het zelf geloofde. Dienaren behoren voorbeelden te zijn van zelfverloochening en afsterving, en zichzelf getroffen te tonen door de schrik des Heeren, waarmee zij anderen wensen te treffen. En het betaamt allen zonen van Zion met haar te lijden in haar beproevingen, en niet vrolijk te zijn als zij verslagen is, Amos 6:6.
2. Omdat hij het volk aldus tonen moest, welke droeve tijden over hen kwamen. Zijn vrienden verwonderden zich, dat hij niet bij hen wilde komen in het huis des maaltijds, zoals hij gewoon was te doen. Maar hij laat hun weten, dat het een wenk voor hen is, dat er spoedig een eind zal komen aan hun feestmalen. "Ik zal doen ophouden de stemme van de vreugde. Gij zult niets hebben om een maaltijd te houden, niets om vrolijk over te wezen, maar gij zult omringd zijn door rampen, die uw vrolijkheid zullen vergallen en er een domper op zetten." God is in staat wegen te vinden om de uitbundigste tam te maken. "Het zal geschieden in deze plaats, in Jeruzalem, "die de vrolijk huppelende stad placht te zijn en dacht, dat al haar vreugde zeker was. Het zal geschieden voor uw ogen, in uw gezicht, om u een kwelling te zijn, die er nu zo hooghartig en vrolijk uitziet. Het zal geschieden in uw dagen, gij zult het zelf beleven." De stem des lofs hadden zij doen ophouden door hun ongerechtigheid en afgoderijen, en daarom was het billijk, dat God onder hen deed ophouden "de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap." De stem van Gods profeet werd niet gehoord, werd niet geacht onder hen en daarom zal "de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de liederen, die ter ere van de bruiloft gezongen worden, niet meer onder hen gehoord worden", zie Hoofdstuk 7:34.