Jeremia 13:22-27
Hier wordt:
I. Ondergang bedreigd als tevoren, dat de Joden in ballingschap zullen gaan en de ellende van bedelarij en slavernij zullen smaken, ontkleed zullen zij worden, hun zomen ontdekt bij gebreke van opperklederen om die te bedekken, en hun hielen zullen geweld lijden, omdat zij geen schoenen bezitten, vers 22. Zo placht men krijgsgevangenen te behandelen, naakt en barrevoets, Jesaja 20:4, werden zij in ballingschap weggevoerd. Nu zo in een vreemd land te zijn gebracht, zouden zij verstrooid worden, gelijk een stoppel, die doorgaat, door een wind van de woestijn, en niemand zal ze weer samenbrengen, vers 24. Indien de stoppel het vuur ontgaat, zal de wind hem wegvoeren. Als het een oordeel hen niet bereikt, zal een ander hen treffen, die zich door zonde aan stoppelen gelijk gemaakt hebben. Zij zullen van al hun versierselen beroofd en van de schande ten prooi worden, gelijk vrouwen, die hoererij bedreven, hun schande zou gezien worden, vers 26. Zij verbergen hun hoogmoed niet, zo zal God hun schande ten toon stellen, en zo zullen allen, die aan hun zonden hebben deelgenomen, over hen beschaamd zijn.
II. Een onderzoek, door het volk ingesteld naar de oorzaak van deze rampen, vers 22. Gij zult zeggen in uw hart (en God weet een juist antwoord te geven op wat de mens in zijn hart denkt, al spreekt hij het niet uit: Jezus, kennende hun gedachten, antwoordde hun: "waarom overdenkt gij kwaad in uw harten?" Mattheus 9:4.) Welke gedachte komt in hun hart op?
1. Dat een zondaar twist met God en weigert bestraffing te ontvangen. Zij konden niet inzien, dat zij iets hadden gedaan, waardoor zij God tot toorn verwekt hadden. Zij durfden dat niet uitspreken, maar in hun hart beschuldigden zij God van onrechtvaardigheid, als had Hij groter ellende over hen gebracht dan zij verdienden. Zij zoeken naar de oorzaak hunner rampen, terwijl ze, als ze niet blind waren geweest, die gemakkelijk hadden kunnen zien. Of
2. Van een zondaar, die tot God wederkeert. Als er maar enige tijd een boetvaardige gedachte in hun hart opkwam (bijvoorbeeld) "Wat heb ik gedaan?" Hoofdstuk 8:6. Waarom overkomt mij deze smart? Waarom twist God met mij?) dan neemt God daar nota van, en zijn Geest is gereed om die overtuiging te verdiepen, opdat men, de zonde ontdekt hebbende er berouw over hebbe.
III. Een antwoord op dit onderzoek. God wordt gerechtvaardigd als Hij spreekt en zal ons er toe brengen, dat wij Hem rechtvaardigen, en daarom stelt Hij de zonde van de zondaars voor hun ogen, Psalm 50:21. Als zij vragen: "Waarom overkomt mij dit alles?" dan leren zij verstaan, dat dit alles hun eigen schuld is.
1. Het is om de veelheid hunner ongerechtigheden, vers 22. God vertoornt zich niet om enkele fouten, maar om grove, ergerlijke zonden, om de grootheid hunner overtredingen, om het gruwelijke daarvan, allerlei zonde en telkens en telkens weer bedreven, zwaar en menigmaal. Sommigen denken, dat de veelheid van onze kleine zonden groter gevaar opleveren dan de gruwelijkheid van onze ergere overtredingen, van beide kan men zeggen: "Wie zal de afdwalingen verstaan?"
2. Om de hardnekkigheid, waarmee zij de zonde bedreven, om hun gewoon-zijn daaraan, bleef hun zo goed als geen hope over, dat zij er van verlost werden, vers 23. Zal ook een Moorman zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken? De huid des Moormans is en blijft zwart, de vlekken van de luipaard zijn een met zijn huid. Vuil kan afgewassen worden, maar de natuurlijke kleur des haars kan niet gewijzigd worden, Mattheus 5:36, veel min die van de huid. Even onmogelijk is het, zedelijk onmogelijk, dit volk te verbeteren.
a. Zij hadden zich zolang reeds "aan het kwade gewend." Zij waren geleerd kwaad te doen, zij waren in de zonde opgevoed en onderwezen, zij waren haar leerlingen geweest en het was hun dagelijks bedrijf geworden. Het was zo zeer hun gewone doen, dat het hun een tweede natuur was geworden.
b. Hun profeten wanhoopten daarom, of ze hen ooit tot iets goeds brengen konden. Dat toch was hun doel, zij wilden ze overreden, op te houden kwaad te doen en leren goed te doen, maar vergeefs. Zolang waren zij gewend geweest kwaad te doen, dat het zo goed als onmogelijk voor hen was, boete te doen, zich te bekeren en goed te gaan doen. Zie, "de gewoonte van te zondigen is een machtig beletsel voor bekering". Ingekankerde ziekte is haast ongeneselijk. Wie lang gewoon is geweest, zonde te doen, heeft alle hinder van vrees of schaamte overwonnen, zijn consciëntie is toegeschroeid, de gewoonte van de zonde is tweede natuur geworden, de klem van de wet wordt niet meer gevoeld. Het is van Gods zijde rechtvaardig dezulken over te geven aan de lusten van hun eigen hart, die zo lang geweigerd hebben zich aan Zijn genade over te geven. Zonde is duisternis en misvorming van de ziel, haar smet en verkleuring. Zij is ons eigen geworden, zodat wij met geen mogelijkheid in eigen kracht van haar kunnen bevrijd worden. Maar er beslaat een almachtige genade, in staat de huid van de Moorman blank te maken, en die genade zal nimmer te kort schieten bij degenen, die in het besef van hun nood naar die genade uitgaan en er om blijven roepen.
3. Het is om hun verraderlijk zich afkeren van de God van de waarheid en hun vertrouwen op leugen, vers 25 :"Dit zal uw lot zijn, verstrooid en verdreven te worden, dit het deel uwer maten, de straf, u als bij maat en gewicht toegewezen, dit uw deel van de ellende van deze wereld, verwacht niet, daaraan te ontkomen. Gij hebt Mij vergeten, en op leugen vertrouwd, Gij hebt de gunsten vergeten, die Ik u heb geschonken, en de verplichting, die gij jegens Mij hebt, Gij hebt daarvan geen besef, geen gevoel." God vergeten is de grond van alle zonde, en de herinnering aan God is het gelukkig en hoopgevend begin van een heilig leven. "Gij hebt Mij vergeten en op leugen vertrouwd", op afgoden, op een vlesen arm, op Egypte en Assyrië, op het zelfbedrog van een arglistig hart. Waarop zij ook vertrouwen, die God verlaten, het zal blijken te zijn "een gebroken rietstaf, een gebroken bak."
4. Het is al om hun afgoderij, hun geestelijke hoererij, die zonde, die onder alle zonden een naijverig God het meest tot toorn verwekt. Zij worden aan de schande prijsgegeven, vers 26, omdat zij schandelijk gehandeld en zich daarvoor niet geschaamd hebben, vers 27. Ik heb uw verfoeiselen gezien (uwe vreselijke voorliefde voor vreemde goden, die gij met ongeduld hebt gezocht, naar welke gij gehunkerd hebt), de schandelijkheid uws hoerdoms, uw onbeschaamdheid en onverzadelijkheid, uw ijverig aanbidden dier afgoden "op heuvelen in het veld," op hoge plaatsen. Daarom wordt het wee over u uitgesproken, o Jeruzalem, ja vele weeën.
IV. Het hoofdstuk eindigt met een teder beroep op hun eigen heil. Al wordt het zo goed als onmogelijk gekeurd, dat ze nog iets goeds leren doen, vers 23, toch: zolang er leven is, is er hoop, en daarom nog eens een pleitrede tot hun behoudenis, vers 27. 1. Hij beroept zich op hun eigen begeren: "Zult gij niet rein worden?" Zie, dat is voor degenen, die door de zonde verontreinigd zijn, de grote zaak, dat ze door berouw en geloof en algehele bekering weer rein worden. Waarom worden zondaars niet gereinigd? omdat zij niet gereinigd willen worden, en daarin handelen zij hoogst onverstandig. "Zult gij niet rein worden?" Zeker zult gij ten laatste inzien, dat het wijsheid is, gewassen en gereinigd te worden.
2. Aangaande de tijd. "Hoe lang nog na dezen?"
Merk op, het is een voorbeeld van Gods wondervolle genade, dat Hij berouw en bekering van zondaars begeert, en de tijd lang vindt, eer zij daartoe besluiten. Maar het is ook een voorbeeld van wonderlijke dwaasheid van de zijde des zondaars, dat hij al maar uitstelt wat zo volstrekt noodzakelijk is, en dat hij door al dat wachten tenslotte de aangename tijd laat verlopen. Hij zegt niet, dat hij nooit gereinigd wil worden, maar nog niet hij stelt uit tot gelegener tijd, totdat het eindelijk te laat is.