Jeremia 12:14-17
De profeten brachten soms, in Gods naam, boodschappen over, beide van oordeel en genade, aan de volkeren, die aan het land Israëls grensden, maar hier is een boodschap in `t algemeen aan allen, die op hun beurt, op enigerlei wijze Gods volk onrecht aangedaan, het onderdrukt, of er over gejuicht hadden, dat het onderdrukt werd.
Merk op,
I. Wat de twist was, die God met hen had. Zij waren Zijn boze naburen, vers 14, boze naburen van Zijn kerk, en wat zij daartegen deden, beschouwde Hij als Zichzelf gedaan, en daarom noemde Hij ze Zijn boze naburen, die vriendschappelijk moesten zijn tegenover Israël, maar heel anders waren.
Merk op: Het is dikwijls het lot van goede mensen om onder boze naburen te leven, die onvriendelijk tegenover hen zijn en hen tergen, en het ziet er inderdaad slecht uit, als zij dat allemaal zijn. Die boze naburen waren de Moabieten, Ammonieten, Syriërs, Edomieten, Egyptenaren, die boze naburen voor Israël geweest waren, daar ze geholpen hadden hen te verleiden en van God af te trekken (daarom noemt God ze Zijn boze naburen) en nu hielpen ze om hen te beroven, en sloten zich bij de Chaldeën tegen hen aan. Het is rechtvaardig van God om hen tot de werktuigen van onze ellende te maken, die wij tot werktuigen van de zonde hebben gemaakt. Wat God hun ten laste legt is: "Zij roeren Mijn erfenis aan, dewelke Ik Mijnen volke Israël erfelijk toebedeeld heb", zij namen onrechtvaardiglijk wat niet hun eigendom was: ja, met heiligschendende hand namen zij voor hun eigen gebruik, wat aan Gods bizonder volk gegeven was. Hij, die gezegd heeft: "Raak Mijn gezalfde niet aan," heeft ook gezegd: "Raak hun erfenis niet aan, " het is op uw verantwoording, als ge het toch doet. Niet alleen de personen, maar ook de goederen van Gods volk zijn onder Zijn bescherming.
II. Hoe Hij met hen handelen zou.
1. Hij zou de macht, die zij over Zijn volk hadden, breken, en hen dwingen om vergoeding te geven: "Ik zal het huis van Juda uit hun midden uitrekken." Dit zou een grote gunst voor Gods volk zijn, dat gedeeltelijk door hen gevangen genomen was en gedeeltelijk tot hen gevlucht om bescherming, maar vastgehouden en tot gevangenen gemaakt was, maar het zou een grote teleurstelling voor hun vijanden zijn, die als een leeuw van zijn prooi, gerukt zouden worden. Het huis van Juda kan of wil geen stoute worsteling wagen om zichzelf te verlossen, maar God zal ze met genadige macht uitrukken, zal ze door Zijn Geest dwingen om uit te gaan en door Zijn macht hun onderdrukkers dwingen om hen te laten gaan, zoals Hij Israël uit Egypte uitrukte.
2. Hij zou dezelfde rampen over hen brengen, die zij als Zijn werktuigen over Zijn volk hadden gebracht. "Ik zal ze uit hun land uitrukken." Het oordeel begon bij Gods huis, maar het eindigde daar niet. Toen Nebukadnezar het land van Israël had verwoest, keerde hij zijn hand tegen hun boze naburen en was een gesel voor hen.
III. De genade, die God in voorraad had voor degenen, die zich bij Hem wilden voegen en Zijn volk worden, vers 15, 16. Zij hadden Gods afkerig volk verleid zich aan te sluiten bij hun afgodendienst. Als zij zich nu door het volk, dat zich bekeerde, lieten overhalen zich met hen te verenigen in de dienst van de ware en levende God, zou hun niet alleen hun vijandschap tegen Gods volk vergeven worden, maar de afstand waarop zij tevoren gehouden waren, zou verdwijnen en zij zouden met Gods volk gerekend worden. Dit werd ten dele volbracht, toen na de terugkeer uit de ballingschap, velen van het volk des lands, die Israëls boze naburen geweest waren, Joden werden, en het zou volkomen in vervulling gaan door de bekering van de heidenen tot het geloof van Christus. Hoewel onrechtvaardig behandeld. moet Israël niet onverzoenlijk tegen hen zijn, want God is het ook niet. "Nadat Ik ze zal uitgerukt hebben," rechtvaardiglijk, om hun zonden en jaloers op de eer van Israël, "zo zal Ik wederkeren, zal Mijn weg veranderen, en Mij hunner ontfermen." Ofschoon zij als heidenen geen aanspraak kunnen maken op de voorrechten van het verbond, zullen zij er toch van genieten door de barmhartigheid van de Schepper, die niettemin op hen zal zien als het werk van Zijn handen.
Merk op: Gods geschillen met Zijn schepselen, al kan men er niets tegen inbrengen, kunnen bijgelegd worden. Zij, die (als dezen) vreemdelingen zijn. geweest niet alleen, maar "vijanden door het verstand in de boze werken, kunnen verzoend worden", Colossenzen 1:21.
Merk hier op:
1. Wat de voorwaarden waren, waarop God hun gunst wilde bewijzen. Het is steeds op voorwaarde, "dat zij de wegen Mijns volks vlijtig zullen leren," dit is in `t algemeen, de wegen, die het bewandelt, als het zich als "Mijn volk" gedraagt (niet de kromme wegen, waarop zij verdwaald zijn), de wegen, die Mijn volk aangewezen zijn.
a. Er zijn goede wegen, die in `t bizonder "de wegen van Gods volk" zijn, waarop zij allen wandelen, hoezeer zij ook mogen verschillen in de keus van hun paden. De wegen van heiligheid en hemelsgezindheid, van liefde en vredelievendheid, de wegen van gebed en sabbathsheiliging, en een naarstig houden van de rechten en instellingen-deze, en dergelijke zijn "de wegen van Gods volk."
b. Die met Gods volk willen delen, en hetzelfde uiteinde hebben, moeten Zijn wegen leren en daarin wandelen, moeten letten op de regel volgens welke het wandelt en zich naar die regel schikken, moeten opmerkzaam zijn op de voetstappen, die het volgens die regel doet, en daarin treden. Door intiemer omgang met Gods volk moeten zij leren doen, zoals zij doen.
c. Het is onmogelijk de wegen van Gods volk te leren, zoals zij geleerd moeten worden, zonder veel moeite en smarten. Wij moeten deze wegen nauwlettend waarnemen en onszelf verplichten om er naarstiglijk in te wandelen, wij moeten naarstiglijk toezien, Hebreeën 12:15, en naarstig werken, Lukas 13:24. In `t bizonder moeten zij leren Gods naam eer te geven door alleen Hem plechtig aan te roepen. Zij moeten leren zeggen: "Zo waarachtig als de Heere leeft" (om Hem te erkennen, te vereren, en zich hij Zijn oordeel neer te leggen), "gelijk als zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl." Het was al erg genoeg, dat zij zelf bij Baäl zwoeren, erger, dat zij het anderen leerden, het ergst van alles, dat zij het Gods volk leerden, dat beter onderwezen was, en toch, als zij zich ten laatste willen beteren, zullen zij aangenomen worden Merk op:
d. Wij moeten niet wanhopen aan de bekering, ook van de slechtsten, zelfs niet van hen, die het middel zijn geweest om anderen te verleiden en te bederven, zelfs zij hun tot berouw gebracht worden en genade vinden. Die wij vlijtig tot het kwade verleid hebben, moeten wij even ijverig volgen in het goede. Het zal een heilige wraak op onszelf zijn, leerlingen te worden op de weg van de plicht van hen, wier leermeesters wij zijn geweest op de weg van de zonde. e. De bekering van de bedrogenen kan de gelukkige aanleiding worden tot bekering zelfs van de bedriegers. Zo worden soms, die samen in de gracht gevallen zijn, samen gered.
2. Wat zullen de tekenen en de vruchten zijn van deze gunst, als zij zich tot God keren en God Zich tot hen keert.
a. Zij zullen aan hun land teruggegeven en daarin opnieuw gevestigd worden, vers 15. Ik zal ze wederbrengen een ieder tot zijn erfenis. Dezelfde hand, die ze uitrukte, zal ze weer planten.
b. Zij zullen recht krijgen op de geestelijke voorrechten van Gods Israël. "Als zij gewillig zijn, en de wegen van Mijn volk leren," zich schikken naar de regels en zich houden binnen de perken van mijn familie, "zo zullen zij in `t midden Mijns volks gebouwd worden." Zij zullen niet alleen gebracht worden te midden van hen, om een naam en een plaats te hebben in het huis des Heeren, waar een voorhof van de heidenen was, maar zij zullen gebouwd worden in `t midden van hen, zij zullen met hen verenigd worden, de vroegere vijandschap zal vernietigd worden, zij zullen onder hen, beide gebouwd en ingelijfd worden. Zie Jesaja 56:5 -7. Zij, die vlijtig de wegen van Gods volk leren, zullen de voorrechten en vertroostingen van Zijn volk genieten.
IV. Wat er gebeuren zou met hen, die steeds onafscheidelijk waren van hun eigen boze wegen, hoevelen er ook om hen heen zich tot de Heere bekeerden, vers 17. Indien zij niet zullen horen, indien er onder hen zijn, die doorgaan en volhouden, zo zal Ik die natie ten enenmale uitrekken en verdoen, die natie, die familie of die persoon, spreekt de Heere. Die niet geregeerd willen worden door de genade van God zullen verdorven worden door de rechtvaardigheid van God. En, als ongehoorzame natiën verstuurd zullen worden, zoveel te meer ongehoorzame kerken waarvan betere dingen verwacht worden.