Hooglied 2:14-17
Hier is:
I. De aanmoedigende uitnodiging, die Christus geeft aan de kerk en aan iedere gelovige ziel, om in gemeenschap met Hem te komen, vers 1-4.
A. Zijn vriendin is nu zijn duif. David had de kerk "Gods tortelduif" genoemd, Psalm 74:19, en zo wordt zij hier genoemd, een duif voor schoonheid, haar vleugels zijn overdekt met zilver, Psalm 68:14, voor onschuld en argeloosheid, een vriendelijke aard is als die van een duif, die kalmte en reinheid bemint, getrouw is aan Christus, zoals de tortelduif aan haar partner. De Geest is op Christus neergedaald als een duif, en zo daalt Hij neer op alle christenen, makende dat zij van een nederige, zachtmoedige geest zijn. Zij is Christus duif, want Hij erkent haar en verlustigt zich in haar, zij kan geen rust vinden, dan in Hem en Zijn ark, en daarom keert zij tot Hem weer als haar Noach.
B. Mijn duif is in de rotskloof, in de schuilhoek van de bergwand. Dit duidt aan, hetzij:
a. Haar lof. Christus is de Rotssteen, tot wie zij de toevlucht neemt en in wie alleen zij zich veilig kan achten en zich gerust kan gevoelen zoals een duif in de kloof van een rots als de roofvogels haar vervolgen, Jeremia 48:28. Mozes werd verborgen in de kloof van de rots, om iets van Gods heerlijkheid te kunnen zien, waarvan hij anders de schittering niet had kunnen dragen. Zij trekt zich terug in het verborgene van de klof, waar zij alleen kan wezen, en ongestoord en aldus des te beter tot haar eigen hart kan spreken. Goede Christenen zullen tijd vinden om alleen te zijn. Christus heeft zich dikwijls teruggetrokken op een berg om alleen te zijn en te bidden.
b. Haar blaam. Zij kroop in de kloven van de steenrots en in het verborgene van de bergwand uit vrees en omdat zij zich schaamde, overal wilde zij gaan, waar het ook zij, om haar hoofd te verbergen daar zij geheel ontmoedigd was, zelfs de aanblik schuwende van haar Liefste, daar zij zich van haar ongeschiktheid en onwaardigheid bewust was om in Zijn tegenwoordigheid te komen en tot Hem te spreken, trok zij zich terug, en was zij als een onnozele duif zonder verstand: Hosea 7:11.
C. Christus, roept haar vriendelijk om uit haar afzondering te komen. Kom, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen. Zij kirde als een duif, Jesaja 38:14, zich beklagende als de duiven van de dalen, waar zij nabij de kloven van de overhangende rotsen zijn, kermende om haar ongerechtigheid, Ezechiël 7, 16, en weigerende om vertroost te worden. Maar Christus roept haar, om haar aangezicht op te heffen uit de gebreken, gereinigd zijnde van het kwade geweten, Job 11:15, 22:26, vrijmoedig te komen tot de troon van de genade, een grote Hogepriester daar hebbende, Hebreeën 4:16, om Hem te zeggen wat haar bede is en wat haar verzoek is. Doe mij uw stem horen, doe mij horen wat gij te zeggen hebt, wat wilt gij dat Ik u doen zal? Spreek met vrijmoedigheid, en vrees geen veronachtzaming, geen bestraffing, geen afwijzing.
D. Ter harer bemoediging zegt Hij haar welke goede gedachten Hij van haar had, wat zij ook van zichzelve mocht denken, uw stem is zoet, uw biddende stem, ofschoon gij slechts kunt piepen als een kraanvogel of zwaluw, Jesaja 38:14, zij is muziek in Gods oren, Hij heeft ons verzekerd, dat het gebed van de oprechten Zijn verlustiging is Hij rook een lieflijker reuk van Noachs offerande, en de geestelijke offeranden zijn Hem niet minder aangenaam 1 Petrus 2:5. Dit looft niet zozeer onze diensten, als wel Gods genadig aannemen ervan en de kracht van het vele reukwerk, dat met de gebeden van de heiligen geofferd wordt, Openbaring 8:3. "Deze uw gedaante, waarover gij u schaamt, is lieflijk, hoewel gij nu treurig zijt en nog veel meer zal zij lieflijk zijn, als gij blijmoedig wordt." De stem van het gebed is dan zoet en aangenaam aan God, als onze gedaante, de wandel, waarin wij ons tonen aan de mensen, heilig is, en dus in overeenstemming is met onze belijdenis, die geheiligd zijn hebben de beste lieflijkheid.
2. De last, die Christus geeft aan Zijn dienstknechten, om datgene tegen te staan en te onderdrukken, hetwelk een verschrikking is voor Zijn kerk, en haar als een arme, beangstigde duif heendrijft naar de kloven van de steenrots, en een belemmering en nadeel is voor de belangen van Zijn koninkrijk in deze wereld en in het hart, vers 15. Vangt gijlieden ons de vossen vangt ze voor ons, want het is een goede dienst beide aan Christus en aan de kerk de kleine vossen, die ongemerkt binnensluipen, want of schoon zij klein zijn, doen zij toch groot kwaad, zij beschadigen de wijnstokken, hetgeen hun volstrekt niet toegelaten moet worden om te eniger tijd te doen, maar inzonderheid nu niet: nu de wijngaarden jonge druifjes hebben, die beschermd moeten worden, of de wijnoogst zou falen. Gelovigen zijn als wijnstokken, zwakke, maar nuttige planten hun vruchten zijn als jonge druifjes in het eerst, die tijd moeten hebben om tot rijpheid te komen. Deze last, om de vossen te vangen, is:
a. Een last aan particuliere gelovigen om hun eigen bederf te doden, hun zondige lusten en hartstochten, die als vossen zijn, kleine vossen, die hun genadegaven verderven en hun vertroostingen, hun goed begin vernietigen, zodat het niet tot uitvoering kan komen. Vangt de kleine vossen, onderdrukt het eerste opkomen van de zonde, de kinderkens van Babel, Psalm 137:9, de zonden, die klein schijnen, want dikwijls blijken zij zeer gevaarlijk te zijn. Alles wat wij een verhindering in ons bevinden van hetgeen goed is, moeten wij wegdoen.
b. Een last aan allen in hun plaats en omgeving om het verspreiden tegen te gaan van alle meningen en praktijken, welke strekken om van de mensen oordeel te verderven, hun geweten te verkrachten, verwarring te brengen in hun geest, hen te ontmoedigen in hun neiging tot deugd en godsvrucht. Vervolgers zijn vossen, Lukas 13:32, valse profeten zijn vossen, Ezechiël 13:4. Zij, die het onkruid van ketterij en scheuring zaaien, en evenals Diotrefes de vrede van de kerk verstoren en de voortgang van het evangelie verhinderen, zij zijn de vossen, de kleine vossen, die niet neergeveld moeten worden Christus is niet gekomen om van de mensen leven te verderven maar gevangen, ten einde getemd te worden, of anders weerhouden moeten worden van kwaad te doen.
3. De gelovige belijdenis van de kerk van haar betrekking tot Christus, en de voldoening, die zij smaakt in haar deel aan Hem en in haar gemeenschap met Hem, vers 16. Hij had haar geroepen om op te staan en tot Hem te komen, Hem haar gedaante, of haar aangezicht, te laten zien en haar stem te doen horen. Dit nu is haar antwoord op die oproep, waarin zij, hoewel thans in duisternis en op een afstand, zich vertroost met de gedachten aan wederzijdse betrekking tussen haar en haar liefste. Mijn liefste aan mij, en ik aan Hem, zo is de krachtige lezing van het oorspronkelijke, het beknopte van de taal duidt de grootte en de wijdte aan van haar genegenheid. "Wat Hij aan mij is en ik aan Hem ben, kan beter bevat dan beschreven worden." Het is het onuitsprekelijk voorrecht van al de ware gelovigen, dat Christus van hun is, mijn liefste is mijn, dit duidt niet slechts eigendom aan "ik heb recht op Hem" maar bezit. "Ik ontvang van Hem volheid, " gelovigen zijn deelgenoten van Christus, zij hebben niet slechts deel in Hem, maar het genot van Hem, zijn niet slechts opgenomen in het verbond met Hem, maar ook in gemeenschap met Hem. Al de voordelen van Zijn heerlijke onderneming als Middelaar zijn hun toegekend. Hij is datgene voor hen, wat de wereld niet voor hen is, noch voor hen zijn kan, al hetgeen zij nodig hebben en begeren, en hen volkomen gelukkig kan maken. Al wat Hij is, is het hun, en al wat Hij heeft al wat Hij gedaan heeft en doet, al wat Hij beloofd heeft in het evangelie al wat Hij bereid heeft in de hemel, het is alles het uwe. Het is de ontwijfelbare hoedanigheid van alle ware gelovigen, dat zij van Christus zijn, en dan, en dan alleen, is Hij van hun, zij hebben zichzelf aan Christus gegeven, 2 Corinthiers 8:5, zij nemen Zijn leer aan en gehoorzamen Zijn wet, zij dragen Zijn beeld, en omhelzen Zijn belangen, zij behoren Christus toe. Als wij de Zijnen zijn, alleen de Zijnen, voor eeuwig de Zijnen, dan kunnen wij de vertroosting smaken dat Hij de onze is. Zij vertroost zich met de gedachte van de mededelingen van Zijn genade aan Zijn volk: Hij weidt onder de lelies. Als zij de tekenen begeert van Zijn gunst jegens haar in het bijzonder, dan verblijdt zij zich in de verzekering van Zijn tegenwoordigheid bij al de gelovigen in het algemeen, die als lelies zijn in Zijn ogen. Hij weidt onder hen, Hij heeft evenveel behagen in hen en hun vergaderingen, als iemand behagen heeft in zijn tafel, of in zijn hof, want Hij wandelt in het midden van de gouden kandelaren, Hij verlustigt zich er in om met hen te spreken, en hun goed te doen.
4. De hoop van de kerk op Christus' komst, en haar gebed, dat hierop gegrond is.
A. Zij twijfelt niet of de dag zal aankomen, en de schaduwen zullen wegvlieden. De evangeliedag zal komen, en de schaduwen van de ceremoniële wet zullen wegvlieden. Het was de troost van de oud-testamentische kerk, dat na de lange nacht van die duistere bedeling de opgang uit de hoogte hen ten laatste zou bezoeken, om licht te geven aan hen, die in duisternis zijn gezeten. Als de zon opgaat, verdwijnen de schaduwen van de nacht, en zo verdwijnen ook de schaduwen van de dag als het wezen, de substantie, komt. Na een nacht van verlatenheid zal de dag van de vertroosting komen. Het kan ook zien op de wederkomst van Christus en de eeuwige gelukzaligheid van de heiligen. De schaduwen van onze tegenwoordige staat zullen wegvlieden, onze duisternis en onze twijfelingen, onze smarten en al onze grieven, en een heerlijke dag zal aanbreken, een morgen, wanneer de oprechten heerschappij zullen hebben, een dag, waarop geen nacht zal volgen.
B. Zij bidt om de tegenwoordigheid van haar liefste middelerwijl, om haar te ondersteunen en te vertroosten. Keer om, mijn liefste wend U tot mij, kom en bezoek mij, en geef mij verlichting, wees altijd met mij tot aan het einde van de tijd. Ten dage dat ik in de uitersten nood ben haast U om mij te helpen, vertoef niet, kom zelfs over de bergen, een lieflijke voorsmaak van dat licht en deze liefde.
C. Zij bidt, dat Hij zich niet slechts thans tot haar zou keren, maar zich zal haasten om te komen en haar tot zich te nemen. "Ja Heer Jezus, ja kom haastelijk. Hoewel er bergen in de weg zijn, Gij kunt als een ree, of een welp van de herten er gemakkelijk over heen komen. O toon U aan mij, of neem mij op tot U."